- Arrest van 17 september 2013

17/09/2013 - P.12.1162.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een van de waarheidsvermomming te onderscheiden bedrieglijk opzet aanwezig is (1). (1) Cass. 11 dec. 2012, AR P.12.1051.N, AC 2012, nr. 681.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1162.N

J D, voorheen J D G,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Sven Mary, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 8 mei 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De eiser is voor het hem ten laste gelegde feit E vrijgesproken. Zijn cassa-tieberoep tegen die beslissing is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 196, 197 en 213 Strafwetboek en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken vereisen onder meer als ma-terieel bestanddeel een waarheidsvermomming en als moreel bestanddeel een be-drieglijk opzet of een oogmerk om te schaden; het volstaat niet dat de waarheids-vermomming wetens en willens werd begaan; de appelrechters oordelen ten on-rechte dat het moreel bestanddeel bewezen is op grond van de enkele vaststelling dat de eiser in werkelijkheid als economisch gerechtigde optrad bij de oprichting van de vennootschap en het aangaan van de overeenkomst en niet de personen, genoemd in deze akten, zonder te preciseren welk onrechtmatig voordeel de eiser daarmee nastreefde of welk oogmerk om te schaden hij had.

3. Het louter plegen in een geschrift van een bij wet bepaalde waarheidsver-momming en het gebruik van dit geschrift leveren niet het misdrijf op van valsheid in geschriften en gebruik. Afzonderlijk daarvan en bijkomend moet het vereiste moreel bestanddeel zijn aangetoond.

4. Het moreel bestanddeel van valsheid in geschriften en gebruik van valse ge-schriften bestaat, hetzij in bedrieglijk opzet, hetzij in het oogmerk om te schaden. Bedrieglijk opzet is het opzet zichzelf of een ander een onrechtmatig voordeel te verschaffen. Er is bedrieglijk opzet zodra de dader enig voordeel of enige winst beoogt, die hij niet zou hebben behaald indien hij het waarheidsgetrouw karakter van het geschrift had geëerbiedigd.

5. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een van de waarheidsvermom-ming te onderscheiden bedrieglijk opzet aanwezig is.

In zoverre het middel opkomt tegen dat onaantastbaar oordeel in feite van de rechter of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

6. Het arrest oordeelt dat:

- met betrekking tot de telastlegging A.I de waarheidsvermomming inhoudt dat bij de oprichting van de nv Interboat Aerts en Bogaerts vermeld werden als op-richters, terwijl uit geen verifieerbaar gegeven blijkt dat zij het oprichtingskapi-taal voorhanden hadden en terwijl zij verklaarden geld gekregen te hebben om bij het verlijden van de oprichtingsakte te verschijnen als oprichter;

- met betrekking tot de telastlegging A.II de waarheidsvermomming inhoudt dat door het vermelden van de personen, bedoeld in de basisovereenkomst, het voorkomt als waren zij diegenen die contracteerden met de Fortisbank, terwijl in werkelijkheid deze personen niets te maken hadden met de nv Interboat;

- het bedrieglijk opzet erin bestaat te verbergen dat onder meer de eiser de eco-nomisch begunstigde was van de opgerichte vennootschap en van de bankver-richtingen die zij stelde en derhalve ook van de daaraan ten grondslag liggende valse basisovereenkomst, wat betreft de hoedanigheid van de vertegenwoordi-gende personen van de nv Interboat.

Met die redenen maken de appelrechters wel degelijk een onderscheid tussen de waarheidsvermomming en het bedrieglijk opzet, bepalen zij dat bedrieglijk opzet en verantwoorden zij aldus hun beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

7. Het middel voert naast de in de hiernavolgende onderdelen vermelde ver-drags- en wetsschendingen, ook schending aan van artikel 505, 3° en 4°, Straf-wetboek.

8. Het middel geeft evenwel niet aan hoe of waardoor het arrest de aangewe-zen wetsbepaling schendt.

In zoverre is het middel wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk.

Eerste onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede misken-ning van het vermoeden van onschuld en het algemeen beginsel dat een rechter niet ultra petita uitspraak mag doen: de appelrechters die oordelen dat de eiser be-trokken is bij een drughandel, oordelen ultra petita; zij waren immers niet gevat te oordelen over deze inbreuk; het stond evenmin vast dat de eiser door een ander vonnisgerecht definitief veroordeeld werd voor deze feiten; hij werd er evenmin voor vervolgd bij gebrek aan voldoende aanwijzingen van schuld.

10. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de eiser schuldig werd bevonden aan drughandel, berust het op een onjuiste lezing van het arrest.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

11. Voor de schuldigverklaring en veroordeling van de dader aan de witwas-misdrijven van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, Strafwetboek volstaat het dat de illegale herkomst of oorsprong van de zaken, bedoeld in artikel 42, 3°, Straf-wetboek en de door hem vereiste kennis daarvan bewezen zijn, zonder dat vereist is dat de strafrechter het precieze misdrijf kent, op voorwaarde dat hij op grond van feitelijke gegevens elke legale herkomst of oorsprong kan uitsluiten.

12. Wanneer, zoals hier wat betreft de illegale herkomst of oorsprong van zaken zoals bedoeld in artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, Strafwetboek, de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaan-tastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel van de appelrechters over de feitelijke gegevens waaruit zij de illegale herkomst of oorsprong van de gelden af-leiden of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet be-voegd is, is het niet ontvankelijk.

13. Voor het overige oordeelt het arrest (p. 14), na onder meer vastgesteld te hebben dat een medebeklaagde vervolgd werd voor handelingen betreffende de Opiumwet naar Nederlands recht en dat de eiser blijkens de resultaten van een bij hem door de Nederlandse opsporingsdiensten uitgevoerde huiszoeking betrokken was in drughandel, "dat voor alle bedoelde gelden in de telastleggingen B.1 tot en met B.7 geen legale herkomst ervan bewezen is".

Hiermede oordelen de appelrechters binnen hun saisine dat eisers verweer elke grond van geloofwaardigheid mist en dat de constitutieve bestanddelen van het misdrijf waarover zij dienen te oordelen, vervuld zijn.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: uit de vastgestelde feiten leiden de ap-pelrechters ten onrechte af dat de eiser betrokken is bij drughandel en dat de gel-den die het voorwerp zijn van de telastleggingen B.1 tot B.7, geen legale herkomst hebben.

15. Wanneer, zoals hier wat betreft de illegale herkomst of oorsprong van zaken zoals bedoeld in artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, Strafwetboek, de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaan-tastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel van de appelrechters over de feitelijke gegevens waaruit zij de illegale herkomst of oorsprong van de gelden af-leiden of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet be-voegd is, is het niet ontvankelijk.

16. Voor het overige oordeelt het arrest (p. 14), na onder meer vastgesteld te hebben dat een medebeklaagde vervolgd werd voor handelingen betreffende de Opiumwet naar Nederlands recht en dat de eiser blijkens de resultaten van een bij hem door de Nederlandse opsporingsdiensten uitgevoerde huiszoeking betrokken was in drughandel, "dat voor alle bedoelde gelden in de telastleggingen B.1 tot en met B.7 geen legale herkomst ervan bewezen is".

Aldus verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

17. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: door te overwegen dat uit geen enkel stuk blijkt dat medebeklaagde L V en de eiser in een legale handel betrokken waren vóór het ogenblik van de verrichtingen, bedoeld in de telastleggingen B.1 tot B.7, geven de appelrechters een uitlegging aan het strafdossier die niet verenigbaar is met de inhoud ervan en miskennen zij de be-wijskracht van het proces-verbaal nr. PL2005-05022003-1600-1519, IRC nr. 200219628.

18. De miskenning van de bewijskracht van een akte betreft de uitlegging van de bewoordingen daarvan, eventueel in samenhang met de stukken naar dewelke die akte verwijst. Ze betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de door hem uitgelegde akte maakt.

In zoverre het onderdeel berust op een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

19. Voor het overige geeft het arrest van de aangehaalde akte geen uitlegging, maar oordeelt het op basis van alle aan de tegenspraak onderworpen gegevens dat het niet bewezen is dat medebeklaagde V L kennis had van enige legale handel of werkzaamheid van de eiser en medebeklaagde L V vóór het ogenblik waarop hij de witwasverrichtingen heeft gesteld.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 505, eerste lid, 2°, Strafwetboek en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvorde-ring, alsmede dat de appelrechters een onverantwoorde gevolgtrekking in feite en in rechte maken op grond van de vastgestelde feiten: op grond van hetgeen in de eerste drie onderdelen van dit middel uiteengezet werd, blijkt dat de appelrechters op grond van de vaststelling dat de eiser betrokken was in een drughandel en dat medebeklaagde L V en de eiser niet betrokken waren in een legale handel niet rechtsgeldig tot het besluit konden komen dat voor alle gelden, bedoeld in de te-lastleggingen B.1 tot B.7, geen legale herkomst bewezen is.

21. Het onderdeel dat geheel is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde eerste drie onderdelen van dit middel, is niet ontvankelijk.

Derde middel

22. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grond-wet, artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiser schuldig is aan de witwasmisdrijven, vermeld in de telastleggingen C en D, op grond van de overweging dat hij de legale herkomst van de desbetreffende gelden en aldus zijn onschuld niet bewijst, daar waar de vervolgende partij de illegale herkomst van de in geding zijnde zaken dient aan te tonen.

23. Voor de schuldigverklaring en veroordeling van de dader aan de witwas-misdrijven van artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek volstaat het dat de il-legale herkomst of oorsprong van de zaken, bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwet-boek en de door hem vereiste kennis daarvan bewezen zijn, zonder dat vereist is dat de strafrechter het precieze misdrijf kent, op voorwaarde dat hij op grond van feitelijke gegevens elke legale herkomst of oorsprong kan uitsluiten.

24. Wanneer zoals hier wat betreft de illegale herkomst of oorsprong van zaken zoals bedoeld in artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, de wet geen bij-zonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantast-baar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren.

In zoverre het middel opkomt tegen het oordeel van de appelrechters over de feitelijke gegevens waaruit zij de illegale herkomst of oorsprong van de gelden afleiden, is het niet ontvankelijk.

25. Voor het overige oordeelt het arrest (p. 14), na onder meer vastgesteld te hebben dat een medebeklaagde vervolgd werd voor handelingen betreffende de Opiumwet naar Nederlands recht en dat de eiser blijkens de resultaten van een bij hem door de Nederlandse opsporingsdiensten uitgevoerde huiszoeking betrokken was in drughandel, dat de betalingen, verricht om de in de telastlegging C.1-2 vermelde aankopen te realiseren, gebeurden "met sommen waarvan de legaliteit van de herkomst niet is aangetoond."

Hiermede leggen de appelrechters die oordelen dat de eiser geen legale oorsprong aannemelijk maakt, hem geen onrechtmatige bewijslast op, noch miskennen zij het vermoeden van onschuld.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Vierde middel

26. Het middel voert schending aan van de artikelen 43 en 43bis Strafwetboek: uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het openbaar ministerie de verbeurdverklaring van de opbrengst die in de plaats werd gesteld van de personenauto en het motorjacht, vermeld in de telastleggingen C.1 en C.2, schriftelijk heeft gevorderd; de appelrechters bevelen dan ook ten onrechte de verbeurdverklaring ervan.

27. Volgens artikel 2 van de wet van 29 april 1806 waarbij maatregelen worden voorgeschreven met betrekking tot de procedure in criminele en correctionele za-ken, kan de beklaagde, in correctionele zaken, als cassatiemiddel geen nietigheden aanvoeren die in eerste aanleg zijn gepleegd en die hij voor het hof van beroep niet heeft opgeworpen. De enige uitzondering hierop is de nietigheid wegens on-bevoegdheid.

Het arrest bevestigt de verbeurdverklaringen die de eerste rechter had bevolen en waarop het middel kritiek uit.

Uit de stukken van de rechtspleging blijkt niet dat de eiser voor het hof van be-roep heeft aangevoerd dat de verbeurdverklaringen die door de eerste rechter wa-ren bevolen zonder eerbiediging van de bij artikel 43bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering voorgeschreven vormvereiste onwettig zijn.

Het middel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 114,35 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Luc Van hoogenbemt, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 17 september 2013 uitgesproken door raadsheer Luc Van hoogenbemt, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche E. Francis A. Lievens

P. Hoet F. Van Volsem L. Van hoogenbemt

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Valsheid en gebruik van valse stukken

  • Bedrieglijk opzet

  • Beoordeling door de rechter