- Arrest van 17 september 2013

17/09/2013 - P.13.0760.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het specialiteitsbeginsel in artikel 37, §1, Wet Europees Aanhoudingsbevel verhindert niet dat de overgeleverde ingevolge de uitvoering van een eerder opgelegde interneringsmaatregel opnieuw opgenomen wordt in een psychiatrische afdeling om reden dat uit het feit waarvoor hij wordt overgeleverd, blijkt dat de opgelegde voorwaarden van een invrijheidstelling op proef niet worden nageleefd.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0760.N

P J M L W,

geïnterneerde,

eiser,

met als raadsman mr. Jan De Winter, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de hoge commissie tot be-scherming van de maatschappij van 28 maart 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 5.1 EVRM, artikel 12 Grondwet en de artikelen 16, § 4, 37 en 38 Wet Europees Aanhoudingsbevel: de eiser werd niet uitgeleverd voor de interneringsmaatregel, zodat de vrijheidsberoving in uit-voering van deze maatregel wegens niet-naleving van de voorwaarden onwettig is; de eiser werd enkel uitgeleverd voor de feiten omschreven in het Europees aanhoudingsbevel van 8 september 2010.

2. Artikel 37, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat een persoon, overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit, niet kan worden vervolgd, veroordeeld of van zijn vrijheid benomen wegens een ander, vóór zijn overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft.

Het specialiteitsbeginsel verhindert niet dat de overgeleverde ingevolge de uitvoe-ring van een eerder opgelegde interneringsmaatregel opnieuw opgenomen wordt in een psychiatrische afdeling om reden dat uit het feit waarvoor hij wordt overge-leverd, blijkt dat de opgelegde voorwaarden van een invrijheidstelling op proef niet worden nageleefd.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 5.1 en 5.3 EVRM, de artikelen 12 en 149 Grondwet en de artikelen 7 en 20, zevende lid, Wet Bescherming Maat-schappij.

Eerste onderdeel

4. Het onderdeel voert aan dat de bestreden beslissing die de eiser nog steeds als geesteszieke beschouwt, geen rekening houdt met het verslag van gerechtsdes-kundige Hellebuyck; deze deskundige besluit in het kader van een onderzoek naar andere feiten tot toerekeningsvatbaarheid van de eiser; de raadkamer te Brugge volgde deze zienswijze en verwees hem naar de correctionele rechtbank; er kan maar worden overgegaan tot internering en wederopname op het ogenblik dat vaststaat dat in de gedragingen of de geestestoestand van de betrokkene een ge-vaar voor de maatschappij waarneembaar is; zowel de beroepen beslissing als de bestreden beslissing schenden de artikelen 7 en 20 Wet Bescherming Maatschappij doordat zij zonder motivering de eiser interneren daar waar blijkt dat hij zich niet in een toestand bevindt zoals bedoeld in de wet.

5. Overeenkomstig artikel 20, zevende lid, Wet Bescherming Maatschappij kan de invrijheidgestelde geïnterneerde op vordering van de procureur des Konings van het arrondissement waar hij wordt aangetroffen, opnieuw in een psychi-atrische afdeling worden opgenomen, wanneer in zijn gedragingen of geestestoe-stand een gevaar voor de maatschappij waarneembaar is, met name wanneer hij de hem opgelegde voorwaarden niet in acht neemt.

6. De rechter oordeelt onaantastbaar of de gedragingen of de geestestoestand van een invrijheidgestelde geïnterneerde een gevaar voor de maatschappij uitma-ken.

Hij kan zich daartoe steunen op alle hem regelmatig voorgelegde gegevens die aan de tegenspraak van de partijen zijn onderworpen, waaronder onder meer het verslag van een gerechtsdeskundige waarvan hij de bewijswaarde evenzeer onaan-tastbaar beoordeelt en het feit dat de invrijheidgestelde geïnterneerde de hem op-gelegde voorwaarden niet in acht neemt.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen dat oordeel of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

7. Het in het kader van de vervolging van een ander misdrijf uitgevoerd psy-chiatrisch onderzoek dat besluit tot toerekeningsvatbaarheid van de geïnterneerde en de daarop volgende verwijzing door de raadkamer naar de correctionele recht-bank staan niet eraan in de weg dat de commissie tot bescherming van de maat-schappij en in hoger beroep de hoge commissie tot bescherming van de maat-schappij de wederopneming en het behoud van de betrokkene in een door haar aangewezen inrichting beveelt, wanneer ze vaststelt dat de wettelijk opgelegde voorwaarden voor de wederopneming zijn vervuld.

In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

8. De bestreden beslissing oordeelt met eigen redenen en met overname van de redenen van de beroepen beslissing dat:

- de eiser de hem opgelegde voorwaarden niet is nagekomen;

- uit het verslag van gerechtsdeskundige Hellebuyck waarmee de hoge commis-sie aldus rekening houdt, blijkt dat de kans op recidive zeer hoog is;

- hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het plegen van nieuwe strafbare fei-ten;

- de eiser opnieuw hervallen is in zijn patroon van oplichting;

- zijn geestestoestand onvoldoende is verbeterd;

- zich onvoldoende concrete mogelijkheden tot reclassering aftekenen.

Aldus omkleedt de hoge commissie haar beslissing met redenen en verantwoordt zij die beslissing naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

9. Het onderdeel voert aan dat eisers detentie een onrechtmatige vrijheidsbero-vende maatregel is, in de hypothese dat hij toerekeningsvatbaar is en dus niet geestesziek, omdat hij verblijft in de psychiatrische afdeling van de gevangenis te Antwerpen, wachtend op zijn transfer naar de rijksinstelling te Merksplas; wan-neer evenwel wordt aangenomen dat de eiser niet-toerekeningsvatbaar is, is zijn verblijf in de gevangenis te Antwerpen eveneens onrechtmatig.

10. Het onderdeel vereist een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen be-voegdheid heeft.

Het is bijgevolg niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Luc Van hoogenbemt, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 17 september 2013 uitgesproken door raadsheer Luc Van hoogenbemt, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche E. Francis A. Lievens

P. Hoet F. Van Volsem L. Van hoogenbemt

Vrije woorden

  • Wet Europees Aanhoudingsbevel

  • Artikel 37, §1

  • Specialiteitsbeginsel

  • Uitvoering van een eerder opgelegde interneringsmaatregel

  • Redenen