- Arrest van 18 september 2013

18/09/2013 - P.12.1628.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechtbanken beschikken over een discretionaire bevoegdheid om de betichting van valsheid meteen toe te staan of af te wijzen; dergelijke procedure, die openstaat tegen elk stuk dat volgens de regels van het strafproces als bewijs wordt overgelegd, is niet nodig wanneer het betwiste proces-verbaal slechts bewijs oplevert tot bewijs van het tegendeel (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …; zie ook Cass. 23 juni 2010, AR P.10.1044.F, AC 2010, nr. 452.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1628.F

1. G. W.,

2. J. D. V.,

Mrs. Reinold De Vuyst, advocaat bij de balie te Dendermonde, en Valérie-Anne de Brauwere, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

WILDBEHEER VAN HET BOSMASSIEF VAN SAINT-HUBERT vzw.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 14 september 2012.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft op 2 september 2013 een conclu-sie neergelegd op de griffie.

Op de rechtszitting van 18 september 2013 heeft raadsheer Pierre Cornelis verslag uitgebracht en heeft de procureur-generaal geconcludeerd

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissing op de straf-vordering

Eerste middel

De eisers hebben voor de appelrechters een conclusie neergelegd waarin ze het proces-verbaal van verhoor van de houder van het jachtrecht door de ambtenaar van het bosbeheer van valsheid betichten en de opschorting vorderen van de rechtspleging tot over de betichting van valsheid is beslist.

Het middel verwijt het bestreden arrest dat het de vordering niet-ontvankelijk ver-klaart.

De rechtbanken beschikken over een discretionaire bevoegdheid om de betichting van valsheid meteen toe te staan of af te wijzen.

Dergelijke procedure, die openstaat tegen elk stuk dat volgens de regels van het strafproces als bewijs wordt overgelegd, is niet nodig wanneer, zoals te dezen, het betwiste proces-verbaal slechts bewijs oplevert tot bewijs van het tegendeel.

De appelrechters hebben geoordeeld dat de brief die de houder van het jachtrecht naar verluidt heeft toegezonden aan de rechtbank van eerste aanleg, de valsheid van dat proces-verbaal niet kon aantonen, in zoverre de schrijver van de brief toe-gaf dat hij van de feiten op de hoogte was gebracht en de brief afsloot met de vermelding dat hij zich niet herinnerde een klacht te hebben ingediend en dat hij, mocht dat toch het geval zijn, die klacht wenste in te trekken. De appelrechters waren van oordeel dat de vordering, in zoverre die brief de in dat proces-verbaal opgetekende klacht niet betwistte, niet aannemelijk genoeg was.

In zoverre het middel de feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak door de bodemrechters betwist, is het niet ontvankelijk.

Voor het overige blijkt uit de redenen van het arrest niet dat het hof van beroep de valsheidsprocedure slechts wilde toestaan, op voorwaarde dat de eisers het bewijs leverden van het feit dat de houder van het jachtrecht nooit een klacht had inge-diend.

Met de hierboven vermelde overwegingen verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Krachtens artikel 26 van de Jachtwet van 1882 geschiedt de vervolging wegens het misdrijf jagen op andermans grond zonder zijn toestemming, als bedoeld in ar-tikel 4, niet dan op klacht van de houder van het jachtrecht.

Die klacht is aan geen bijzonder vormvereiste onderworpen. Alleen de wil van de benadeelde moet vaststaan om de feiten te doen vervolgen.

In zoverre het middel aanvoert dat de benadeelde persoon die klacht indient, uit-drukkelijk moet vragen dat er strafrechtelijk zou worden vervolgd, faalt het naar recht.

Voor het overige stelt het arrest vast dat de klacht door de boswachter behoorlijk is opgetekend en dat daarin duidelijk wordt vermeld dat de houder van het jacht-recht verklaart klacht in te dienen tegen de handelingen waarvan hij op de hoogte is gebracht, namelijk dat er 's nachts, op zijn jachtgebied, twee personen zijn ge-controleerd die zich als jagers gedroegen.

Met die overwegingen verantwoorden de appelrechters hun beslissing om de strafvervolging ontvankelijk te verklaren naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Derde middel

De eisers, die de schending aanvoeren van de artikelen 31 en 65 Wetboek van Strafvordering, verwijten het arrest dat het het bestaan vaststelt van de klacht die bij artikel 26 van de voormelde wet is vereist, hoewel die klacht, die in het proces-verbaal van de politieofficier is opgetekend, niet door de klager is ondertekend.

De vormvereisten van de in het middel bedoelde artikelen zijn niet voorgeschre-ven op straffe van nietigheid.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Vierde middel

De eisers voeren aan dat het arrest niet antwoordt op de conclusie waarin zij be-toogden dat het proces-verbaal waarin de klacht van de houder van het jachtrecht was opgetekend, zijn bijzondere wettelijke bewijswaarde had verloren aangezien ze het bewijs leverden van het tegendeel van de daarin vermelde vaststellingen, met name dat laatstgenoemde in feite geen klacht had ingediend.

In zoverre het middel de feitelijke beoordeling van de appelrechters betwist, is het niet ontvankelijk.

Het arrest antwoordt voor het overige, met de overwegingen die in antwoord op het eerste middel zijn vermeld, op het verweer van de eisers.

Het middel mist dienaangaande feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissing op de bur-gerlijke rechtsvordering

De eisers voeren geen bijzonder middel aan.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 18 september 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verzoek tot betichting van valsheid

  • Discretionaire bevoegdheid van de rechter om de vordering meteen aan te nemen of te verwerpen

  • Toepassingsgebied