- Arrest van 20 september 2013

20/09/2013 - F.12.0003.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De vordering waarover een arrest uitspraak doet die strekt tot opheffing van de door de ontvanger der directe belastingen gedane hypothecaire inschrijving op een eigen goed van de eiseres om de invordering te verzekeren van vier aanslagen in de personenbelasting ten name van de eiseres en van haar ex-echtgenoot, valt niet onder de toepassing van voornoemd artikel 378 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zodat het cassatieverzoekschrift door een advocaat bij het Hof van Cassatie ondertekend moet zijn (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. ….

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0003.F

L. M.,

Mr. Xavier Thiébaut, advocaat bij de balie van Luik,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 29 juni 2011.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 22 augustus 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Betreffende het door de verweerder tegen het cassatieberoep opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid: het verzoekschrift is niet ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie

Volgens artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek wordt het verzoekschrift waarbij cassatieberoep wordt ingesteld, op straffe van nietigheid, zowel op het afschrift als op het origineel door een advocaat bij het Hof van Cassatie ondertekend.

Artikel 378 WIB1992 wijkt van die regel af en bepaalt dat het cassatieverzoekschrift door een advocaat mag worden ondertekend.

Die afwijking geldt slechts voor het cassatieberoep tegen een beslissing die gewezen is in een geschil betreffende een aanslag in de inkomstenbelastingen.

De vordering waarover het arrest uitspraak doet strekt tot de opheffing van de door de ontvanger der directe belastingen gedane hypothecaire inschrijving op een eigen goed van de eiseres om de invordering te verzekeren van vier aanslagen in de personenbelasting ten name van de eiseres en van haar ex-echtgenoot.

Een dergelijk geschil valt niet onder de toepassing van voornoemd artikel 378 zodat het cassatieverzoekschrift door een advocaat bij het Hof van Cassatie ondertekend had moeten zijn.

De eiseres voert aan dat de artikelen 1080 van het Gerechtelijk Wetboek en 378 WIB1992, in die zin uitgelegd dat het cassatieberoep tegen een beslissing die uitspraak doet over een geschil betreffende de invordering van de belasting ingesteld moet worden aan de hand van een door een advocaat bij het Hof van Cassatie ondertekend verzoekschrift, haar toegang tot de cassatierechter bemoeilijken; zij stelt voor dat de onderstaande prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof wordt gesteld:

"Schenden de artikelen 1080 Gerechtelijk Wetboek en 378 WIB1992, in die zin uitgelegd dat het cassatieberoep tegen een arrest dat uitspraak doet over de invordering van de inkomstenbelastingen, door een advocaat bij het Hof van Cassatie ondertekend zou moeten zijn, terwijl het cassatieberoep tegen een arrest dat uitspraak doet over de vaststelling van dezelfde belasting door een advocaat ondertekend mag worden, de artikelen 10 en 11 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en 1 van het eerste aanvullend protocol bij dat verdrag?"

Enerzijds staat artikel 6.1 EVRM, gelet op de opdracht van de cassatierechter en op de specifieke aard van de rechtspleging voor hem, niet eraan in de weg dat, zelfs in een geschil betreffende het door artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij dat verdrag gewaarborgde recht, een nationale wet wordt toegepast die aan gespecialiseerde advocaten het monopolie van de vertegenwoordiging van de partijen voor die rechter verleent.

Het optreden van die advocaten draagt trouwens bij tot de adequate uitoefening van het recht van verdediging, zorgt ervoor dat het cassatieberoep doeltreffend is en verleent de rechtzoekende de fundamentele waarborgen van artikel 6 van het Verdrag.

Anderzijds laakt de eiseres geen onderscheid tussen personen of categorieën personen die in dezelfde juridische toestand verkeren, maar oefent zij kritiek op de grenzen van het toepassingsgebied van de regel uit voornoemd artikel 378.

De door de eiseres voorgestelde prejudiciële vraag beantwoordt niet aan het bepaalde in artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en dient bijgevolg niet aan dat rechtscollege te worden gesteld.

Het middel van niet-ontvankelijkheid moet aangenomen worden.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Gustave Steffens en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 20 september 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Ondertekening door een advocaat bij het Hof van Cassatie

  • Verplichting

  • Afwijking

  • Fiscaal geschil