- Arrest van 23 september 2013

23/09/2013 - S.12.0137.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Tegen de beslissing van een rechtscollege, in zoverre dit aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag stelt, kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend; dit sluit niet uit dat een rechtsmiddel wordt aangewend tegen die beslissing in zoverre erin andere geschilpunten definitief worden beslecht; de omstandigheid dat de aanwending van het rechtsmiddel ertoe kan leiden dat de prejudiciële vraag zonder voorwerp wordt, doet daaraan niet af.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0137.N

P .,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat, 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

HAPAG-LLOYD BELGIUM nv in vereffening, met zetel te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok-Westkaai 21,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, af-deling Antwerpen, van 18 juni 2012.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Ontvankelijkheid

1. De verweerster werpt twee gronden van niet-ontvankelijkheid van het mid-del op:

- het middel is onduidelijk omdat het niet aangeeft hoe en waardoor het arrest de aangevoerde wetsbepalingen schendt door te oordelen dat de beslissing dat de eiser bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar ook zijn bescherming van kan-didaat-personeelsafgevaardigde heeft verloren, heeft geleid tot het stellen van de prejudiciële vraag en aldus deel uitmaakt van de "beslissing van het rechts-college" waartegen volgens artikel 29, § 1, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof geen enkel rechtsmiddel openstaat;

- het is gericht tegen feitelijke beoordelingen.

2. Het middel gaat ervan uit dat het arrest ten onrechte aanneemt dat het oor-deel dat de eiser door het bereiken van de leeftijd van 65 jaar ook zijn bescher-ming van kandidaat-personeelsafgevaardigde heeft verloren, een beslissing is van een rechtscollege "in zoverre dit aan het Grondwettelijk Hof een vraag stelt", zoals bedoeld in artikel 29, § 1, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof. Het geeft aldus aan hoe en waardoor het arrest de aangevoerde wetsbepalingen en in het bijzonder artikel 29, § 1, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof schendt.

De eerste grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

3. Het middel is niet gericht tegen de feitelijke beoordeling dat de beroepen beslissing heeft geleid tot het stellen van de prejudiciële vraag en de eventuele vernietiging ervan een beoordeling zou meebrengen over de noodzaak of het nut van de gestelde vraag, maar wel tegen de omstandigheid dat het arrest aanneemt dat daardoor tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat.

De tweede grond van niet-ontvankelijkheid moet eveneens worden verworpen.

Gegrondheid

4. Krachtens artikel 29, § 1, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof kan tegen de beslissing van een rechtscollege, in zoverre dit aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag stelt, geen enkel rechtsmiddel worden aangewend.

Dit sluit niet uit dat een rechtsmiddel wordt aangewend tegen die beslissing in zo-verre erin andere geschilpunten definitief worden beslecht. De omstandigheid dat de aanwending van het rechtsmiddel ertoe kan leiden dat de prejudiciële vraag zonder voorwerp wordt, doet daaraan niet af.

5. Het beroepen vonnis oordeelt vooreerst dat anders dan de eiser aanvoerde, ook de kandidaat-personeelsafgevaardigde niet langer de ontslagbescherming ge-niet bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.

Vervolgens beslist het aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over het verder verweer van de eiser dat het verlies van de ontslagbescherming op 65 jaar strijdig is met het door de Richtlijn 2000/78/EG gewaarborgde beginsel van gelijke behandeling en ook de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt.

6. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de eiser in zijn verzoekschrift tot hoger beroep uitsluitend opkwam tegen de beslissing dat de in artikel 2, § 2, derde lid, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bepaalde regel van het verlies van de ontslagbescherming bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar ook geldt voor de niet-verkozen kandidaten en niet enkel voor de effectieve en plaats-vervangende personeelsafgevaardigden.

7. Het arrest oordeelt dat de beslissing dat ook de kandidaat-personeelsafgevaardigde niet langer de ontslagbescherming geniet bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar noodzakelijk deel uitmaakt van de "beslissing van het rechtscollege" waartegen volgens artikel 29 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof geen enkel rechtsmiddel openstaat, op grond dat die redenen hebben geleid tot het stellen van de prejudiciële vraag en deze vraag zonder voorwerp zou worden in-dien de beroepen beslissing zou worden vernietigd vooraleer het Grondwettelijk Hof erover uitspraak heeft gedaan.

Het arrest verantwoordt aldus zijn beslissing dat het hoger beroep niet ontvanke-lijk is, niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Peter Hoet, Antoine Lievens en Bart Wylleman, en in openbare rechtszit-ting van 23 september uitgesproken door raadsheer Koen Mestdagh, in aanwezig-heid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols B. Wylleman A. Lievens

P. Hoet G. Jocqué K. Mestdagh

Vrije woorden

  • Gemengd vonnis

  • Aan het Grondwettelijk Hof gestelde prejudiciële vraag

  • Definitieve uitlegging van een wetsbepaling

  • Tot de definitieve beslissing beperkt beroep

  • Ontvankelijkheid van het hoger beroep