- Arrest van 27 september 2013

27/09/2013 - C.10.0685.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Door te bepalen dat de rechtbank de vordering tot betwisting van vaderschap slechts afwijst indien de vaststelling van de afstamming “kennelijk strijdig is met de belangen van het kind”, schendt artikel 332quinquies, §2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het de rechter slechts een marginale toetsing van het belang van het kind toestaat, artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0685.N

1. J. H.,

2. S. L.,

Mr. Paul Alain Foriers , advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

P. K.,

Mr. Sabine Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie,

in aanwezigheid van

D. J., advocaat, qq. voogd ad hoc van B.V.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 7 juni 2010.

Het Hof heeft in het arrest van 2 maart 2012 de uitspraak aangehouden tot het Grondwettelijk Hof zal hebben geantwoord op de in het dictum van het arrest gestelde prejudiciële vraag.

Het Grondwettelijk Hof heeft die vraag beantwoord bij het arrest nr. 30/2013 van 7 maart 2013.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren twee middelen aan. Het Hof heeft in zijn arrest van 2 maart 2012 het eerste middel en de eerste twee onderdelen van het tweede middel verworpen. Het derde onderdeel van het tweede middel is als volgt gesteld:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 315, 318, § 1 en 5, zoals die zijn vervangen door de wet van 1 juli 2006, en 332quinquies, Burgerlijk Wetboek, zoals het is ingevoegd in de wet van 1 juli 2006 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2006;

- artikel 24.2 en 3 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007;

- artikel 6.1 van het Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992, in de geconsolideerde versie ervan die is bekendgemaakt in de Publicatieblad van 9 mei 2008;

- artikel 3.1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen te New York op 20 november 1989, goedgekeurd bij de wet van 25 november 1991, bij het decreet van de Raad van de Franse Gemeenschap van 3 juli 1991, door het decreet van de Raad van de Duitse Gemeenschap van 25 juni 1991 en bij het decreet van de Vlaamse Raad van 15 mei 1991;

- de artikelen 22bis, vierde lid, en 142, inzonderheid tweede lid, 3°, Grondwet;

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de bepalingen van internationaal recht, met inbegrip van het gemeenschapsrecht dat directe werking heeft, voorrang hebben op de bepalingen van het nationaal recht;

- artikel 26, inzonderheid § 1, 3°, van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof van 6 januari 1989;

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter geen regel mag toepassen die in strijd is met een hogere bepaling.

Aangevochten beslissingen

Het arrest "verklaart de bij de dagvaarding van 27 juli 2007 ingestelde rechtsvordering ontvankelijk en gegrond; verklaart de op het nieuwe artikel 318 Burgerlijk Wetboek gebaseerde rechtsvordering tot betwisting van vaderschap gegrond; verklaart dat [de eiser] niet de biologische vader is van het kind B., S. P., van het mannelijk geslacht dat geboren is te Wiltz (Groothertogdom Luxemburg) op 24 januari 2004 (geboorteakte van die stad nr. 7), en dat er redenen zijn om [de verweerder], geboren te Luik op 7 augustus 1970, als de vader te beschouwen; beslist bijgevolg dat minderjarig kind niet de naam kan dragen [van de eiser] daar het geen lid van de familie kan zijn; beslist dat met toepassing van artikel 333 Burgerlijk Wetboek, het dictum van dit arrest, als het in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, zal worden overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand van het eerste district van Brussel, en dat hiervan melding zal worden gemaakt op de kant van de geboorteakte van het kind, en veroordeelt de (eisers) in de kosten van beide instanties, die niet zijn begroot ten aanzien van [de verweerder".

Met betrekking tot de gegrondheid van die rechtsvordering baseert het arrest zich op de volgende redenen:

"Wat betreft de gegrondheid van de rechtsvordering tot betwisting van vaderschap

a) het vermoeden van vaderschap wordt tenietgedaan ofwel door rechtstreeks bewijs (bewijs door alle middelen van recht dat de betrokkene niet de vader is van het kind) ofwel door de pure ontkenning in de met name in artikel 316bis, Burgerlijk Wetboek opgesomde gevallen (artikel 318, § 3, Burgerlijk Wetboek).

b) Artikel 318, § 5, Burgerlijk Wetboek vereist een bijkomend bewijs als degene die de rechtsvordering instelt de biologische vader is; het bepaalt immers dat de vordering tot betwisting van het vaderschap van de echtgenoot, als zij door die nieuwe houder wordt ingesteld, maar gegrond kan worden verklaard als zijn eigen vaderschap vaststaat (J. S., „Le droit de la filiation nouveau est arrivé‟, J.T., 2007, p. 395, nr. 33).

De wet van 1 juli 2006 veralgemeent de regeling van „beide ineens‟ die het mogelijk maakt het vaderschap van degene die de vordering tot betwisting instelt rechtstreeks in de plaats te stellen van het vaderschap van de echtgenoot ten aanzien van wie het bewijs geleverd is dat hij niet de vader is (N. M., Droit des familles, CUP, vol. 92, p. 67).

Te dezen geven de partijen samen toe dat niet [de eiser] maar [de verweerder] de biologische vader is. Ze doen dat zowel in hun conclusie wat een gerechtelijke bekentenis inhoudt, als binnen het kader van het K.-verslag en in hun verklaringen aan tal van derden. Dat sluit de mogelijkheid van bedrieglijke verstandhouding tussen hen volledig uit te meer daar de verstandhouding tussen hen al volledig zoek was.

De radicale opvatting als zou de bekentenis van de tegenpartij niet tellen in echtscheidingszaken en in zaken betreffende de staat van de personen, moet worden genuanceerd; op dat gebied is het gevaar reëel dat de partijen onderlinge afspraken maken; de bekentenis is als bewijsmiddel toegelaten als vooraf is nagegaan of er geen afspraken waren gemaakt (R. Mougenot, La preuve, Rép. Not., dl IV, boek II, p. 206, nr. 282, en de verwijzingen aldaar).

De beslissing waarbij de vordering tot betwisting van vaderschap, ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader te zijn, wordt toegewezen, heeft, krachtens artikel 318, § 5, van rechtswege tot gevolg dat de afstamming van de eiser vaststaat, met dien verstande dat de rechtbank moet nagaan of de voorwaarden van artikel 332quinquies zijn vervuld.

Wanneer het verzet tegen de vordering uitgaat van de ouder van het kind ten aanzien van wie de afstamming vaststaat - te dezen de moeder -, wijst de rechtbank de vordering immers slechts af als zij betrekking heeft op een kind dat op het ogenblik dat de vordering wordt ingesteld ten minste één jaar oud is en als de vaststelling van de afstamming kennelijk in strijd is met de belangen van het kind.

Het betreft hier een opportuniteitstoetsing die marginaal moet blijven (J. Sosso,, „Le droit de la filiation nouveau est arrivé‟, J.T., 2007, p. 398, nr. 41); bij het onderzoek van de belangen van het kind moet hier worden uitgegaan van het doel van de rechtsvordering, dat te dezen erin bestaat aan het kind de rechten toe te kennen die verbonden zijn aan de biologische afstamming, en niet van de uitoefening van rechten die uit de afstamming afgeleid zijn (uitoefening van het ouderlijk gezag, recht van huisvesting).

Artikel 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 bepaalt dat het kind, voor zover mogelijk, het recht heeft zijn ouders te kennen en door hen te worden verzorgd.

Het kind heeft er belang bij zijn biologische vader te kennen, a fortiori als die een afstammingsband met hem wil hebben; de waarheid over de biologische afstammingsband blijkt noodzakelijk te zijn voor de ontwikkeling van het kind; die waarheid sluit, ingeval zij zou inhouden dat [de verweerder] de vader is, niet uit dat het kind een harmonieuze band heeft met de echtgenoot van zijn moeder.

Hoe langer de beslissing over de afstamming uitblijft, hoe negatiever de psychologische gevolgen hiervan voor het kind zullen zijn. De relatieproblemen die in dat verband worden opgeworpen zowel door de [eisers] als door de diverse, door hen genoemde wetenschappers zullen desgevallend kunnen worden opgeworpen voor de bevoegde jeugdrechtbank, zodra de afstammingsband vaststaat. Die moeilijkheden zullen trouwens gecompenseerd worden door de vaststelling van gezinsbanden die, als men ervan uitgaat dat de toestand van het kind reeds nu in brede kringen bekend is, meer stroken met de biologische en sociologische realiteit.

Het staat aan [de eiseres] te bewijzen dat de vaststelling van de afstamming van B. ten aanzien [van de verweerder] kennelijk in strijd is met de belangen van het kind. Het staat daarentegen niet [aan de verweerder] te bewijzen dat de vaststelling van de afstamming in het belang is van B.

Ten onrechte leiden [de eisers] hieruit af dat het enige wat telt de vraag is of het niet kennelijk in strijd is met de belangen van B. om hem zomaar plots zijn vader af te nemen en hem als vader uit zijn leven te bannen, daar artikel 332quinquies geen betrekking heeft op de betwisting van het vaderschap maar op het onderzoek ervan.

Het is dus zaak te weten welke band er tussen B. en [de verweerder] bestaat.

De [eisers] beroepen zich op het verslag dat de heer K. heeft opgemaakt naar aanleiding van de opdracht die de jeugdrechtbank hem bij vonnis van 1 maart 2005 heeft toevertrouwd.

Hier moet nochtans worden gewezen op het feit dat hem in die opdracht is gevraagd het recht op persoonlijke omgang te onderzoeken. Ook het hof [van beroep] wijst erop dat het volgens het vonnis van 1 maart 2005 gaat om een opdracht „sui generis‟ die niet beantwoordt aan de regels inzake deskundigenonderzoek, maar veel weg heeft van een bemiddeling gelet op de betiteling die de heer K. zelf aan die opdracht gaf, terwijl de opdracht van bemiddelaar een vertrouwelijkheidsplicht inhoudt en, ten slotte, dat de wetenschappelijke kwalificaties van de heer K. onbekend zijn.

De jeugdrechtbank te Verviers herinnert in zijn vonnis van 30 oktober 2007 aan het feit dat een dergelijke procedurevrijheid enkel geldt voor de jeugdrechter. Dat vonnis wijst op bladzijde 6 in fine tevens op het volgende: „wat het "ideologisch uitgangspunt" betreft van de steller van het advies waaraan wordt verweten dat het de biologische vader uitsluit ten voordele van de echtgenoot van de moeder die het kind als het zijne heeft aanvaard, vloeit het begrip vader zoals het door de steller van dat advies - de heer K. - wordt opgevat, niet voort uit de een of andere absurde theorie die de eiser ongerijmd zou kunnen voorkomen, maar uit een begrip dat ruim verspreid is in verschillende ideeënstromingen en zelfs in het oud Burgerlijk Wetboek. Die visie is op het vlak van de "analyse" evenveel waard als de visie die de voorrang geeft aan het biologische vaderschap en zij heeft niet de pretentie de keuzes van de wetgever op de helling te zetten, onder meer in verband met de gevolgen die de nieuwe wet verbindt aan de biologische afstamming‟. De toelichting die de jeugdrechtbank aldus geeft bij het verslag houdt in dat het verslag geen rekening heeft gehouden met de afstammingswet waarvan men in deze procedure toepassing wil maken.

Uit de bovenstaande toelichting volgt dat het verslag van de heer K. in dit dossier niet in aanmerking kan worden genomen als bewijs.

Dat vonnis van 30 oktober 2007 kan trouwens niet worden aangevoerd in het onderzoek naar de belangen van het kind, daar het die kwestie aan de orde heeft gesteld binnen het kader van het onderzoek naar het recht op persoonlijke omgang en dat vonnis op hoger beroep vernietigd is door het arrest van 24 september 2009.

De [eisers] beroepen zich tevens op het verslag van professor G. van 13 juli 2004. Dat verslag dat is opgemaakt zonder enig onderhoud met [de verweerder], heeft betrekking op de relaties tussen het kind, zijn moeder, haar echtgenoot en de verwekker, alsook op de mogelijkheid voor het kind om geregeld de nacht door te brengen buiten zijn vertrouwde familiekring. Het verslag eindigt met de vaststelling dat het hier eerder gaat om een juridisch dan om een wetenschappelijk probleem en dat het uitgebrachte advies van wetenschappelijke en algemene aard is. Het wijst er evenwel op dat elke vorm van conflict zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Nergens trekt het verslag de vaststelling van het vaderschap van [de verweerder] in twijfel. De [eisers] wijzen erop dat het volgens de heer G. psychologisch onmogelijk is twee vaders te hebben. Dat is trouwens niet de wens [van de verweerder] die zijn plaats van vader wil innemen en haar niet met [de eiser] wenst te delen, zoals hij herhaaldelijk heeft gezegd.

Ook mevrouw B. komt in haar verslag, dat is opgemaakt zonder enig onderhoud met [de verweerder] tot het besluit dat de beslissing een zaak is van de rechter daar het hier niet gaat om een probleem van psychologische maar van burgerrechtelijke aard. Zij voegt eraan toe dat een psychologisch deskundigenonderzoek hier helemaal niet op zijn plaats is, daar het hier niet gaat over de geestelijke gezondheid van een van de partijen maar over de regels die binnen een samenleving gelden op het gebied van afstamming.

Die verslagen leveren, zowel naar de vorm, daar ze zijn opgemaakt zonder enig voorafgaand gesprek met [de verweerder], als naar de inhoud, niet het bewijs op dat de vaststelling van de afstamming kennelijk in strijd is met de belangen van het kind.

Hetzelfde geldt voor het verslag dat de heer M. opgemaakt heeft zonder [de verweerder] vooraf te ontmoeten en waarin hij genoegen neemt met de conclusie dat vaderschap niet kan worden gedeeld. Die vraag was hier niet aan de orde aangezien het de bedoeling was uit te maken of de vaststelling van de afstamming ten aanzien van [de verweerder] in strijd is met de belangen van het kind nadat de afstamming van de eiser] op rechtsgeldige wijze was betwist.

Ten slotte en voor de eerste maal beroepen de [eisers] zich in hun conclusie in antwoord op het advies van het openbaar ministerie op artikel 24 van het Handvest van de grondrechten dat vanaf 1 december 2009 in werking getreden is en zij betogen dat krachtens die bepaling het hoger belang van het kind een essentiële overweging is.

Hun redenering loopt evenwel mank in zoverre zij betogen dat het belang van het kind ernstig gevaar loopt als de afstamming langs vaderszijde in het gezin waarin het leeft zou worden vervangen door een nieuwe afstammingsband buiten het gezin, terwijl, zoals hierboven is gezegd, de rechtspositie van het kind binnen het gezin een dubbelzinnig karakter vertoont.

Ten slotte beroepen de [eisers] zich op artikel 8.1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (terloops moet worden opgemerkt dat die regel, als zij door [de verweerder] wordt aangevoerd, volgens hen geen klare, duidelijke en onvoorwaardelijke regel is die rechtstreeks van toepassing is) volgens hetwelk de Staten zich verbinden tot eerbiediging van het recht van het kind zijn of haar naam en familiebetrekkingen zoals wettelijk erkend, te behouden zonder onrechtmatige inmenging.

In dit geval zou de vaststelling van de afstamming ten aanzien [van de verweerder] een bij de wet erkende band instellen en doet de omstandigheid dat zij is gewijzigd niet ter zake.

Bovendien is het niet de bedoeling dat het kind zou worden gescheiden van zijn ouders maar dat het recht op vaderschap van de biologische vader zou worden erkend. Dat zal weliswaar tot gevolg hebben dat het kind gescheiden ouders zal hebben maar niet dat het er geen meer zal hebben.

Ten overvloede moet erop worden gewezen dat de opvoedkundige bekwaamheid [van de verweerder] nooit in twijfel is getrokken en dat nooit is gezegd dat hij geen goede vader zou zijn. Bovendien moet eraan worden herinnerd dat [de verweerder] reeds op 30 januari 2004, dus enkele dagen na zijn geboorte, schriftelijk zijn wil te kennen heeft gegeven om een rol te spelen in het leven van B.

[De eiseres] blijft aldus in gebreke te bewijzen dat de vaststelling van de afstamming ten aanzien [van de verweerder] kennelijk in strijd zou zijn met de belangen van het kind, en met name bewijst zij niet dat de vertraging bij de vaststelling van die band in ernstige mate afbreuk zou doen aan de belangen van het kind.

De rechtsvordering [van de verweerder] moet daarom gegrond worden verklaard.

Kosten

De [eisers] worden veroordeeld in de kosten van beide instanties."

Grieven

Om de in het middel weergegeven redenen beslist het arrest dat bij de beoordeling van de belangen van het kind enkel de vaststelling van de door de verweerder opgeëiste afstamming in aanmerking moest worden genomen en niet de betwisting van het vaderschap van de eiser, dat die beoordeling geen betrekking kon hebben op de gevolgen van de op grond van artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek vastgestelde afstammingsband en dat zij enkel van marginale aard mocht zijn.

[...]

Derde onderdeel

1. Het in de aanhef van het middel vermelde artikel 22bis, vierde lid, Grondwet waarin het beginsel wordt vastgelegd dat omschreven wordt in de bepalingen van internationaal en Europees recht, bepaalt dat "het belang van het kind de eerste overweging is bij elke beslissing die het kind aangaat".

Artikel 318, § 5, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader van het kind te zijn, maar gegrond is als diens vaderschap is komen vast te staan. De beslissing welke de vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De rechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen"

Artikel 332quinquies, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat, "indien het verzet uitgaat van een minderjarig kind dat niet ontvoogd is en de volle leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, of van degene van de ouders ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, de rechtbank, zonder afbreuk te doen aan § 3, de vordering slechts afwijst indien ze betrekking heeft op een kind dat minstens één jaar oud is op het ogenblik van de indiening ervan, en de vaststelling van de afstamming kennelijk strijdig is met de belangen van het kind".

Die tekst moet evenwel worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 22bis, vierde lid, Grondwet, volgens hetwelk het belang van het kind de eerste overweging dient te zijn van de rechter en voor hem geen marginale overweging mag zijn. Die tekst sluit alleen de maatregelen uit die kennelijk strijdig zijn met de belangen van het kind.

In zoverre het arrest beslist dat de toetsing van de belangen van het kind marginaal moet zijn en dat de rechter alleen dient na te gaan of de vaststelling van de afstammingsband met de biologische vader kennelijk in strijd is met de belangen van het kind of in ernstige mate aan die belangen afbreuk zou doen, en in zoverre het beslist dat het toezicht op de belangen van het kind marginaal en niet primordiaal is, schendt het de artikelen 318, § 5 en 332quinquies, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, artikel 22bis, vierde lid, Grondwet, alsook de overige bepalingen en algemene beginselen die in het middel zijn aangegeven.

2. Zelfs als het artikel 332quinquies, § 2, eerste lid, Burgerlijk Wetboek aldus zou moeten worden uitgelegd dat de rechter de belangen van het kind enkel op marginale wijze zou mogen toetsen, dan nog zou het niet mogen worden toegepast daar het strijdig zou zijn met het artikel 22bis, vierde lid, Grondwet.

Het arrest dat de toepassing van die wetsbepaling grondt op een uitlegging die in strijd is met artikel 22bis, vierde lid, Grondwet, schendt bijgevolg artikel 22bis, vierde lid, Grondwet (schending van voormeld artikel 22bis Grondwet, miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verbiedt een bepaling toe te passen die in strijd is met een hogere rechtsregel en, voor zoveel nodig, schending van artikel 142, inzonderheid tweede lid, 3°, Grondwet en van artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof van 6 januari 1989).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

Derde onderdeel

Betreffende de door de verweerder tegen het onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het onderdeel heeft geen belang

In strijd met hetgeen de verweerder staande houdt, blijkt uit het geheel van de redenen van het arrest dat het hof van beroep het belang van het kind slechts marginaal heeft getoetst.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen

Het onderdeel zelf

Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 30/2013 van 7 maart 2013 voor recht gezegd dat artikel 332quinquies, § 2, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, door te bepalen dat de rechtbank de vordering slechts afwijst indien de vaststelling van de afstamming "kennelijk strijdig is met de belangen van het kind", in die zin geïnterpreteerd dat het de rechter slechts een marginale toetsing van het belang van het kind toestaat, artikel 22bis, vierde lid, Grondwet schendt.

Het bestreden arrest, dat overweegt dat onderzoeken "of de vaststelling van de afstamming kennelijk strijdig is met het belang van het kind een opportuniteitstoetsing [veronderstelt] die marginaal moet blijven", dat "het [aan de eiseres] staat te bewijzen dat de vaststelling van de afstamming ten aanzien [van de verweerder] kennelijk strijdig is met het belang van [het kind]", en dat "de verslagen [...] het bewijs niet opleveren dat de vaststelling van de afstamming kennelijk in strijd is met de belangen van het kind", beslist niet naar recht dat verweerders rechtsvordering tot betwisting van vaderschap gegrond is en dat het vaderschap van de verweerder door dat van de eiser wordt vervangen.

Het onderdeel is gegrond.

Betreffende de omvang van cassatie

De vernietiging van de beslissing die de bij dagvaarding van 25 juli 2007 ingeleide rechtspleging gegrond verklaart, strekt zich uit tot de beslissing die de bij dagvaarding van 9 augustus 2004 ingeleide rechtspleging niet-ontvankelijk verklaart, aangezien die, op het vlak van de omvang van cassatie, geen dispositief uitmaakt dat te onderscheiden is van het vernietigde dispositief.

Betreffende de vordering tot bindenverklaring van het arrest

De eisers hebben er belang bij dat het arrest bindend wordt verklaard aan de partij die daartoe in de zaak voor het Hof werd opgeroepen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het de hogere beroepen ontvankelijk verklaart.

Verklaart het arrest bindend voor meester D.J, als voogd ad hoc van B.H.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 27 september 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Vaststelling van de afstamming

  • Betwisting van het vermoeden van vaderschap

  • Belang van het kind

  • Marginale inaanmerkingneming

  • Verenigbaarheid met artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet