- Arrest van 4 oktober 2013

04/10/2013 - C.12.0072.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Uit artikel 88, tweede lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst volgt niet dat het verval van het recht van de verzekeraar om tegen zijn verzekerde een regresvordering in te stellen, doordat hij gedraald heeft zijn verzekerde in kennis te stellen van zijn voornemen om verhaal in te stellen zodra hij de feiten kent die zijn beslissing staven, tot gevolg heeft dat de verzekerde, ondanks zijn zware fout, recht heeft op de dekking van zijn verzekeraar.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0072.F

S. G.,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

EUROMAF ASSURANCE DES INGÉNIEURS ET ARCHITECTES EU-ROPÉENS, vennootschap naar Frans recht,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 10 november 2010.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1138, inzonderheid 3°, van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 88, inzonderheid tweede lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt vast wat volgt:

a) de naamloze vennootschap AZ Immo heeft bij dagvaarding van 10 december 2004 tegen de naamloze vennootschap Eurosol Belgium en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Avlis, die achteraf allebei failliet zijn verklaard, vergoeding gevorderd van de schade die ze zou hebben geleden door de slechte uitvoering van en de gebreken in de renovatie- en verbouwingswerken van een villa en door de bouw van een bijgebouw op de haar in Brussel toebehorende grond, met Eurosol Belgium als hoofdaannemer en, naar het schijnt, Avlis als onderaannemer van Eurosol Belgium,

b) de eiser, de architect van het project, is vrijwillig in de zaak tussengekomen,

c) de rechtbank heeft, op de vordering van AZ Immo, in een eerste vonnis van 4 januari 2005 [een] deskundige aangesteld,

d) de deskundige heeft zijn verslag neergelegd op 1 december 2005,

e) AZ Immo heeft na [de] neerlegging van het deskundigenverslag zijn vordering tot veroordeling uitgebreid tot de eiser,

f) de eiser heeft de verweerster, verzekeraar van zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid, bij exploot van 5 september 2007 gedagvaard teneinde hem te vrijwaren voor elke veroordeling die tegen hem kon worden uitgesproken in het voordeel van AZ Immo,

g) AZ Immo heeft haar vordering uitgebreid tot de verweerster door de rechtstreekse vordering in te stellen die bepaald is in artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

Het arrest veroordeelt, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 28 oktober [2008], in solidum de eiser, die het aansprakelijk verklaart (naast Eurosol Belgium, die ook door de eerste rechter was veroordeeld maar die tegen die veroordeling geen hoger beroep heeft ingesteld) en de verweerster, op de rechtstreekse vordering van AZ Immo, tot vergoeding van de schade van laatstgenoemde.

Het arrest grondt zijn beslissing op de volgende redenen :

"4. Vordering tegen [de verweerster]

4.1. Tegen (de verweerster), verzekeraar van de burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid (van de eiser), zijn twee vorderingen ingesteld: één door de opdrachtgever, op grond van artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 (recht-streekse vordering van de benadeelde), en één door (de eiser) (tussenvordering tot vrijwaring).

4.2. (De verweerster) weigert dekking te verlenen en beroept zich daartoe op een beding uit artikel 6, A, van de verzekeringspolis, dat zij een ‘uitsluitingsbeding' noemt.

Die bepaling luidt als volgt :

‘Worden niet gedekt, alle schadegevallen :

die opzettelijk of door een zware fout van de verzekerde zijn veroorzaakt.

Worden door de maatschappij enkel als zware fout aangemerkt:

- de opzettelijke miskenning van verordenende en wettelijke bepalingen (met name inzake veiligheid, bouw- of milieuvergunningen),

- het bouwen, zonder voorafgaande, adequate bodemstudie, op een plaats waarvoor de normale regels van de bouwkunst kennelijk een bodemstudie vereisen'.

(De verweerster) voert ook artikel 1, A, van de algemene polisvoorwaarden aan, dat luidt als volgt :

‘Omvang van de dekking

De maatschappij dekt de verzekerde, binnen de grenzen van de overeenkomst, tegen alle schadegevallen die zijn hierna omschreven burgerrechtelijke beroeps- en exploitatieaansprakelijkheid in het gedrang brengen, binnen het toegestane kader van de verzekerde beroepsopdrachten:

a) burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid;

b) contractuele aansprakelijkheid, binnen de grenzen van de vigerende wetten, verordeningen en gebruiken'.

(De verweerster) betoogt dat die uitsluitingen te dezen van toepassing zijn aangezien (de eiser), die de vereiste bodemonderzoeken niet heeft doen verrichten en de reglementaire en wettelijke voorschriften, met name inzake veiligheid, niet heeft nageleefd, zodoende een zware fout heeft begaan die hem van dekking uitsluit.

De rechter dient een contractueel beding adequaat te kwalificeren en het voorwerp en de draagwijdte ervan te bepalen, ongeacht de benaming en de verwoording van dat beding in de overeenkomst.

Te dezen lijdt het geen twijfel dat de voormelde bepalingen geen uitsluiting maar een verval van dekking opleggen.

De uitsluiting van dekking heeft immers betrekking op bepaalde situaties die van meet af aan niet onder de toepassing van de overeenkomst vallen (in dat geval wordt het bedoelde risico dus niet gedekt), terwijl het verval het zwaar foutieve gedrag van een verzekerde bestraft dat, zonder die fout, door de aangegane polis gedekt zou zijn (het risico was wel gedekt maar het foutieve gedrag van de verzekerde verantwoordt waarom hij niet gedekt wordt).

In dit geval spreekt het voor zich dat de schadelijke gevolgen van de ontwerp- en toezichtsfouten van de architect in beginsel gedekt zijn door de verzekering en dus niet van meet af aan van dekking uitgesloten zijn. Integendeel, omdat precies die fouten de beroepsaansprakelijkheid van de verzekerde architect in het gedrang kunnen brengen, is het noodzakelijk (en zelfs verplicht) dat hij door de aangegane verzekering gedekt wordt.

De architect zal echter geen aanspraak kunnen maken op de verzekeringsdekking wanneer hij in zijn opdrachten van ontwerp en toezicht zware fouten begaat, voor zover die zware fouten die tot verval leiden nauwgezet en beperkend worden opgesomd in de overeenkomst, conform artikel 8, tweede lid, van de wet van 25 juni 1992.

De voormelde contractuele bepalingen zijn dus wel degelijk vervalbedingen en geen uitsluitingsbedingen.

De verweerster voert bovendien ten onrechte de wijze van berekening van de premie aan om zich tegen die nieuwe omschrijving te verzetten.

Zij toont geenszins aan dat de premie zou zijn berekend op grond van de omschrijving van de voormelde bedingen en, zelfs als ze daarin gelijk had (quod non), dat dit zuiver financiële aspect ‘van een appel geen peer zou kunnen maken'. De werkelijke juridische aard van de betrokken contractuele verbintenis heeft immers voorrang op de fictie of de beoordelingsfout.

4.3. Uit die analyse kunnen drie gevolgtrekkingen worden gemaakt:

ten eerste, tegen de benadeelde (AZ Immo) die, zoals te dezen, een rechtstreekse vordering instelt tegen de verzekeraar, die binnen het kader van een verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekering moet tussenkomen, kan de verzekeraar geen excepties, verval van recht of vrijstellingen opwerpen (artikel 87, § 1, van de voormelde wet, gewijzigd bij de wet van 22 augustus 2002) ;

ten tweede, de verzekeraar kan de in de overeenkomst bepaalde regresvordering (te dezen artikel 14, D, van de polis) alleen met goed gevolg tegen zijn verzekerde instellen wanneer hij aantoont dat de architect daadwerkelijk een of meer zware fout(en) heeft begaan, zoals vermeld in de overeenkomst, en dat die zware tekortkomingen in een bewezen oorzakelijk verband staan met de veroorzaakte schade, waarbij het verval van recht en de reden voor het instellen van de regresvordering worden aangetoond (artikel 88 van de voormelde wet);

ten derde, de verzekerde architect, die de benadeelde zelf heeft vergoed, kan van zijn verzekeraar de terugbetaling van zijn uitgaven verkrijgen (onder aftrek van de vrijstelling), voor zover de verzekeraar het verval van zijn dekking niet met goed gevolg kan aanvoeren.

4.4. Te dezen kan tegen AZ Immo het door (de verweerster) aangevoerde verval van dekking niet worden aangevoerd aangezien de verweerster, in tegenstelling tot wat de eerste rechter heeft beslist, haar in solidum met (de eiser) voor de reeds beschreven gevolgen van zijn foutief gedrag moet vergoeden.

Die dekking gaat te dezen het vastgestelde maximumbedrag (247.893,52 euro) niet te boven.

(...) Samenvatting

(De verweerster) moet AZ Immo vergoeden tot beloop van 29.782,51 euro (zonder btw) + 25.431 euro + 5.158,26 euro + 5.125,08 euro, d.i. een totaalbedrag van 65.496,85 euro.

4.5. Verhouding tussen (de eiser) en (de verweerster)

Die verhouding moet vanuit twee invalshoeken worden bekeken:

- die van de verzekerde (de eiser), die een tussenvordering heeft ingesteld waarin hij vraagt dat (de verweerster) wordt veroordeeld tot vrijwaring voor de veroordelingen die tegen hem, in het voordeel van AZ Immo, zouden worden uitgesproken,

- dat (van de verweerster), die tegen haar verzekerde een regresvordering wil instellen tot terugbetaling van de bedragen die zij aan AZ Immo zou hebben gestort,

Dezelfde analyse vormt de basis van het onderzoek van de gegrondheid van de twee vorderingen.

Daarvoor moet de volgende vraag worden beantwoord: kunnen de tekortkomingen (van de eiser), op grond waarvan hij ten aanzien van de opdrachtgever aansprakelijk is gesteld, omschreven worden als zware fouten die zowel het door (de verweerster) aangevoerde verval van dekking als de regresvordering die zij tegen (de eiser) wil instellen, verantwoorden?

Volgens [...] artikel 8, tweede lid, van de wet van 25 juni 1992 kan een verzekeraar het op een zware fout gegronde verval van dekking met goed gevolg aan de vordering van zijn verzekerde tegenwerpen, wanneer die zware fout uitdrukkelijk en op beperkende wijze in de overeenkomst is vermeld.

Dat is te dezen wel degelijk het geval: hoewel de artikelen 1, A, en 6, A, eerste lid, in te algemene bewoordingen zijn opgesteld om aan dat wettelijk vereiste te voldoen, geldt zulks echter niet voor artikel 6, A, tweede lid, luidens hetwelk de omstandigheid dat de architect geen bodemstudie doet verrichten terwijl die bodemstudie volgens de regels van de bouwkunst kennelijk is vereist, beschouwd wordt als een zware fout waarvoor geen dekking moet worden verleend.

Die bepaling is duidelijk genoeg en beantwoordt aan het voormelde wettelijk vereiste.

Bijgevolg moet worden onderzocht of die zware fout in een oorzakelijk verband staat met de veroorzaakte schade waarvoor de architect aansprakelijk is gesteld.

Die vraag moet in dit geval bevestigend worden beantwoord. Het is immers reeds bewezen dat de architect op de hoogte was van de bedenkelijke kwaliteit van het terrein, aangezien hij in het lastenboek zelf had aangedrongen op bodemproeven maar hij heeft zich daarna niet meer voor de daadwerkelijke uitvoering (of veeleer de niet-uitvoering) van die bodemstudie geïnteresseerd en hij heeft zijn plannen uitgewerkt zonder met dat essentieel gegeven rekening te houden en zonder het bijgebouw van een passende fundering te voorzien, wat alleen maar kon leiden tot de door de deskundige vastgestelde catastrofale toestand.

Aangezien de in de verzekeringsovereenkomst bedoelde zware fout en het oorzakelijk verband tussen die fout en de veroorzaakte schade bewezen zijn, voert (de verweerster) tegen haar verzekerde, (de eiser), terecht het verval van dekking aan.

Omdat (de verweerster) AZ Immo echter binnen de hierboven vastgestelde grenzen moet vergoeden, stelt zij een regresvordering in tegen (de eiser), die zich hiertegen verzet, op grond dat die vordering, krachtens artikel 88, tweede lid, van de wet van 25 juni 1992, te laat zou zijn ingesteld.

Hij betoogt immers dat (de verweerster) haar dekking laattijdig heeft geweigerd, na hem maandenlang in de waan te hebben gelaten dat zij het schadegeval zou dekken, terwijl artikel 79 van de wet van 25 juni 1992 de verzekeraar verplicht het voor zijn verzekerde op te nemen en hem snel te waarschuwen indien hij dat weigert te doen (artikel 88, tweede lid).

Dat middel is gegrond.

(De verweerster) heeft de verdediging van haar verzekerde immers vanaf november 2004 waargenomen (haar raadsman was trouwens aanwezig op de eerste deskundigenvergadering die in kort geding was bevolen).

De zware fouten van de architect werden door de gerechtsdeskundige echter al snel in het daglicht gesteld.

(De verweerster) heeft (de eiser) echter pas in haar brief van 6 februari 2006, dus anderhalf jaar later en vooralsnog verschillende maanden na de neerlegging van het deskundigenverslag, op de hoogte gebracht van haar weigering om de schade te dekken, zelfs zonder hem ter kennis te brengen dat ze tegen hem een regresvordering zou instellen ingeval zij veroordeeld zou worden tot vergoeding van AZ Immo.

In dat opzicht volstaat het mogelijke voorbehoud dat zou zijn gemaakt in de brieven van 6 april en 8 juni 2005 door de verzekeraar (die hij evenwel niet overlegt) niet, aangezien dat voorbehoud niet neerkomt op een weigering tot dekking of een kennisgeving van zijn voornemen om een regresvordering in te stellen.

(De verweerster) heeft aanvaard om de leiding van het geding op zich te nemen en haar verzekerde gedurende de hele duur van het deskundigenonderzoek, dus meer dan een jaar, te vertegenwoordigen, hoewel ze al vanaf de aanvang van die onderzoeksmaatregel kennis had van de zware fouten van haar verzekerde en hem niet op de hoogte had gebracht van haar voornemen om een regresvordering tegen hem in te stellen. (De verweerster) schendt zodoende artikel 88, tweede lid.

Zij heeft bij (de eiser) een vals gevoel van veiligheid opgewekt door hem in de waan te laten dat zij dekking zou verlenen en schendt aldus niet alleen [de voormelde wetsbepaling], maar miskent ook het beginsel van de uitvoering te goeder trouw van de overeenkomsten (artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek).

Zij moet worden bestraft met de verwerping van haar regresvordering".

Grieven

(...)

Derde onderdeel

In dezelfde hypothese (met name dat het arrest, om de weergegeven redenen en niettegenstaande dat het daarover geen uitspraak doet, de vordering tot vrijwaring van de eiser tegen de verweerster verwerpt) verantwoordt het arrest zijn beslissing niet naar recht.

Het arrest beslist dat de fout van de eiser een zware fout is in de zin van artikel 8, tweede lid, van de wet van 25 juni 1992, wat de verweerster het recht geeft "haar dekking te weigeren", maar dat de verweerster AZ Immo moet vergoeden overeenkomstig artikel 87, § 1, van dezelfde wet, luidens welke de excepties, vrijstellingen, de nietigheid en het verval van recht voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst niet aan de benadeelde kunnen worden tegengeworpen,

Het arrest beslist vervolgens dat de verweerster, niettegenstaande de zware fout van de eiser, de in artikel 88, eerste lid, van dezelfde wet bepaalde regresvordering niet meer tegen hem mag instellen omdat ze laattijdig is en zulks met toepassing van artikel 88, tweede lid, luidens hetwelk de verzekeraar, op straffe van verval van "zijn recht van verhaal, verplicht is de verzekeringnemer (...) kennis te geven van zijn voornemen om verhaal in te stellen zodra hij op de hoogte is van de feiten waarop dat besluit gegrond is". Het arrest stelt vast dat de verweerster, na de verdediging van de eiser vanaf november 2004 te hebben waargenomen, de eiser pas bij brief van 6 februari 2006 in kennis heeft gesteld van "haar voornemen om een regresvordering tegen hem in te stellen ingeval zij tot vergoeding van AZ Immo veroordeeld zou worden", terwijl "de zware fouten van de architect door de gerechtsdeskundige al snel in het daglicht werden gesteld".

Het verval, wegens laattijdigheid, van het recht van de verzekeraar om tegen zijn verzekerde, die een zware fout heeft begaan, een regresvordering in te stellen, heeft, op grond van de weergegeven tekst, noodzakelijkerwijs tot gevolg dat de verzekerde, ondanks zijn zware fout, recht heeft op de dekking van zijn verzekeraar zodra hij zijn verplichtingen is nagekomen ten aanzien van het slachtoffer dat hij zelf, hetzij op eigen initiatief hetzij ten gevolge van een gerechtelijke veroordeling, heeft vergoed. Zo niet zou de voormelde tekst geen enkel nut hebben.

Het arrest, dat in deze onderstelling de door de eiser tegen de verweerster ingestelde vordering tot vrijwaring verwerpt, is bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van artikel 88, inzonderheid tweede lid, van de wet van 25 juni 1992).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Derde onderdeel

Luidens artikel 88, tweede lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzeke-ringsovereenkomst is de verzekeraar, op straffe van verval van zijn recht van ver-haal, verplicht de verzekeringnemer of, in voorkomend geval, de verzekerde die niet de verzekeringnemer is, kennis te geven van zijn voornemen om verhaal in te stellen zodra hij op de hoogte is van de feiten waarop dat besluit gegrond is.

Uit die wetsbepaling volgt niet dat het verval van het recht van de verzekeraar om tegen zijn verzekerde een regresvordering in te stellen omdat hij talmt om zijn verzekerde in kennis te stellen van zijn voornemen om verhaal in te stellen zodra hij de feiten kent die zijn beslissing staven, tot gevolg heeft dat de verzekerde, on-danks zijn zware fout, recht heeft op de dekking van zijn verzekeraar.

Het onderdeel, dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 4 okto-ber 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Regresvordering van de verzekeraar

  • Verval

  • Recht van de verzekerde op dekking