- Arrest van 10 oktober 2013

10/10/2013 - C.12.0379.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een gebrek in de toestemming van de schuldenaar bij de hoofdovereenkomst is geen exceptie die alleen hem persoonlijk betreft, in de zin van artikel 2036, tweede lid, maar een exceptie die tot de schuld zelf behoort, in de zin van artikel 2036, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0379.N

1. W W,

2. M J P,

eisers,

aan wie rechtsbijstand werd verleend op 14 augustus 2012 onder nummer G.12.0148.N,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

CARREFOUR BELGIUM nv, met zetel te 1140 Evere, Olympiadenlaan 20,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest,

mede inzake

1. Ali HEERMAN, met kantoor te 9700 Oudenaarde, Eenestraat 34, hande-lend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement W bvba,

2. Greta DE TROYER, met kantoor te 9404 Ninove (Aspelare), Geraards-bergsesteenweg 324, handelend in haar hoedanigheid van curator over het faillis-sement W bvba,

tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 20 februari 2012.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 19 juli 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Derde onderdeel

Ontvankelijkheid

1. De verweerster voert een eerste grond van niet-ontvankelijkheid aan: het onderdeel laat na de schending in te roepen van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek.

2. Het onderdeel komt op tegen de beslissing van de appelrechters dat de te-genvordering van de eisers tot nietigverklaring van de franchiseovereenkomst niet ontvankelijk is omdat "de door de eisers ingeroepen wilsgebreken en de daarmee gelijkgestelde precontractuele fout [immers] geen excepties [zijn] die de schuld zelf betreffen maar excepties die de hoofdschuldenaar persoonlijk betreffen, in de zin van (...) artikel 2036, tweede lid, Burgerlijk Wetboek".

3. Het als geschonden aangewezen artikel 2036 Burgerlijk Wetboek volstaat om tot vernietiging van de bestreden beslissing te leiden.

De eerste grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

4. De verweerster voert een tweede grond van niet-ontvankelijkheid aan: de grieven vertonen geen belang omdat het arrest uit de overeenkomst van 8 juni 1994 het bestaan van een schuldvernieuwing afleidt, zodat de eisers een eventueel wilsgebrek met betrekking tot de franchiseovereenkomst van 10 maart 1994 niet meer kunnen inroepen.

5. De aangevoerde grond van niet-ontvankelijkheid vraagt van het Hof in de beoordeling van de zaak zelf te treden, waartoe het krachtens artikel 147 Grond-wet niet bevoegd is.

De tweede grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

6. Overeenkomstig artikel 2036, eerste lid, Burgerlijk Wetboek kan de borg zich tegen de schuldeiser beroepen op alle excepties die aan de hoofdschuldenaar toekomen en die tot de schuld zelf behoren.

Krachtens artikel 2036, tweede lid, Burgerlijk Wetboek kan hij zich evenwel niet beroepen op excepties die alleen de schuldenaar persoonlijk betreffen.

Een gebrek in de toestemming van de schuldenaar bij de hoofdovereenkomst is geen exceptie die alleen hem persoonlijk betreft, in de zin van artikel 2036, tweede lid, maar een exceptie die tot de schuld zelf behoort, in de zin van artikel 2036, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.

7. Door te oordelen dat "waar [de eisers] in hun hoedanigheid van solidaire borgen door [de verweerster] worden aangesproken, [de eisers] zich (...) niet [kunnen] beroepen op de nietigheid van de franchiseovereenkomst van 10 maart 2004 wegens bedrog en/of dwaling, welke wilsgebreken naar hun oordeel minstens een precontractuele fout in hoofde van [de verweerster] uitmaken", omdat "de door [de eisers] ingeroepen wilsgebreken en de daarmee gelijkgestelde pre-contractuele fout immers geen excepties [zijn] die de schuld zelf betreffen maar excepties die de hoofdschuldenaar persoonlijk betreffen, in de zin van het (...) ar-tikel 2036, tweede lid, Burgerlijk Wetboek", verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

8. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het incidenteel beroep ont-vankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Verklaart het arrest bindend aan de tot bindendverklaring opgeroepen partijen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 10 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen B. Wylleman G. Jocqué

K. Mestdagh B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Borg

  • Excepties die aan de hoofdschuldenaar toekomen

  • Gebrek in de toestemming van de schuldenaar bij de hoofdovereenkomst

  • Aard van de exceptie

  • Gevolg t.o.v. de borg