- Arrest van 17 oktober 2013

17/10/2013 - F.11.0108.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Voor de toepassing van de zevenjarige verjaringstermijn waarin artikel 81bis, §1, derde lid, 3°, btw-wetboek voorziet, is niet vereist dat de bewijskrachtige gegevens het bewijs leveren van de verschillende belastbare handelingen die niet werden aangegeven: het volstaat dat de bewijskrachtige gegevens een niet-aangegeven meeromzet of fraude aan het licht brengen en dat de administratie, vertrekkend van die gegevens, aan de hand van een ander bewijsmiddel kan aantonen welke belastbare handelingen de belastingplichtige niet heeft aangegeven en welk bedrag aan belastingen hij verschuldigd is; indien de administratie tijdens de gewone driejarige verjaringstermijn reeds kennis had van de niet-aangifte van een in België belastbare handeling of van de onwettige toepassing van een belastingaftrek, kunnen de bewijskrachtige gegevens het bestaan ervan niet meer aan het licht brengen zodat in dat geval de verlengde verjaringstermijn van zeven jaar niet kan worden toegepast (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0108.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, algemene administratie van de fiscaliteit, centrale diensten - directie IV/4 gerechtelijke geschillen btw, voor wie optreedt de eerste attaché van Financiën, met kantoor te 1030 Brussel, Koning Albert II-laan 33 (North Galaxy),

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

JAIN CULTURAL CENTRE ANTWERP vzw, met zetel te 2610 Antwerpen (Wilrijk), Laarstraat 20,

verweerster,

met als raadsman mr. Dirk Van Belle, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Napelsstraat 32-34, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 22 maart 2011.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 18 april 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste en tweede middel

1. Artikel 81bis, § 1, derde lid, 3°, Btw-wetboek, zoals ten deze van toepas-sing, bepaalt dat er in afwijking van het eerste lid en tweede lid, verjaring is voor de vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastba-re handelingen niet werden aangegeven in België of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn.

2. Uit de parlementaire voorbereiding van die wetsbepaling blijkt dat de wet-gever de verjaringstermijn wilde verlengen tot zeven jaar wanneer de overtreding aan het licht werd gebracht ten gevolge van onder meer bewijskrachtige gegevens.

3. Die wettelijke bepaling vereist niet dat de bewijskrachtige gegevens het be-wijs leveren van de verschillende belastbare handelingen die niet werden aange-geven. Het volstaat dat de bewijskrachtige gegevens een niet-aangegeven meer-omzet of fraude aan het licht brengen en dat de administratie, vertrekkend van die gegevens, aan de hand van een ander bewijsmiddel kan aantonen welke belastbare handelingen de belastingplichtige niet heeft aangegeven en welk bedrag aan belas-tingen hij verschuldigd is.

4. Indien de administratie tijdens de gewone driejarige verjaringstermijn reeds kennis had van de niet-aangifte van een in België belastbare handeling of van de onwettige toepassing van een belastingaftrek, kunnen de bewijskrachtige gegevens het bestaan ervan niet meer aan het licht brengen. Bijgevolg kan de verlengde verjaringstermijn van zeven jaar niet worden toegepast indien de administratie in de loop van de gewone driejarige verjaringstermijn al op de hoogte was van die gegevens.

5. De appelrechters stellen vast dat:

- uit de brief van de directeur-generaal van de Administratie der Douane en Ac-cijnzen van 4 december 1998 blijkt dat de belastingadministratie, al van jaren voorafgaand aan de opname van de kwestieuze facturen in de boekhouding van (de verweerder), volledig ingelicht en op de hoogte was van de belastbare handelingen, die het voorwerp uitmaken van de huidige navorderingen, te weten de oprichting van de Jain-tempel te Wilrijk door een Indische aannemer met Indische werkkrachten alsook de levering van materialen uit India en gefactureerd aan de verweerder;

- de bij deze brief verleende vrijstelling overigens nog werd verlengd bij brieven van 28 maart 2001 en 7 mei 2004;

- de in het proces-verbaal van 10 oktober 2006 aangehaalde motieven, te weten "Uit inzage van voormeld proces-verbaal van verhoor blijkt dat door Akshar Crafts International, S/64, Maheshwari Appartment, Block No. E-3, Subhash Bridge, Ahmedabad -380027, Gujurat, India, in opdracht van de vzw Jain Cul-tural Centre Antwerp, sinds mei 2001, met tewerkstelling van Indische bouw-vakkers, een Jain-tempel wordt opgericht te Wilrijk, Laarstraat 20. Afschriften van aankoopfacturen en loonstaten met betrekking tot de jaren 2001, 2002 en 2003 en het contract van maart 2001 betreffende de oprichting van de tempel werden bijgevoegd", reeds gekend waren door de verweerder.

6. De appelrechters oordelen dat er derhalve dient te worden van uitgegaan dat de controle van de sociale inspectie voor de verweerder niets nieuws en zeker geen nog niet bekende bewijskrachtige gegevens nodig voor het belasten van de kwestieuze belastbare handelingen en leveringen aan het licht heeft gebracht, be-halve zijn eigen falen om correct en tijdig controle uit te voeren en geen vrijstelling contra legem te verlenen.

Zij oordelen op die gronden wettig dat de verweerder de termijn van artikel 81bis, § 1, derde lid, 3°, Btw-wetboek niet kon aanwenden.

7. Deze zelfstandige redengeving draagt de bestreden beslissing.

De middelen zijn niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Dictum

Het Hof,

Zonder acht te slaan op de memorie van antwoord die niet werd betekend aan de advocaat van de eiser.

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 180,85 euro en voor de verweerster op 185,38 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Bart Wylleman, en op de openbare rechtszitting van 17 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche B. Wylleman F. Van Volsem

G. Jocqué B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Invordering

  • Verjaring

  • Bewijskrachtige gegevens die uitwijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven

  • Verjaringstermijn van zeven jaar

  • Toepassingsvoorwaarden