- Arrest van 17 oktober 2013

17/10/2013 - F.12.0086.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 263, §1, 3°, WIB64 sluit uit dat de administratie een belasting of aanvullende belasting zou vestigen voor belastbare inkomsten, die niet werden aangegeven meer dan vijf jaar vóór het jaar waarin de rechtsvordering, waaruit de niet-aangifte blijkt, is ingesteld; het laat de administratie wel toe, binnen de verlengde termijn, ook de inkomsten te belasten, die na het instellen van de rechtsvordering niet werden aangegeven en waarvan het bestaan door de rechtsvordering aan het licht is gebracht (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0086.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur der directe belastingen te Antwerpen I, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 2,

eiser,

tegen

M. P.,

verweerder,

met als raadsman mr. Wim Defoor, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Verenigingstraat 57-59, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 15 februari 2011.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 24 april 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 263, § 1, 3°, WIB64, mag de be-lasting of de aanvullende belasting worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 259 bepaalde termijn is verstreken, ingeval een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld. In dat geval moet de belasting op grond van artikel 263, § 2, 3°, WIB64 worden gevestigd binnen twaalf maanden te rekenen vanaf de da-tum waarop tegen de beslissing over de rechtsvordering geen verzet of voorzie-ning meer kan worden ingediend.

2. Voormeld artikel 263 heeft als doel in de gevallen erin bepaald, de admi-nistratie een verlengde termijn te geven waarin zij een aanslag kan vestigen.

Het derde lid van paragraaf 1 sluit uit dat de administratie een belasting of aanvul-lende belasting zou vestigen voor belastbare inkomsten, die niet werden aangege-ven meer dan vijf jaar vóór het jaar waarin de rechtsvordering, waaruit de niet-aangifte blijkt, is ingesteld.

Het laat de administratie wel toe, binnen de verlengde termijn, ook de inkomsten te belasten, die na het instellen van de rechtsvordering niet werden aangegeven en waarvan het bestaan door de rechtsvordering aan het licht is gebracht.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat er in hoofde van de verweerder een aanvullende belasting werd gevestigd voor de aanslagjaren 1986 tot en met 1990 op grond van artikel 263, § 1, 3°, WIB64.

4. De appelrechters, die vaststellen dat de rechtsvordering werd ingesteld in 1987, vermochten niet zonder schending van artikel 263, § 1, 3°, WIB64 te oorde-len dat de bijzondere aanslagtermijn niet toepasselijk is voor de aanslagjaren 1987 tot 1989 om reden dat deze jaren geen van de vijf jaren zijn voorafgaand aan het jaar waarin de vordering is ingesteld.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

5. De appelrechters oordelen dat de bijzondere aanslagtermijn, aangezien de rechtsvordering werd ingesteld in 1987, niet van toepassing is omdat de inkom-sten van de jaren 1986 tot 1990 moesten worden aangegeven in 1987, 1988, 1989, 1990 en deze jaren geen van de vijf jaren zijn voorafgaand aan het jaar waarin de vordering is ingesteld.

6. Zij oordelen voor het aanslagjaar 1991 dat:

- uit het bericht van wijziging van de aangifte zou moeten blijken dat de inspec-teur op 9 januari 1995 het klantendossier heeft ingezien dat op 27 augustus 1993 door de gerechtelijke politie werd overgemaakt aan de onderzoeksrechter en dat vanaf die datum de eiser zekerheid zou gehad hebben over de bewijs-krachtige gegevens;

- de loutere bevestiging van de datum door de taxatieambtenaar als bewijs hierop neerkomt dat de bewijslast bij de belastingplichtige ligt, hetgeen een niet-toegelaten omkering van de bewijsvoering uitmaakt;

- niemand zichzelf een bewijs kan verschaffen;

- aangezien de aanslag gevestigd is op basis van artikel 263, § 1, 4° en artikel 263, § 2, 4°, WIB64 deze artikelen geschonden zijn en de aanslag moet worden vernietigd.

7. De appelrechters geven aldus te kennen dat een aanslag, die door de admi-nistratie werd gevestigd op basis van artikel 263, § 1 , 4°, WIB64 moet worden vernietigd indien deze wetsbepalingen niet toelaten om de belasting op wettige wijze te vestigen.

Door hun beslissing dat de aanslagtermijn van artikel 263, § 1, 3°, WIB64 enkel geldt voor inkomsten die niet werden aangegeven in één van de vijf jaar voor het jaar waarin de rechtsvordering is ingesteld, dienden zij niet meer te antwoorden op het in het onderdeel bedoelde verweer met betrekking tot het aanslagjaar 1991.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de aanslagjaren in de personenbelasting 1986 tot en met 1990.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Bart Wylleman, en op de openbare rechtszitting van 17 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche B. Wylleman F. Van Volsem

G. Jocqué B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Verlengde aanslagtermijnen

  • Niet-aangegeven inkomsten uitgewezen door een rechtsvordering

  • Bijzondere termijn van 12 maanden