- Arrest van 23 oktober 2013

23/10/2013 - P.13.1601.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het middel dat het bestreden arrest verwijt niet te antwoorden op de conclusie van de eiser, zonder het verweer of de exceptie te vermelden waarop niet werd geantwoord, is niet ontvankelijk bij gebrek aan duidelijkheid (1). (1) Zie Cass. 11 feb. 2004, AR P.03.1661.F, AC 2004, nr. 73.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1601.F

D. W.,

Mrs. David Walsh en Louise Ma, advocaten bij de balie te Brussel,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 24 september 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft op 10 oktober 2013 een conclusie neer-gelegd op de griffie.

Op de rechtszitting van 23 oktober 2013 heeft afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconclu-deerd

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 72 Vreemdelin-genwet, en de artikelen 23, 4°, en 30 Voorlopige Hechteniswet.

Het arrest wordt verweten dat het niet antwoordt op de conclusie van de eiser, die daags voor de rechtszitting op de griffie is neergelegd. De grief is afgeleid uit de bewering dat de kamer van inbeschuldigingstelling zich, om haar beslissing re-gelmatig met redenen te omkleden, niet kon beperken tot de verklaring dat ze de redenen van het openbaar ministerie overnam.

In zoverre het middel verzuimt het verweer of de exceptie te vermelden waarop niet is geantwoord, is het niet ontvankelijk bij gebrek aan nauwkeurigheid.

In tegenstelling tot wat de eiser aanvoert, hoeft de feitenrechter in strafzaken niet te antwoorden op een conclusie die hem niet tijdens het debat op de rechtszitting is overhandigd.

Geen enkele wettelijke bepaling verbiedt de kamer van inbeschuldigingstelling om de redenen over te nemen van het advies van het openbaar ministerie, teneinde uitspraak te doen over de vrijheidsberovende maatregel.

De verwijzing naar die redenen houdt in dat de appelrechters de relevantie ervan erkennen ten opzichte van het voor hen voorgedragen verweer. De omstandigheid dat het advies aan dat verweer zou zijn voorafgegaan, tast de desbetreffende be-oordelingsbevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling niet aan.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens et Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 23 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Geen antwoord op de conclusie

  • Ontvankelijkheid