- Arrest van 28 oktober 2013

28/10/2013 - S.11.0125.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Hoewel een derde, alvorens met een lasthebber te handelen, het recht heeft te eisen dat laatstgenoemde een volmacht voorlegt, kan hij, als hij daarvan afziet, niet achteraf het bestaan ontkennen van een lastgeving die noch de lastgever, noch de lasthebber hebben betwist (1). (1) Zie Cass. 18 sept. 1964, Pas. 1965, p. 62.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0125.F

G. M.,

Mr Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

ALTRAN nv,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 5 april 2011 van het arbeidshof te Brussel.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert drie middelen aan die luiden als volgt:

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1315, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek;

- algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging;

- het algemeen rechtsbeginsel betreffende de autonomie der procespartijen, beschikkingsbeginsel genaamd, volgens hetwelk alleen de partijen het proces sturen.

Aangevochten beslissingen

Het arrest heeft de hogere beroepen ontvankelijk verklaard, "verklaart het hoger beroep van de eiser niet-gegrond; legt vervolgens de kosten van het hoger beroep van de verweerder ten laste van eiser; stelt die kosten vast op 7.000 euro (rechtsplegingsvergoeding)", en "laat eisers kosten te zijnen laste".

Het arrest steunt hierbij op de volgende redenen:

"De eerste rechter heeft de exceptie van de dading toegestaan hetgeen de eiser betwist;

Dading is een contract, waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen, of een toekomstig geschil voorkomen (Burgerlijk Wetboek, artikel 2044). Het betreft een op consensus berustend contract dat louter door de instemming van de partijen gevormd wordt; het geschrift bedoeld in het tweede lid van artikel 2044 van het Burgerlijk Wetboek is slechts bij wijze van bewijs vereist. Dading verhindert het herhalen van de vordering voor de rechter;

Te dezen doet het arbeidshof opmerken dat:

- de kennisgeving op 27 oktober 2005 van de beslissing om de Belgische overeenkomst te beëindigen beklemtoont dat de partijen nog geen akkoord hebben bereikt omtrent de voorwaarden om de overeenkomst te beëindigen, inzonderheid over het bedrag van de opzeggingsvergoeding. De brief vermeldt dat, in afwachting van een definitieve overeenkomst, het bedrijf een vergoeding zal betalen die met negen maanden loon overeenstemt. Er wordt zo snel mogelijk op een overeenkomst aangestuurd. F. G. heeft de brief voor de Belgische vennootschap Altran Europe ondertekend (...);

- de eiser verwerpt op 16 november 2005 een eerste voorstel. Hij betwist het bedrag van de voorgestelde vergoeding, het bestaan van een niet-concurrentiebeding en het ontbreken van een beding betreffende de 'stock options'. Hij beschouwt de voorgestelde dading als zijn ontslag bij de 'groep Altran';

- hij richt zich tot de heer F., die hem de dading heeft voorgesteld, en zegt dat hij tot diens beschikking staat voor verdere discussie;

- wanneer dat geweigerd wordt, laat de eiser weten dat hij de hulp van een advocaat heeft ingeroepen;

- hij voegt een studie van die raadsman eraan toe die dateert van 16 november en die de dag zelf aan de heer F. is bezorgd. Die studie verdedigt de stelling dat de compenserende opzeggingsvergoeding die het bedrijf Altran Europe verschuldigd is, moet worden berekend op alle vergoedingen die de Belgische (Altran Europe) en Braziliaanse vennootschappen (Polen Informatica en Altran Brasil), hebben uitgekeerd; de studie onderzoekt de kwestie van de stock options en het voorgestelde niet-concurrentiebeding;

- het handgeschreven document van 30 november 2005 is van de hand van F. G., die de ontslagbrief in naam van de Belgische vennootschap Altran Europe heeft ondertekend. Dat handgeschreven document van 30 november 2005 vermeldt de voorwaarden voor een dading (vergoeding van 65.000 euro en terugbetaling van de verhuizingskosten tot maximum 9.000 euro) en preciseert dat het daarmee 'de heer J.A. de mogelijkheid wil bieden ons akkoord af te ronden'; het stelt dat 'dit ontwerp vóór vanavond, 30 november 2005 formeel rond moet zijn. Het stelt, bij wijze van wederzijdse verplichting, dat we definitief afzien van enige rechtsvervolging om eender welke reden en ten aanzien van om het even welke juridische entiteit van de groep Altran'. Er is geen sprake meer van en niet-concurrentiebeding. De eiser heeft dat document ondertekend;

- het getypte document van 30 november 2005 neemt de verbintenis over van de groep Altran, tot het uitkeren van een bruto vergoeding van 65.000 euro; de storting van die vergoeding binnen veertien dagen door overschrijving op de Belgische rekening van de eiser; de terugbetaling van de verhuizingskosten (maximum 9.000 dollar); het beding van afstand;

- dat document vermeldt geen verdere stappen (er is geen sprake van enig ander akkoord of document). Het is ondertekend door de heer F., de eiser en mevrouw A. in de hoedanigheid van getuige en aldus geformaliseerd;

Zodoende is er een bewijs van het bestaan van een dading, die de auteur van de ontslagbrief heeft voorgesteld, de duidelijke inhoud ervan, en de toestemming van de eiser omtrent de inhoud van die dading;

In tegenstelling tot wat de eiser betoogt, was er niet louter sprake van on-derhandelingen of van een 'ontwerp van akkoord'. Er werd een akkoord bereikt dat door beide partijen is ondertekend en dat door de ondertekening van een getuige werd geformaliseerd. De eiser heeft zijn toestemming gegeven;

Dat akkoord, ondertekend door de heer F., die daartoe opdracht had gekregen, was inzonderheid bindend voor de verweerster, hetgeen blijkt uit het handgeschreven document dat de heer G. heeft ondertekend. Bovendien heeft het bedrijf de dading uitgevoerd en heeft de eiser het bedrag ontvangen zonder enig voorbehoud te maken bij de ontvangst ervan. Hij heeft dat bedrag stilzwijgend ontvangen totdat het bedrijf dat in de loop van de rechtspleging vermeld heeft.

Het feit dat de eiser op 6 december is willen terugkomen op dat akkoord, namelijk door een opbod van de 'stock options', vormt een eenzijdige wilsuiting die de geldigheid niet in het gedrang brengt van het akkoord dat op 30 november schriftelijk is vastgesteld.

Het geschreven document dat het bedrijf hem later voorgelegd heeft en door hem niet werd ondertekend, is geen formalisering van het akkoord vermeld in het handgeschreven document van 30 november : in zijn voorstel om wezenlijk vast te stellen (te bevestigen) dat de Belgische vennootschap niets meer verschuldigd is, verwijst dat document steeds weer naar dat akkoord;

De eiser tracht vergeefs de dading van 30 november teniet te doen op grond dat zij niet werd uitgevoerd.

Gezegd werd reeds dat de vooropgestelde vergoeding enerzijds betaald werd. De enkele dagen vertraging (betaling op 23 in plaats van 15 december) vormen de niet-naleving van een uitvoeringsmodaliteit (betalingstermijn) van de dading, en niet van zomaar om het even welke voorwaarde. Bovendien is die niet-naleving beperkt (enkele dagen), en niet van aard de beëindiging van de overeenkomst te verantwoorden. Zelfs al gebeurde die betaling laattijdig, toch heeft de eiser haar zonder enig voorbehoud op dat ogenblik aanvaard;

hoewel de dading de terugbetaling inhield van de verhuizingskosten, stond het anderzijds aan de eiser zijn kosten in te dienen en de terugbetaling daarvan te vorderen. Dat heeft hij niet gedaan. Dat kan aan de verweerster verweten worden;

Op grond van het akkoord van 30 november 2005, kan de verweerster de exceptie van dading aanvoeren om elke vordering van die dading te verhinderen;

De vragen die de eiser aan de eerste rechter heeft voorgelegd, en de betwistingen die hij voorlegt aan het arbeidshof, betreffen het bedrag van de ontslagvergoeding die de verweerster verschuldigd is en een vergoeding inzake de 'stock options':

De aan de dading voorafgaande onderhandeling omvatte - hetgeen bewijst dat het eerste voorstel geweigerd werd - de ontslagvergoeding (verhoogd door de dading), een niet-concurrentiebeding (dat niet meer voorkomt in de dading) en de 'stock options';

De dading gaat gepaard met een beding van algemene afstand, zonder enig voorbehoud. De dading van 30 november vormt een akkoord over de modaliteiten die globaal een einde maken aan die betwisting tussen de partijen. Het beding van algemene afstand omvat de hiervoor opgesomde betwistingen, waarop de onderhandeling betrekking had en waaraan de dading een einde heeft gemaakt".

Het arrest leidt daaruit af dat "de exceptie van dading gegrond is: de dading belet de ontvankelijkheid van de vorderingen van de eiser, ongeacht het gaat om een verbrekingsvergoeding of een vergoeding inzake de 'stock options'; dat de grond van die vorderingen dus niet moet worden onderzocht en dat de vordering tot het afleveren van de sociale documenten niet verantwoord is".

Grieven

(...)

Derde onderdeel

Artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt in het eerste lid dat hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan moet bewijzen en in het tweede lid dat omgekeerd hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht.

Zo vermeldt ook artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek dat iedere partij het bewijs moet leveren van de feiten die zij aanvoert. Inzake overeenkomsten moet de partij het bestaan bewijzen van de overeenkomst die zij aanvoert.

Te dezen blijkt enerzijds uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan dat de eiser betoogde dat "de heer F., jonge werknemer van de Altran directie te Parijs, niet bevoegd was om in deze zaak te ondertekenen of een dading te sluiten (noch in Brazilië, noch in België)" en "de heer G, algemeen vice-directeur van de groep," de persoon was die gemachtigd was te ondertekenen, en anderzijds, dat de verweerster zich ertoe beperkte de stelling van de eiser tegen te spreken door te beweren dat "de heer F. op 30 november 2005 naar Sao Paolo is gegaan om de vertrekmodaliteiten van de eiser te regelen; dat laatstgenoemde zowel voor rekening van Altran Europe handelde als voor rekening van Polen Informatica", zonder te vermelden in welke hoedanigheid of op welke juridische grond de heer F. zou hebben kunnen handelen voor "de groep Altran", bedoeld in het document van 30 november 2005, noch a fortiori voor haarzelf.

Zodoende kon de verweerster, ondanks de door de eiser aangevoerde betwisting op dat punt, niet het bestaan bewijzen van een lastgeving of bevoegdheid tot vertegenwoordiging die zij zou hebben verleend aan de heer F. voor het sluiten van een dading met de eiser. Met geen enkele van die redenen stelt het arrest vast dat zo'n bewijs zou zijn geleverd, noch op welke manier dat zou zijn gebeurd.

Het arrest, dat de door de verweerster aangevoerde exceptie van dading in aanmerking neemt, zonder dat uit de vaststellingen blijkt dat zij zou hebben bewezen dat de geldigheidsvoorwaarden van die vermeende dading daadwerkelijk vervuld waren, schendt bijgevolg de regelgeving inzake de bewijslast (schending van artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

(...)

Derde onderdeel

Hoewel een derde, alvorens met een lasthebber te handelen, het recht heeft te ei-sen dat laatstgenoemde een volmacht voorlegt, kan hij, als hij daarvan afziet, niet achteraf het bestaan ontkennen van een lastgeving die noch de lastgever, noch de lasthebber hebben betwist.

Uit de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan blijkt niet dat de eiser voor het arbeidshof heeft aangevoerd dat hij geëist had dat de heer F. een volmacht zou voorleggen.

Het arrest dat het bewezen acht dat de verweerster de heer F. gemandateerd had, waarop zij zich beriep, kon bijgevolg geen enkele in het onderdeel bedoelde bepa-lingen schenden.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum,

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille Delange en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 28 oktober 2013 uit-gesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffierLutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Lastgeving

  • Derde handelend met een lasthebber

  • Recht om van de lasthebber het voorleggen van een volmacht te eisen

  • Derde die het voorleggen daarvan niet heeft geëist