- Arrest van 5 november 2013

05/11/2013 - P.12.2030.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Accijnsgoederen worden geacht in de Gemeenschap binnen te komen in de zin van artikel 5.1 Accijnsrichtlijn, wanneer zij de zone van het eerste douanekantoor in het douanegebied van de Gemeenschap zijn gepasseerd en het is pas vanaf dat moment dat de goederen definitief zijn binnengebracht in het gebied van de Gemeenschap en dat zij aan accijns zijn onderworpen; zolang de goederen de zone van het eerste douanekantoor in het douanegebied niet hebben verlaten, zijn zij niet aan accijns onderworpen en kan er ook geen verschuldigdheid zijn in de zin van artikel 6.1 Accijnsrichtlijn (1). (1) HvJ 29 april 2010, zaak C-230/08 (ro 72, 73, 76) Dansk Transport og Logistik.

Arrest - Integrale tekst

P.12.2030.N

I

GASTON SCHUL bv, met zetel te 4836 LA Breda (Nederland), Kantoor Ha-zeldonk 23,

beklaagde en burgerrechtelijk aansprakelijke partij,

eiseres,

met als raadsman mr. Filiep Deruyck, advocaat bij de balie te Antwerpen,

II

W D H,

beklaagde,

eiser,

III

M S,

beklaagde,

eiser,

alle cassatieberoepen tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1040 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21,

vervolgende partij,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep I is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Ant-werpen van 18 april 2013 en 31 oktober 2012.

De cassatieberoepen II en III zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 31 oktober 2012.

De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eisers II en III voeren geen middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I, II en III

1. Het arrest van 31 oktober 2012 verklaart de strafvordering vervallen door verjaring, veroordeelt de vervolgende partij tot de kosten van haar vordering in beide aanleggen en spreekt de bijzondere verbeurdverklaring van de inbeslagge-nomen goederen en de deklading niet uit.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen van de eisers, elk wat hen betreft, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel van de eiseres I

2. Het middel voert miskenning aan van artikel 5 van de richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijns-producten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij de richtlijn 96/99/EG van de Raad van 30 december 1996 (hierna Accijnsrichtlijn) en artikel 5 van de Wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (hierna Accijnswet 1997): het arrest verwerpt ten onrechte het verweer van de eiseres I dat er geen accijnsschuld is ontstaan omdat de litigieuze goederen niet de zone van het eerste douanekantoor zijn gepasseerd; het Hof van Justitie oordeelde met het arrest van 20 april 2010 in de zaak C-230/08 Dansk Transport og Logistik dat het begrip invoer van goederen in de zin van de Accijnsrichtlijn veronderstelt dat de goederen de zone van het eerste doua-nekantoor in het douanegebied van de Gemeenschap zijn gepasseerd; het gegeven dat met betrekking tot het tenietgaan van de douaneschuld het Hof van Justitie in dat arrest het begrip binnenkomst in de Gemeenschap uitlegt tegen de achtergrond van artikel 233, eerste alinea, d, CDW houdt niet in dat de in de bepaling opge-nomen voorwaarde voor inbeslagname en verbeurdverklaring relevant is voor de beoordeling van het ontstaan van de douaneschuld overeenkomstig artikel 5 Ac-cijnsrichtlijn en artikel 5 Accijnswet 1997; de voorwaarden voor het tenietgaan van de douaneschuld zijn niet relevant voor de beoordeling van het ontstaan van de accijnsschuld.

3. Artikel 5.1 Accijnsrichtlijn bepaalt:

"1. De in artikel 3, lid 1, genoemde producten worden aan accijns onderworpen bij de productie ervan op het grondgebied van de Gemeenschap als omschreven in artikel 2 of bij de invoer ervan in dit grondgebied.

Als ‘invoer van een accijnsproduct' wordt beschouwd, de binnenkomst van dat product in de Gemeenschap (...).

Wanneer dat product bij binnenkomst in de Gemeenschap onder een communau-taire douaneregeling wordt geplaatst, wordt de invoer van dat product evenwel geacht plaats te vinden op het tijdstip waarop het aan de communautaire douane-regeling wordt onttrokken."

Artikel 6 Accijnsrichtlijn bepaalt:

"1. De accijns wordt verschuldigd bij uitslag tot verbruik of bij het constateren van de tekorten die krachtens artikel 14, lid, 3, aan accijnzen moeten worden on-derworpen.

Als uitslag tot verbruik van accijnsproducten wordt beschouwd:

a) iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, aan een schorsings-regeling; (...)

c) elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van deze producten, wanneer deze producten niet onder een schorsingsregeling worden geplaatst. (...)."

Artikel 5 Accijnswet 1997 bepaalt: "De in artikel 3 bedoelde producten worden aan accijnzen onderworpen bij de productie of bij de invoer."

Artikel 6 Accijnswet 1997 bepaalt:

"De accijns wordt verschuldigd bij de uitslag tot verbruik of bij het constateren van tekorten die aan accijns moeten worden onderworpen overeenkomstig artikel 14, § 3. (...)

Als uitslag tot verbruik van accijnsproducten wordt beschouwd:

- iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, van deze producten aan een schorsingsregeling;

- (...);

- elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van deze producten, wanneer ze niet onder een schorsingsregeling worden geplaatst."

4. Artikel 5.1, eerste lid, Accijnsrichtlijn bepaalt de voorwaarden voor de on-derworpenheid aan accijns. Artikel 6.1 Accijnsrichtlijn bepaalt, ingeval van on-derworpenheid aan accijns, de voorwaarden voor de verschuldigdheid van de ac-cijns. Verschuldigdheid van accijns kan maar ontstaan als er onderworpenheid aan accijns is.

5. Met het arrest Dansk Transport og Logistik van 29 april 2010, zaak C-230/08 (ro 72, 73, 76) oordeelt het Hof van Justitie dat accijnsgoederen worden geacht in de Gemeenschap binnen te komen in de zin van artikel 5.1 Accijnsricht-lijn, wanneer zij de zone van het eerste douanekantoor in het douanegebied van de Gemeenschap zijn gepasseerd.

Het is pas vanaf dat moment dat de goederen definitief zijn binnengebracht in het gebied van de Gemeenschap en dat zij aan accijns zijn onderworpen. Zolang de goederen de zone van het eerste douanekantoor in het douanegebied niet hebben verlaten, zijn zij niet aan accijns onderworpen en kan er ook geen verschuldigd-heid zijn in de zin van artikel 6.1 Accijnsrichtlijn.

6. Het arrest dat het verweer van de eiseres I dat de litigieuze sigaretten niet aan enige accijns zijn onderworpen omdat ze de zone van het eerste douanekan-toor nog niet waren gepasseerd, als irrelevant verwerpt omdat de inbeslaggenomen accijnsgoederen niet worden verbeurd verklaard, is niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Tweede middel van de eiseres I

7. Het middel voert schending aan van artikel 202.3 CDW: het arrest verklaart de eiseres I ten onrechte burgerrechtelijk aansprakelijk voor de in hoofde van haar aangestelde uitgesproken veroordeling tot betaling van de ontdoken rechten en in-teresten op die rechten; het stelt immers niet vast dat de eiseres I als werkgever heeft deelgenomen aan het binnenbrengen van de goederen in het bijzonder terwijl zij wist of redelijkerwijze had moeten weten dat zulks op onregelmatige wijze ge-schiedde; het arrest stelt integendeel vast dat de aangestelde heeft gehandeld zon-der medeweten van de eiseres.

8. Artikel 202 CDW bepaalt:

"1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:

indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht,

of

indien dergelijke, zich in een vrije zone of een vrij entrepot bevindende goederen op onregelmatige wijze in een ander deel van genoemd douanegebied worden binnengebracht.

Onder op onregelmatige wijze binnenbrengen van goederen in de zin van dit artikel wordt verstaan: elk binnenbrengen van goederen in strijd met de bepalingen van de artikelen 38 tot en met 41 en met die van artikel 177, tweede streepje.

2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen op onregelmatige wijze worden binnengebracht.

3. Schuldenaren zijn:

- de persoon die de goederen op onregelmatige wijze heeft binnengebracht;

- de personen die aan dit binnenbrengen van goederen hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat zulks op onregelmatige wijze geschiedde;

- de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die, op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ont-vingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze op onregelmatige wijze waren binnengebracht."

9. Het Hof van Justitie heeft met de arresten Spedition Ulustrans ea van 23 september 2004 in de zaak C-414/02 en Oliver Jestel van 17 november 2011 in de zaak C-454/10 artikel 202.3 CDW als volgt uitgelegd:

- in het geval van een douaneschuld ontstaan door de in artikel 202 CDW be-doelde onregelmatige binnenbrenging van goederen op het grondgebied van de Gemeenschap, bepaalt lid 3 van dat artikel wie als schuldenaar kan worden aangemerkt;

- de communautaire wetgever heeft met artikel 202.3 CDW een ruime om-schrijving willen geven van de personen die bij het onregelmatig binnenbrengen van aan invoerrechten onderworpen goederen als schuldenaar van de douaneschuld kunnen worden aangemerkt, zonder evenwel de werkgever au-tomatisch tot medeschuldenaar te maken van zijn werknemer;

- het eerste streepje van artikel 202.3 CDW beoogt de natuurlijke personen of rechtspersonen die de goederen feitelijk hebben binnengebracht zonder deze bij de douane aan te brengen;

- het tweede streepje bestempelt als schuldenaren de natuurlijke of rechtsperso-nen die aan het binnenbrengen van goederen hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat zulks op onregelmatige wijze geschiedde;

- het derde streepje viseert de natuurlijke of rechtspersonen die de goederen na hun binnenbrenging hebben verworven of onder zich hebben gehad en wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat zij op onregelmatige wijze waren binnengebracht;

- opdat een persoon op grond van artikel 202.3, tweede streepje, CDW als schul-denaar van de douaneschuld kan worden gekwalificeerd moet zowel aan een objectieve als aan een subjectieve voorwaarde zijn voldaan;

- aan de objectieve voorwaarde van het deelnemen aan de binnenbrenging is voldaan indien de persoon op een of andere manier een aandeel heeft gehad aan het binnenbrengen van de goederen, hetzij door direct bij te dragen tot de onregelmatige binnenbrenging, hetzij door dit indirect te doen, gelet op de betrokkenheid bij de met de binnenbrenging verbonden handelingen, zoals bijvoorbeeld door de financiering van de invoer, de bemiddeling bij het sluiten van de verkoopovereenkomst of de betrokkenheid van middelen of personeel;

- aan de subjectieve voorwaarde is voldaan indien de persoon die heeft deelgenomen aan de binnenbrenging wist of redelijkerwijze had moeten weten dat die op onregelmatige wijze geschiedde, waarbij de bewoordingen "rede-lijkerwijze had moeten weten" verwijzen naar het gedrag van een bedachtzame en zorgvuldige marktdeelnemer.

10. Volgens artikel 1384, derde lid, Burgerlijk Wetboek zijn de meester en zij die anderen aanstellen aansprakelijk voor de schade door hun dienstboden en aan-gestelden veroorzaakt in de bediening waartoe zij hen gebezigd hebben.

11. Op grond van die bepaling en gelet op artikel 202.3, tweede streepje, CDW, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, kan de rechter een aansteller burgerlijk aansprakelijk verklaren voor de douaneschuld welke is ontstaan ingevolge hande-lingen gesteld door de aangestelde binnen het raam van zijn bediening waarbij aan invoerrechten onderworpen goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, mits vaststaat dat de aansteller aan het binnenbrengen van deze goederen heeft deelgenomen in de zin van artikel 202.3, tweede streepje, CDW en hij wist of redelijkerwijze had moeten weten dat zij op onregelmatige wijze werden binnengebracht.

12. Het arrest oordeelt niet dat de eiseres I heeft deelgenomen aan het binnen-brengen van de goederen en dat zij wist of redelijkerwijze had moeten weten dat zulks op onregelmatige wijze geschiedde. Het stelt integendeel vast dat het gege-ven dat haar aangestelde heeft gehandeld buiten haar medeweten niet relevant is. Die beslissing is niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het arrest van 31 oktober 2012 in zoverre het de eiseres I burgerrechte-lijk aansprakelijk verklaart voor de in hoofde van Jacobus Goossens uitgesproken betaling van de ontdoken rechten, accijnzen en interesten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de eiseres I tot de helft van de kosten van haar cassatieberoep.

Veroordeelt de verweerder tot de overige helft.

Veroordeelt de eisers II en III tot de kosten van hun cassatieberoep.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Bepaalt de kosten in het geheel op 486,09 euro waarvan op het cassatieberoep I 195,47 euro verschuldigd is en op de cassatieberoepen II en III 145,31 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 5 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

A. Lievens P. Hoet

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Accijnzen

  • Binnenbrengen van accijnsgoederen in de Gemeenschap

  • Verschuldigdheid

  • Tijdstip van aanvang