- Arrest van 7 november 2013

07/11/2013 - C.12.0193.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De motiveringsverplichting van een arbitrale uitspraak houdt een vormvereiste in die een controle door de rechter van de inhoudelijke waarde van de motivering van de arbitrale uitspraak uitsluit; de omstandigheid dat een motivering onjuist is, levert geen schending op van artikel 1704, 2°, i), van het Gerechtelijk Wetboek (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0193.N

MANAGEMENT SERVICE bvba, met zetel te 2801 Mechelen (Heffen), Ke-ramiekstraat 18, in haar hoedanigheid van vereffenaar van Media Lounge Belgium nv,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

VLAAMSE MEDIAMAATSCHAPPIJ nv, met zetel te 1800 Vilvoorde, Medialaan 1,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 6 december 2011.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 24 juli 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Artikel 1704, 2°, i), Gerechtelijk Wetboek, zoals ten deze van toepassing, bepaalt dat een arbitrale uitspraak kan worden vernietigd indien zij niet met rede-nen is omkleed.

Zoals onder gelding van artikel 149 Grondwet houdt deze motiveringsverplichting een vormvereiste in die een controle door de rechter van de inhoudelijke waarde van de motivering van de arbitrale uitspraak uitsluit.

De omstandigheid dat een motivering onjuist is, levert geen schending op van ar-tikel 1704, 2°, i), Gerechtelijk Wetboek.

2. De appelrechters die oordelen dat de "door de arbiters aan een beding of een overeenkomst gegeven draagwijdte tot hun beoordelingsbevoegdheid (be-hoort)", maar dat een "verkeerde interpretatie van een beding op zich geen grond tot vernietiging van de arbitrale uitspraak in de zin van artikel 1704, 2°, i), Ge-rechtelijk Wetboek (is)", verantwoorden hun beslissing mitsdien naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

3. Anders dan waarvan de eiseres uitgaat, sluit het arrest geen inhoudelijke controle van de arbitrale uitspraak uit om na te gaan of zij in overeenstemming is met de openbare orde. De appelrechters stellen vast dat, anders dan de eiseres in conclusies voorhield, er geen schending van de openbare orde of het recht van verdediging aan de orde was, maar een beoordelingsfout van de arbiters, die zij niet op grond van artikel 1704, 2°, i), Gerechtelijk Wetboek kunnen sanctioneren.

In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

Tweede middel

Eerste onderdeel

4. Door te oordelen dat "uit geen enkel gegeven blijkt dat (de voorzitter van het arbitraal college) een nauwe band zou gehad hebben met een partij en die zou hebben verzwegen of dat hij de verplichting zou verzuimd hebben, wanneer hij benaderd werd met het oog op de uitoefening van de functie van arbiter, omstan-digheden openbaar te maken die redelijkerwijze van aard kunnen zijn legitieme twijfels te doen rijzen omtrent diens onpartijdigheid of onafhankelijkheid" nemen de appelrechters aan dat deze arbiter beantwoordt aan de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

1. Een beslissing is gegrond op een dubbelzinnige redengeving wanneer die redengeving vatbaar is voor verschillende interpretaties en zij in een of meer in-terpretaties naar recht verantwoord is maar niet in een of meer andere.

2. Door te overwegen dat "het niet gehouden is de ongegrondheid van de vor-dering tot vernietiging te onderzoeken" maar dit toch doet "met de enkele bedoe-ling en draagwijdte aan te tonen dat de uitspraak niet in strijd is met de openbare orde" geeft het hof van beroep, zonder de aangevoerde dubbelzinnigheid, te ken-nen dat deze overwegingen slechts in ondergeschikte orde worden gemaakt.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

3. Gelet op het antwoord dat de voorzitter van het college, in tegenstelling tot wat eiseres liet gelden, als onpartijdig en onafhankelijk kon worden bestempeld, diende niet meer geantwoord te worden op de argumenten die de eiseres als ver-zwarende omstandigheid aanvoerde teneinde de onpartijdigheid van de voorzitter van het arbitraal college te betwisten.

4. In zoverre het onderdeel aanvoert dat ook de co-arbiter de plicht had te mel-den dat zij reeds voor een vennootschap van dezelfde groep als verweerster een opinie had afgeleverd in dezelfde arbitrage waarin de voorzitter reeds als arbiter had gezeteld en die zelfs aangeduid was door diezelfde vennootschap, stellen de appelrechters vast dat de voorzitter van het arbitraal college niet was aangeduid door diezelfde vennootschap.

9. Voor het overige dienden de appelrechters niet te antwoorden op deze grief, vermits hij niet werd aangevoerd als zelfstandige grief tot vernietiging van de ar-bitrale uitspraak, maar slechts tot ondersteuning van de grief dat de voorzitter de plicht had tot openbaarmaking van zijn vorige functies als arbiter.

10. Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

11. Met de overweging: "zoals (de eiseres) terecht laat gelden, zou het kunnen zijn - indien daartoe concrete omstandigheden worden bijgebracht en bewezen (hetgeen het hof te dezen niet onderzoekt) - dat een partij een arbiter zou kunnen wraken omdat er een schijn van partijdigheid zou kunnen worden gewekt", sluiten de appelrechters niet uit dat de schijn van partijdigheid kan volstaan om een arbi-ter te wraken.

In zoverre het onderdeel het tegendeel aanvoert, berust het op een verkeerde le-zing en mist het feitelijke grondslag.

12. Verder oordelen de appelrechters dat de door de eiseres aangevoerde schijn van partijdigheid van de voorzitter van het arbitraal college te dezen uitgesloten was, met de overweging dat "uit geen enkel gegeven blijkt dat (de voorzitter van het arbitraal college) [...] de verplichting zou verzuimd hebben, wanneer hij be-naderd werd met het oog op de uitoefening van de functie van arbiter, om alle omstandigheden openbaar te maken, die redelijkerwijze van aard kunnen zijn le-gitieme twijfels te doen rijzen omtrent diens onpartijdigheid of onafhankelijkheid".

In zoverre het onderdeel opkomt tegen deze feitelijke beoordeling, is het niet ont-vankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 836,57 euro en voor de verweerster op 395,61 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koenraad Moens, en op de openbare rechtszitting van 7 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

K. Moens

A. Smetryns

B. Deconinck

A. Fettweis

E. Dirix

Vrije woorden

  • Arbitrale uitspraak

  • Motiveringsverplichting

  • Draagwijdte

  • Onjuiste motivering

  • Controle door de rechter