- Arrest van 12 november 2013

12/11/2013 - P.12.1744.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De omvang van de benadeling van de schuldeisers vormt een zelfstandige reden op grond waarvan de strafrechter de beslissing verantwoordt om de beklaagde geen opschorting te verlenen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1744.N

J C A T,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Hans Beerlandt, advocaat bij de balie te Kortrijk, en mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

L V H,

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 25 september 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, acht grieven aan.

De eiser doet ook afstand zonder berusting van zijn cassatieberoep in zoverre het gericht is tegen de niet-definitieve en bij verstek tegen de verweerder uitgesproken beslissing op burgerrechtelijk gebied.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De eiser is vrijgesproken voor de telastleggingen A.1, A.2, A.3, A.4, A.5. wat betreft het bedrag hoger dan 1.502,35 euro, en D.

In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is zijn cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Een eerste grief

2. De grief voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn enkel gevolgen heeft op het vlak van de sanctie, maar niet op het vlak van de bewijsvoering of de bewijswaardering; eisers veroordeling is enkel gebaseerd op foutieve veronderstellingen waarvan hij er een aantal onmoge-lijk nog met stukken kan weerleggen; de appelrechters hadden de eiser bijgevolg voor alle telastleggingen moeten vrijspreken.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eerste rechter de overschrijding van de redelijke termijn heeft vastgesteld en aan de eiser de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring heeft opgelegd wegens alle las-tens hem weerhouden feiten.

Hoewel de overschrijding van de redelijke termijn aldus in het debat was, heeft de eiser voor de appelrechters enkel aangevoerd dat de redelijke termijn was over-schreden, maar niet dat die overschrijding voor gevolg had dat hij bepaalde telast-leggingen niet meer kon weerleggen.

In zoverre de grief aanvoert dat de overschrijding van de redelijke termijn voor de eiser gevolgen had op het vlak van de bewijsvoering en de bewijswaardering, is hij nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk.

4. In zoverre de grief aanvoert dat de appelrechters de eiser voor alle telastleg-gingen hadden moeten vrijspreken, komt hij op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de schuld van de eiser aan de hem ten laste gelegde fei-ten en is hij evenmin ontvankelijk.

Een tweede grief

5. De grief voert aan dat het arrest ten onrechte zomaar de datum van 27 juni 2003 uit de dagvaarding overneemt als datum van staking van betaling en wanke-len van het krediet van de bvba B H G (hierna: de vennootschap), zonder afdoen-de motivering en door eisers in conclusies aangehaalde argumenten te negeren; die datum is in ieder geval na 7 juli 2003, dus na het overlaten van het bedrijf, en bijgevolg niet op 27 juni 2003; het Hof dient na te gaan of de appelrechters uit de in het arrest vermelde feitelijke omstandigheden wettelijk de staking van betaling, het geschokte krediet en zo ook de toestand van faillissement van de vennoot-schap op een bepaald tijdstip konden afleiden.

6. In zoverre de grief aanvoert dat het arrest het door de eiser in conclusie aan-gehaalde verweer negeert, zonder aan te geven welk verweer het arrest niet be-antwoordt, is hij bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

7. In zoverre de grief niet aangeeft hoe en waardoor de appelrechters uit de door hen vastgestelde feiten met betrekking tot de datum van staking van betaling en wankelen van het krediet van de vennootschap, gevolgen zouden hebben ge-trokken die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen wor-den aangenomen, is hij bij gebrek aan nauwkeurigheid evenmin ontvankelijk.

8. In zoverre de grief voor het overige een motiveringsgebrek aanvoert, maar in werkelijkheid opkomt tegen de onaantastbare beoordeling door de appelrechters van de datum van het virtuele faillissement van de vennootschap, is hij evenzeer niet ontvankelijk.

Een derde grief

9. De grief voert aan dat het arrest de verklaring van de aangestelden van For-tis zwaarder laat doorwegen dan de verklaring van de eiser; het Hof dient te be-oordelen of het arrest op grond van dit standpunt en aan de hand van de in het ar-rest vervatte feitelijke omstandigheden kon besluiten dat de eiser de hoedanigheid van "zaakvoerder in feite of in rechte" van de vennootschap had; het arrest oord-eelt dat de eiser M M kende, maar beantwoordt daarbij niet de conclusie van de eiser die de herkenning door M M op basis van een voorgelegde fotoreeks be-twistte en geeft evenmin aan waarom het de betwisting daarover verwerpt; met betrekking tot de telastlegging A.5 (verduistering van actief) stelt het arrest vast dat de eiser geen aannemelijke uitleg kan geven over de bestemming van 1.502,35 euro die hij zou hebben ontvangen als voorschot op de verkoopprijs van de gara-ges, niettegenstaande deze bestemming werd verduidelijkt tijdens de mondelinge verdediging ter rechtszitting; over het uitvoerige onderzoek ter rechtszitting is niets te vinden in het proces-verbaal van de rechtszitting of minstens is dit proces-verbaal niet terug te vinden in het dossier, wat een schending uitmaakt van artikel 190ter Wetboek van Strafvordering.

10. Het arrest grondt het oordeel dat de eiser ook na 7 juli 2003 zaakvoerder in feite van de vennootschap was, niet enkel op de verklaringen van de aangestelden van Fortis, maar op een geheel van redenen (11° blad, vierde alinea) die de eiser niet in zijn kritiek betrekt.

In zoverre de grief uitgaat van een onvolledige lezing van het arrest, mist hij feite-lijke grondslag.

11. Het arrest grondt de beslissing dat de eiser M M kende niet enkel op de in de grief vermelde reden, maar op een geheel van redenen (10° blad, laatste alinea) die de eiser niet in zijn kritiek betrekt.

In zoverre de grief uitgaat van een onvolledige en onjuiste lezing van het arrest, mist hij feitelijke grondslag.

12. De grief geeft evenmin aan hoe en waardoor de appelrechters uit de door hen vastgestelde feiten betreffende eisers hoedanigheid van zaakvoerder in feite of in rechte van de vennootschap, gevolgen zouden hebben getrokken die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.

In zoverre is de grief bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

13. Het arrest dient voor het overige niet te antwoorden op een argument dat de eiser niet aanvoerde als zelfstandig verweer, maar enkel ter ondersteuning van zijn verweer dat hij M M niet kende.

In zoverre kan de grief niet worden aangenomen.

14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser met betrekking tot de telastlegging A.5, de bestemming van het bedrag van 1.502,35 euro op de rechtszitting heeft verduidelijkt.

In zoverre de grief een onderzoek van feiten vereist waarvoor het Hof niet be-voegd is, is hij niet ontvankelijk.

15. In zoverre de grief ervan uitgaat dat het proces-verbaal van de rechtszitting melding dient te maken van alle gezegden op die zitting, faalt hij naar recht.

16. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 29 november 2011 bevindt zich in het dossier van de rechtspleging.

In zoverre de grief het tegendeel aanvoert, mist hij feitelijke grondslag.

Een vierde grief

17. De grief voert miskenning aan van de motiveringsplicht: het arrest aanvaardt weliswaar dat M M gelden in contanten heeft afgehaald van de Centea-rekening, maar beschouwt de eiser toch als mededader van de telastleggingen A.6-A.9 (verduistering van actief) op grond van "de beoordelingsgegevens van het strafdossier en het onderzoek der zaak ter terechtzitting"; omtrent de telastleggin-gen A.5-A.9 oordeelt het arrest dat het van bij de aanvang kennelijk de bedoeling was van onder meer de eiser "om de nog resterende activa van de BVBA HG te gelde te maken en te laten verdwijnen", zonder dit gegrond en voldoende te moti-veren.

18. Het arrest leidt de schuld van de eiser aan de telastlegging A.5 niet af uit de in de grief opgegeven reden, maar uit een geheel van redenen (ro 2.5) die de eiser niet in zijn kritiek betrekt.

In zoverre de grief uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest, mist hij feitelijke grondslag.

19. Het arrest leidt de schuld van de eiser aan de telastleggingen A.6 tot A.9 en het oordeel dat het kennelijk onder meer eisers bedoeling was om de nog reste-rende activa van de vennootschap te gelde te maken en te laten verdwijnen, niet enkel af uit de in de grief vermelde redenen, maar ook uit een geheel van redenen (ro 2.3 en 2.6) die de eiser niet in zijn kritiek betrekt.

In zoverre de grief uitgaat van een onvolledige lezing van het arrest, mist hij feite-lijke grondslag.

Een vijfde grief

20. De grief voert miskenning aan van de motiveringsplicht: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging B (wegmaken boekhouding) op grond van de beweringen van de curator die door de eiser in conclusies werden weerlegd en van de verklaring van I D L volgens welke de eiser de boekhouding op haar kan-toor heeft opgehaald; het arrest antwoordt niet op het stuk van de eiser dat hij in beroepsconclusie heeft geciteerd en volgens welk het mevrouw V was die zich met de boekhouding bezig hield.

21. In zoverre de grief aanvoert dat de eiser de beweringen van de curator in zijn beroepsconclusie heeft weerlegd, zonder te vermelden waaruit die beweringen en dat verweer bestonden, is hij bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

22. Verder grondt het arrest de beslissing tot schuldigverklaring van de eiser aan de tenlastelegging B niet enkel op de in de grief vermelde redenen, maar ook op een geheel van redenen (ro 2.7) die de eiser niet in zijn kritiek betrekt.

In zoverre de grief uitgaat van een onvolledige lezing van het arrest, mist hij feite-lijke grondslag.

23. De eiser heeft het argument dat zijn ex-echtgenote V de boekhouding van de vennootschap deed, enkel aangevoerd tot staving van zijn verweer dat hij de boekhouding van de vennootschap niet heeft doen verdwijnen. Met dat argument heeft hij geen afzonderlijk verweermiddel beoogd, zodat de appelrechters het niet afzonderlijk dienden te beantwoorden.

In zoverre kan de grief niet worden aangenomen.

24. Voor het overige komt de grief, die formeel een motiveringsgebrek aanvoert, in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van feiten door het arrest en is hij niet ontvankelijk.

Een zesde grief

25. De grief voert aan dat het arrest de eiser schuldig verklaart aan de telastleg-ging C (laattijdige aangifte faillissement) op grond van beweringen dat de datum van staking van betaling te situeren is op 27 juni 2003 en dat de eiser na de over-dracht van het zaakvoerderschap (7 juli 2003) als feitelijk zaakvoerder dient te worden beschouwd; het arrest kan de motiveringsplicht niet omzeilen door het gebruik van een stijlclausule en kan de eiser niet schuldig verklaren op basis van foutieve premissen die hij in zijn beroepsconclusie duidelijk heeft weerlegd en waarop niet of onvoldoende is geantwoord.

26. In zoverre de grief aanvoert dat het arrest het door de eiser in conclusie vermelde verweer niet of onvoldoende beantwoordt, zonder aan te geven welk verweer het arrest niet of onvoldoende beantwoordt, is hij bij gebrek aan nauw-keurigheid niet ontvankelijk.

27. Het arrest grondt de schuldigverklaring van de eiser niet op een stijlclausule, maar op het geheel van redenen die het vermeldt (ro 2.8).

In zoverre de grief uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest, mist hij feitelijke grondslag.

28. Voor het overige komt de grief in zijn geheel op tegen de onaantastbare be-oordeling van feiten door de appelrechters of verplicht hij tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is de grief evenmin ontvankelijk.

Een zevende grief

29. De grief voert aan dat het arrest de motiveringsplicht miskent doordat het weigert aan de eiser de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te verle-nen op grond van de omvang van de benadeling van de schuldeisers, terwijl de zaak op burgerlijk vlak niet in staat van wijzen werd geacht en de appelrechters zich dus nog geen idee konden vormen over de eventuele omvang van die benade-ling en van eisers aandeel daarin; door hem de opschorting ook te weigeren omdat het hem zou "sterken in zijn totaal misplaatste overtuiging dat hem in deze zaak weinig te verwijten valt", miskent het arrest eisers recht van verdediging omdat het hem doet "boeten" voor de wijze waarop hij zich verdedigt.

30. Anders dan waarvan de grief uitgaat, dient het arrest niet eerst uitspraak te doen over de burgerrechtelijke rechtsvordering om zich te kunnen uitspreken over de omvang van de benadeling van de schuldeisers en over eisers aandeel daarin. Die omstandigheden kunnen immers blijken uit de gegevens van het strafdossier.

In zoverre kan de grief niet worden aangenomen.

31. De omvang van de benadeling van de schuldeisers vormt een zelfstandige reden op grond waarvan het arrest de beslissing verantwoordt om de eiser geen opschorting te verlenen.

In zoverre de grief voor het overige opkomt tegen overtollige redenen, kan hij niet tot cassatie leiden en is hij bijgevolg niet ontvankelijk.

Een achtste grief

32. De grief voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: bij het opleggen aan de eiser van de bijzondere verbeurdverklaring overeenkomstig de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek, miskent het arrest de wettelijke voorwaar-de dat de vermogensvoordelen moeten terechtgekomen zijn in het vermogen van de veroordeelde; de eiser betwist dat hij vermogensvoordelen uit enig misdrijf heeft verkregen; het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat er bij hem geen verrijking werd vastgesteld; het arrest is ook tegenstrijdig gemotiveerd waar het enerzijds vaststelt dat niet de eiser maar M M de gelden bedoeld in de telastleg-gingen A.6 tot A.9 in ontvangst heeft genomen en anderzijds besluit dat de eiser de ontvangen vermogensvoordelen niet mag behouden.

33. De feitenrechter oordeelt onaantastbaar in feite of een veroordeelde vermo-gensvoordelen heeft verkregen uit het misdrijf waarvoor hij werd veroordeeld.

In zoverre de grief opkomt tegen dit onaantastbare oordeel, is hij niet ontvanke-lijk.

34. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat eisers ver-weer dat er bij hem geen enkel uitwendig teken van verrijking kon worden vastge-steld, enkel gericht was tegen de schuldigverklaring aan de telastleggingen A, maar dat hij geen verweer heeft gevoerd met betrekking tot de door het openbaar ministerie schriftelijk gevorderde verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen verkregen uit die telastleggingen.

Bijgevolg dienden de appelrechters eisers voormelde verweer, dat geen betrekking had op de verbeurdverklaring, voor hun beslissing op de verbeurdverklaring niet te beantwoorden.

In zoverre kan de grief niet worden aangenomen.

35. Opdat de verbeurdverklaring van de in artikel 42, 3°, Strafwetboek vermel-de vermogensvoordelen of van de in artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek be-doelde overeenstemmende geldwaarde daarvan kan worden uitgesproken tegen degene die als dader, mededader of medeplichtige wordt veroordeeld voor het misdrijf dat de vermogensvoordelen heeft voortgebracht, is niet vereist dat die vermogensvoordelen zijn eigendom zijn of in zijn vermogen zijn toegetreden, noch dat hij zich heeft verrijkt. Die verbeurdverklaring kan immers worden uitge-sproken ongeacht het voordeel dat hij uit het misdrijf heeft gehaald of de bestem-ming die hij later aan de vermogensvoordelen heeft gegeven.

In zoverre hij van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt de grief naar recht.

36. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat een andere dader de gel-den van de Centea-rekeningen heeft afgehaald, anderdeels, dat de eiser als mede-dader aan die feiten de ontvangen vermogensvoordelen niet kan behouden.

In zoverre mist de grief feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

37. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 113,91 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 12 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Weigering