- Arrest van 12 november 2013

12/11/2013 - P.13.0976.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De burgerlijkepartijstelling bij de onderzoeksrechter geschiedt door een ondubbelzinnige wilsverklaring ten overstaan van de onderzoeksrechter voor wie wordt verschenen; een verklaring van burgerlijkepartijstelling tegenover de politie is geen burgerlijkepartijstelling in de zin van de artikelen 63 en 66 Wetboek van Strafvordering; dit geldt zowel voor de burgerlijkepartijstelling waardoor het gerechtelijk onderzoek wordt geopend en de strafvordering op gang wordt gebracht als voor de burgerlijkepartijstelling in een latere akte (1). (1) Zie Cass. 13 april 2010, AR P.09.1778.N, AC 2010, nr. 254.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0976.N

I

1. ELITE nv,

burgerlijke partij,

2. M H,

burgerlijke partij,

3. M C,

burgerlijke partij,

eisers,

met als raadsman mr. Luc Stolle, advocaat bij de balie te Gent,

II

S K,

burgerlijke partij,

eiser,

alle cassatieberoepen tegen

1. M H,

inverdenkinggestelde,

2. G D,

inverdenkinggestelde,

3. J C,

inverdenkinggestelde,

4. PARDOX bvba,

inverdenkinggestelde,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 15 april 2013.

De eisers I voeren in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

De eiser II voert geen middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek: het arrest is nietig; het is immers gewezen door een kamer die anders was samenge-steld dan de kamer die de tussenarresten van 8 oktober 2012 en 3 december 2012 heeft gewezen; deze tussenarresten hebben het debat heropend over een bepaald onderwerp en zijn geen beslissingen alvorens recht te doen; het debat dat heeft ge-leid tot het arrest betrof dan ook de voortzetting van het debat over de bij de tus-senarresten vastgestelde onderwerpen; aangezien niet blijkt dat bij het debat dat heeft geleid tot het arrest de behandeling van de zaak werd hernomen, is de zaak beoordeeld door rechters die niet alle rechtszittingen over de zaak hebben bijge-woond.

1. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 11 maart 2013 blijkt dat de behandeling van de zaak ab initio werd hernomen, zodat het arrest wel degelijk werd gewezen door de rechters die de rechtszitting hebben bijgewoond waarop de zaak werd behandeld.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

2. Het middel voert schending van de artikelen 63 en 66 Wetboek van Straf-vordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eisers I.2 en I.3 bij de onder-zoeksrechter geen klacht hebben gedaan noch iemand voor hen, zodat zij niet de proceshoedanigheid van burgerlijke partij bezitten en hun verzoek tot het verrich-ten van bijkomende onderzoekshandelingen niet ontvankelijk is; de stelling als burgerlijke partij bij de onderzoeksrechter is aan geen enkel vormvoorschrift on-derworpen en kan niet enkel uit het proces-verbaal van de onderzoeksrechter blij-ken, maar ook uit andere stukken van de rechtspleging; uit zowel het document van 12 juni 2010 met als hoofding "klacht met burgerlijke partijstelling" als uit de processen-verbaal van verhoor van de eisers I.2, I.3 en II blijkt hun stelling als burgerlijke partij; deze processen-verbaal kunnen als een latere akte in de zin van artikel 66 Wetboek van Strafvordering worden beschouwd.

3. Artikel 63 Wetboek van Strafvordering, in de hier toepasselijke versie, be-paalt dat hij die beweert door een misdaad of een wanbedrijf benadeeld te zijn, daarover bij de bevoegde onderzoeksrechter klacht kan doen en zich burgerlijke partij stellen.

Volgens artikel 66 Wetboek van Strafvordering worden de klagers alleen als bur-gerlijke partij beschouwd, indien zij het uitdrukkelijk verklaren, hetzij bij de klacht, hetzij bij een latere akte, hetzij bij een van die akten een conclusie tot schadevergoeding te nemen.

4. De burgerlijkepartijstelling bij de onderzoeksrechter geschiedt door een on-dubbelzinnige wilsverklaring ten overstaan van de onderzoeksrechter voor wie wordt verschenen. Een verklaring van burgerlijkepartijstelling tegenover de politie is geen burgerlijkepartijstelling in de zin van de artikelen 63 en 66 Wetboek van Strafvordering. Dit geldt zowel voor de burgerlijkepartijstelling waardoor het gerechtelijk onderzoek wordt geopend en de strafvordering op gang wordt ge-bracht als voor de burgerlijkepartijstelling in een latere akte.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. De onderzoeksrechter stelt van de bugerlijkepartijstelling een proces-verbaal op waaruit onder meer blijkt wie zich bij hem burgerlijke partij heeft gesteld. Uit de samenlezing van de artikelen 63 en 66 Wetboek van Strafvordering volgt dat indien ter gelegenheid van de burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter een schriftelijke klacht werd neergelegd waarvan de inhoud niet of niet geheel overeenstemt met de vermeldingen van het door de onderzoeksrechter opgestelde proces-verbaal van burgerlijkepartijstelling, dit proces-verbaal de draagwijdte van de burgerlijkepartijstelling bepaalt.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Derde middel

6. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 63 en 66 Wetboek van Strafvorde-ring: het arrest verklaart de klacht met burgerlijkepartijstelling van de eiseres I.1, alsook haar verzoek tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen, ten onrechte niet ontvankelijk; het arrest oordeelt ten onrechte dat de tekst van de klacht met burgerlijkepartijstelling geen volmacht inhoudt aan de eiser II om de eiseres I.1 te vertegenwoordigen; de stelling als burgerlijke partij bij de onder-zoeksrechter is aan geen enkel vormvoorschrift onderworpen en kan niet enkel blijken uit het door de onderzoeksrechter opgesteld proces-verbaal, maar ook uit andere stukken van de rechtspleging; het document van 12 juni 2010 met als hoofding "klacht met burgerlijke partijstelling" was ondertekend door de eiser II en de eisers I.2 en I.3, zulks "enerzijds voor [de eiseres I.1] in de hoedanigheid van bestuurder, anderzijds in eigen naam in hoedanigheid van aandeelhouder"; ook uit de processen-verbaal van verhoor van de eisers I.2, I.3 en II blijkt dat zij de burgerlijkepartijstelling van de eisers I.2 en I.3 namens de eiseres I.1 bij de on-derzoeksrechter bevestigen; deze processen-verbaal kunnen als een latere akte in de zin van artikel 66 Wetboek van Strafvordering worden beschouwd.

7. Het arrest stelt vast, zonder op dit punt door het middel te worden bekriti-seerd, dat het bestuursmandaat van de eiser II in de eiseres I.1 op het ogenblik van de klacht met burgerlijkepartijstelling, niet tegenstelbaar is. Het stelt ook vast, zonder dat het middel zulks met opgave van redenen bekritiseert, dat geen enkele bijzondere volmacht aan de eiser II om de eiseres I.1 te vertegenwoordigen voor de onderzoeksrechter voorligt.

In zoverre is het middel, dat niet tot cassatie kan leiden, niet ontvankelijk.

8. Voor het overige faalt het middel naar recht om de redenen vermeld als antwoord op het tweede middel.

Vierde middel

Eerste onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan de artikelen 61quinquies, 127 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest heeft ten onrechte de regelmatigheid van de procedure onderzocht niettegenstaande de appelrechters daartoe niet bevoegd waren; zij konden dit enkel doen in het kader van de regeling van de rechtsple-ging, maar die regeling was geschorst gelet op het ingediende verzoek om bijko-mende onderzoekshandelingen.

10. Artikel 235bis, § 1, Wetboek van Strafvordering, bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling bij de regeling van de rechtspleging, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een van de partijen, de regelmatigheid van de voorgelegde procedure onderzoekt. Zij kan dit zelfs ambtshalve doen. Over-eenkomstig § 2 van voormeld artikel handelt de kamer van inbeschuldigingstelling op dezelfde wijze in de andere gevallen waarin ze kennisneemt van de zaak.

Uit deze bepalingen volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling ambtshalve de regelmatigheid van de rechtspleging vermag te onderzoeken, onder meer naar aan-leiding van het hoger beroep overeenkomstig de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering tegen de beslissing van de onderzoeksrechter met betrekking tot de vraag bijkomende onderzoekhandelingen te willen verrichten.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 128 Wetboek van Strafvorde-ring en artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek: het arrest veroordeelt de eiseres I.1 ten onrechte tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding; de burgerlijke partij die de strafvordering op gang heeft gebracht, kan slechts in een limitatief bepaald aantal gevallen worden veroordeeld tot de betaling van een rechtsplegingsvergoe-ding aan de inverdenkinggestelde; daartoe behoort niet het geval waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich uitspreekt over de regelmatigheid van de proce-dure en in het kader daarvan de strafvordering onontvankelijk verklaart.

12. Artikel 128 Wetboek van Strafvordering bepaalt:

"Indien de raadkamer van oordeel is dat het feit noch een misdaad, noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert, of dat tegen de inverdenkinggestelde generlei bezwaar bestaat, verklaart zij dat er geen reden is tot vervolging.

In dat geval en indien het onderzoek werd ingeleid door de burgerlijke partijstelling in handen van de onderzoeksrechter, wordt de burgerlijke partij veroordeeld tot het aan de inverdenkinggestelde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek."

Uit deze wetsbepaling volgt dat indien het gerechtelijk onderzoek werd geopend ingevolge een burgerlijkepartijstelling en de strafvordering daardoor werd inge-steld en het onderzoeksgerecht vervolgens beslist dat er geen reden is tot vervol-ging, de burgerlijke partij wordt veroordeeld tot de betaling aan de inverdenking-gestelden van een rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Gerech-telijk Wetboek, ongeacht de reden die aan de beslissing tot buitenvervolging-stelling ten grondslag ligt.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Derde onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1022 en 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek en artikel 128 Wetboek van Strafvorde-ring: het arrest veroordeelt ten onrechte de eiseres I.1 tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding; het arrest (ro 3.1.5) oordeelt dat de burgerlijkepartij-stelling van de eiseres I.1 onontvankelijk is omdat het bestuursmandaat van de ei-ser II op het ogenblik van de klacht met burgerlijkepartijstelling tegenover derden niet tegenstelbaar is en aan de eiser II geen bijzondere volmacht werd gegeven om de eiseres I.1 te vertegenwoordigen bij de klacht met burgerlijkepartijstelling bij de onderzoeksrechter; het arrest (ro 3.4) oordeelt ook dat de eisers I.2 en I.3 niet in persoon klacht hebben gedaan bij de onderzoeksrechter en evenmin iemand voor hen zodat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 63 Wetboek van Strafvordering en zij dan ook niet de proceshoedanigheid van burgerlijke partij bezitten; bijgevolg ontbrak het ook de eiseres I.1 aan proceshoedanigheid; daar waar het arrest de eisers I.2 en I.3 niet veroordeelt tot betaling van een rechtsple-gingsvergoeding aan de verweerders doet het dit wel wat betreft de eiseres I.1; het past aldus onjuist de wet toe en het oordeelt op tegenstrijdige wijze.

14. Het is niet tegenstrijdig, maar integendeel naar recht verantwoord, eens-deels, te oordelen dat twee verzoekers tot het verrichten van bijkomende onder-zoekshandelingen niet de hoedanigheid hebben van burgerlijke partij aangezien zij zich niet hebben gesteld bij de onderzoeksrechter en hen dan ook niet op grond van artikel 128, tweede lid, Wetboek van Strafvordering te veroordelen tot het be-talen van een rechtsplegingsvergoeding, en, anderdeels, te oordelen dat de burger-lijkepartijstelling van een andere verzoekster tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen niet ontvankelijk is omdat de persoon die namens haar is opgetreden niet beschikte over de vereiste volmacht en bijgevolg die burgerlijke partij te veroordelen tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek: het arrest veroordeelt de eiseres I.1 met een onduidelijke en dubbelzinnige formu-lering tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerders; het is immers niet duidelijk of de eiseres I.1 en de eiser II samen dan wel afzonderlijk viermaal 1.320 euro aan de verweerders zijn verschuldigd; het arrest oordeelt bo-vendien ten onrechte dat er geen redenen zijn om af te wijken van het basisbedrag van 1.320 euro; voor de regeling van de rechtspleging voor de raadkamer werden de verweerders niet bijgestaan of vertegenwoordigd door een raadsman zodat voor die aanleg geen rechtsplegingsvergoeding kan verschuldigd zijn; in hoger be-roep werden de verweerders pas voor het eerst en eenmalig vertegenwoordigd na-dat zij per faxbericht van 7 december 2012 door de griffie van de kamer van inbeschuldigingstelling waren opgeroepen; bovendien was de eiser II afwezig.

16. Het arrest veroordeelt de eiseres I.1 uitsluitend tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding voor de procedure voor de kamer van inbeschuldiging-stelling.

In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

17. Het onderdeel preciseert niet in welke lezing de beslissing wettig en in wel-ke andere lezing ze onwettig is.

In zoverre het onderdeel dubbelzinnigheid van de motivering aanvoert, is het on-nauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

18. Het arrest veroordeelt zonder onduidelijkheid de eiseres I.1 in solidum met de eiser II om aan elke inverdenkinggestelde een rechtsplegingsvergoeding te be-talen van 1.320 euro.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

19. De rechter oordeelt onaantastbaar met een met redenen omklede beslissing of er grond is om overeenkomstig artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verhogen of verminderen.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel, is het niet ont-vankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 112,41 euro waarvan de eiseres I 21,20 euro verschuldigd is en de eiser II 21,21 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 12 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Burgerlijkepartijstelling bij de onderzoeksrechter

  • Burgerlijkepartijstelling tegenover de politie