- Arrest van 14 november 2013

14/11/2013 - C.13.0015.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Tot op de dag van de vordering tot echtscheiding wordt het gemeenschappelijk vermogen door de ene of de andere echtgenoot bestuurd, onder gehoudenheid van ieder van hen om de bestuurshandelingen van de andere te eerbiedigen, behoudens de mogelijkheid nietigverklaring te vorderen of vergoeding ten bate van het gemeenschappelijk vermogen (1); elke echtgenoot moet in beginsel geen rekening en verantwoording afleggen voor zijn bestuur. (1) Cass. 29 mei 2008, AR C.06.0636.N, AC 2008, nr. 329 .

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0015.N

O.,

eiseres,

aan wie rechtsbijstand werd verleend op 2 januari 2013, onder nummer G.12.0214.N,

vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

P.,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 september 2012.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wetsbepalingen

- artikel 149 Grondwet;

- de artikelen 870, 877, 1138, 4°, en 1278, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 218, 1315, 1349, 1353, 1415, 1416, 1422, 1432 en 1433 Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

De appelrechters bevestigen het vonnis van de eerste rechter van 31 mei 2011 in zoverre de eerste rechter hierin de zwarigheid van de eiseres over de verdwenen gemeenschappelijke gelden niet-gegrond verklaart in de mate haar zwarigheid gericht is tegen het besluit van de notaris dat zij een verklaring dient te geven voor het gebruik van de som van 18.896,24 euro die op 1 oktober 2005 nog in haar bezit was en aan de eiseres bevel oplegt om met toepassing van de artikelen 877 en volgende Gerechtelijk Wetboek de volgende inlichtingen en stukken te voegen bij het dossier van de rechtspleging door overhandiging ervan aan de notaris uiterlijk binnen de twee dagen vanaf de kennisgeving van dit vonnis aan haar bij gerechtsbrief met toepassing van artikel 880 Gerechtelijk Wetboek:

- een volledige historiek van de spaarrekeningen op haar naam bij Fortis met nummer (...)en nummer (...), voor de eerste rekening vanaf 1 oktober 2005 en voor de tweede rekening vanaf 14 november 2005 en dit telkens tot op 13 maart 2006;

- een volledige toelichting over de door haar gegeven bestemming aan de som van 15.666 euro die zich op 1 oktober 2005 bevond op de rekening met nummer (...), en aan de sommen van 3000 euro en 1000 euro die door haar op respectievelijk 7 oktober 2005 en 11 oktober 2005 in contanten werden afgenomen van haar zichtrekening bij Fortis met nummer (...).

Met bevestiging van het vonnis van de eerste rechter verklaren de appelrechters nog de zwarigheid van de eiseres over de verdwenen gemeenschappelijke gelden niet in staat van wijzen in de mate haar zwarigheid gericht is tegen het besluit van de notaris dat, indien zij de opgelegde verklaring niet levert, zij een vergoeding voor de som van 18.896,24 euro meer interesten aan de ontbonden gemeenschap moet betalen, op grond van de volgende overwegingen:

"19.Ook dienaangaande treedt het Hof de oordeelkundige motivering van de eerste rechter in het bestreden vonnis, voor zover niet tegengesproken door wat hierna gesteld wordt, bij. Voor zover als nodig en ter aanvulling van de redengeving van de eerste rechter, kan nog het volgende opgemerkt worden.

20.Uit de voorgebrachte objectieve gegevens blijkt dat:

- [de eiseres] enkele dagen vóór de feitelijke scheiding (oktober 2005), en/of erna belangrijke bedragen afhaalde van financiële rekeningen waarop gemeenschappelijke gelden stonden, m.n. voor een totaal bedrag van 18.896,24 euro;

- de vordering tot echtscheiding werd ingesteld op 13.03.2006.

Het is niet aannemelijk dat [de eiseres] een bedrag van 18.896,24 euro over een periode van amper 5,5 maanden, hetzij gemiddeld 3.435,68 euro per maand, zou uitgeven hebben ten behoeve van de huishouding of het gemeenschappelijk vermogen, behoudens bijzondere omstandigheden, die in casu evenwel niet blijken.

Uit de voormelde ernstige en overeenstemmende feitelijkheden dient dan ook het feitelijk vermoeden voor de bevoegdheidsafwending afgeleid.

21.Het bestreden vonnis dient dan ook op dit punt bevestigd zodat het hoger beroep ook wat dit onderdeel betreft ongegrond is.

[...]

Grieven

Eerste onderdeel

In zijn vonnis van 31 mei 2011 besliste de eerste rechter dat de eiseres een verklaring dient te geven voor het gebruik van de som van 18.896,24 euro die op 1 oktober 2005 nog in haar bezit was. De eerste rechter besliste voorts dat in de mate de zwarigheid van de eiseres gericht is tegen het besluit van de notaris dat zij bij gebreke aan zulke verklaring een vergoeding dient te betalen aan het gemeenschappelijk vermogen van 18.896,24 euro meer de interesten, de zwarigheid niet in staat van wijzen is.

Het vonnis van de eerste rechter wordt op dit punt door de appelrechters in zijn geheel bevestigd. Aldus bevestigen de appelrechters de beslissing van de eerste rechter dat de zwarigheid van de eiseres tegen het besluit van de notaris dat zij bij gebreke aan verklaring een vergoeding dient te betalen aan het gemeenschappelijk vermogen van 18.896,24 euro meer de interesten, niet in staat van wijzen is en beslissen zij impliciet doch zeker, zoals de eerste rechter, dat thans nog geen uitspraak gedaan kan worden over de vraag of de eiseres zich schuldig maakte aan bevoegdheidsafwending bij het afhalen van de gelden ten belope van 18.896,24 euro.

Tegelijk beslissen de appelrechters echter dat het niet aannemelijk is dat de eiseres een bedrag van 18.896,24 euro over een periode van amper 5,5 maanden, hetzij gemiddeld 3435,68 euro per maand, zou uitgegeven hebben ten behoeve van de huishouding of het gemeenschappelijk vermogen, behoudens bijzondere omstandigheden, die in casu evenwel niet blijken. De appelrechters leiden uit de voormelde ernstige en overeenstemmende feitelijkheden het feitelijk vermoeden voor de bevoegdheidsafwending af.

Aldus beslissen de appelrechters tegelijk enerzijds dat nog geen uitspraak gedaan kan worden over de vraag of de eiseres zich schuldig maakte aan bevoegdheidsafwending en anderzijds dat de eiseres zich schuldig maakte aan bevoegdheidsafwending.

Het bestreden arrest bevat aldus tegenstrijdige beschikkingen en schendt dan ook de artikelen 149 Grondwet en 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek.

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 1278, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, werkt het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terug tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet.

Tot dan toe wordt, met toepassing van de artikelen 1415 en 1416 Burgerlijk Wetboek, het gemeenschappelijk vermogen door de ene of de andere echtgenoot bestuurd die de bestuursbevoegdheden alleen kan uitoefenen, dat wil zeggen het beheer, het genot en de beschikking, onder gehoudenheid voor ieder van hen om de bestuurdershandelingen van de ander te eerbiedigen.

Luidens artikel 218 Burgerlijk Wetboek kan iedere echtgenoot zonder de instemming van de andere, op zijn naam een depositorekening voor geld of effecten doen openen, en wordt hij ten opzichte van de bewaarnemer alleen geacht het bestuur te hebben. Ingevolge dit voorschrift beschikken de echtgenoten over een alleenbestuursrecht van de bankrekeningen waarvan zij titularis zijn, ook al zijn de tegoeden gemeenschappelijk.

Krachtens artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij een persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Krachtens artikel 1433 Burgerlijk Wetboek is aan het gemeenschappelijk vermogen vergoeding verschuldigd ten belope van de schade die het heeft geleden wegens een van de handelingen bedoeld in artikel 1422, indien die schade niet geheel is hersteld door de nietigverklaring van de handelingen of indien de nietigverklaring niet is gevraagd of verkregen.

Een der echtgenoten die bewijst een wettig belang te hebben, kan, op grond van artikel 1422, eerste lid, 3°, Burgerlijk Wetboek, de nietigverklaring vorderen van elke handeling die de andere echtgenoot heeft verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de eiser.

De regel neergelegd in artikel 1416 Burgerlijk Wetboek, aangaande het gelijktijdig bestuur van het gemeenschappelijk vermogen en de gehoudenheid van de echtgenoot tot eerbiediging van de bestuursdaden van de andere echtgenoot, brengt met zich dat elke echtgenoot over de macht beschikt om alleen het gemeenschappelijk vermogen te besturen, ervan te genieten, erover te beschikken en aldus de omvang ervan te wijzigen.

Dezelfde bevoegdheid bestaat bij de toepassing van het alleenbestuurrecht over de bankrekeningen op grond van artikel 218 Burgerlijk Wetboek, ook al zijn de gelden gemeenschappelijk.

Anders dan na de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel, zijn de echtgenoten voor de handelingen gesteld voor de ontbinding van hun huwelijksvermogensstelsel, geen verantwoording verschuldigd voor de wijze waarop zij het gemeenschappelijk vermogen bestuurden.

De echtgenoot die bestuursdaden betwist, dient hiervan overeenkomstig artikel 1422 Burgerlijk Wetboek de nietigverklaring te vorderen en draagt overeenkomstig de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek de bewijslast.

Insgelijks dient de echtgenoot die vergoeding vordert van het gemeenschappelijk vermogen overeenkomstig de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek te bewijzen dat de andere echtgenoot bedragen uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen of persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen (artikel 1432 Burgerlijk Wetboek), dan wel dat de handelingen door de andere echtgenoot werden gesteld met bedrieglijke benadeling van de rechten van de eiser (artikelen 1422 en 1433 Burgerlijk Wetboek).

Artikel 877 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, de rechter kan bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd.

De toepassing van voormelde bepaling inzake de overlegging van stukken vereist dat duidelijk aangegeven wordt welk stuk dient te worden overgelegd. Een algemeen gebod om alle dienstige stukken over te leggen of alle relevante informatie te geven, wordt door artikel 877 Gerechtelijk Wetboek niet toegelaten.

Te dezen blijkt uit de vaststellingen van de appelrechters dat de partijen op 7 september 2002 gehuwd zijn onder het stelsel van de wettelijke gemeenschap bij gebreke aan huwelijkscontract. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt voorts dat de verweerder op 13 maart 2006 een echtscheidingsprocedure ingeleid heeft en dat de eiseres op 11 oktober 2007 eveneens een echtscheidingsprocedure heeft ingeleid. Tussen partijen was niet betwist dat de datum van de ontbinding van de gemeenschap 13 maart 2006 was, dit is de datum van het instellen van de eerste vordering tot echtscheiding.

De appelrechters stellen vast dat de eiseres enkele dagen voor de feitelijke scheiding (oktober 2005), en/of erna belangrijke bedragen afhaalde van financiële rekeningen waarop gemeenschappelijke gelden stonden, met name voor een totaal bedrag van euro 18.896,24.

De eerste rechter, hierin gevolgd door de appelrechters, besliste dat de eiseres volledig open kaart dient te spelen over de verrichtingen die plaatsvonden met de spaartegoeden van de partijen op de hoger vermelde rekeningen op 1 oktober 2005 vanaf die datum, en dit tot op 13 maart 2006.

Aan eiseres wordt vervolgens niet enkel bevel opgelegd om een volledige historiek van de spaarrekeningen op haar naam bij Fortis te geven, maar tevens wordt aan de eiseres bevel opgelegd een volledige toelichting te geven over de door haar gegeven bestemming aan de som van euro 15.666 die zich op 1 oktober 2005 bevond op de rekening met nummer (...), en aan de som van euro 3000 en euro 1000 die door haar op respectievelijk 7 oktober 2005 en 11 oktober 2005 in contanten werden afgenomen van haar zichtrekening bij Fortis met nummer (...).

Door aldus lastens de eiseres een verantwoordingsplicht te weerhouden die geen steun vindt in de wet, en op de eiseres de bewijslast te leggen van de wijze van besteding van de gelden, miskent het bestreden arrest de wettelijke regels aangaande de bestuursbevoegdheden van de echtgenoten over het gemeenschappelijk vermogen die de eerbiediging van de bestuursdaden van de andere echtgenoot voorschrijven, onder voorbehoud van een vordering tot nietigverklaring (schending van de artikelen 218, 1415, 1416 en 1422 Burgerlijk Wetboek), miskent het de regels aangaande de bewijslastverdeling tussen partijen inzonderheid aangaande het recht op vergoeding (schending van de artikelen 1315, 1422, 1432 en 1433 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek) en doet het afbreuk aan artikel 1278, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dat de echtscheiding slechts laat terugwerken tot de echtscheidingseis en niet vroeger (schending van artikel 1278, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek).

Door aldus verder met toepassing van artikel 877 Gerechtelijk Wetboek de overlegging van informatie (met name een volledige toelichting over de door haar gegeven bestemming aan de som van euro 15.666 die zich op 1 oktober 2005 bevond op de rekening met nummer (...), en aan de som van euro 3000 en euro 1000 die door haar op respectievelijk 7 oktober 2005 en 11 oktober 2005 in contanten werden afgenomen van haar zichtrekening bij Fortis met nummer (...)) te bevelen zonder dat bepaald wordt welke precies aangeduide stukken overgelegd dienen te worden, schenden de appelrechters nog deze bepaling.

Derde onderdeel

Krachtens artikel 1433 Burgerlijk Wetboek is aan het gemeenschappelijk vermogen vergoeding verschuldigd ten belope van de schade die het heeft geleden wegens een van de handelingen bedoeld in artikel 1422, indien die schade niet geheel is hersteld door de nietigverklaring van de handelingen of indien de nietigverklaring niet is gevraagd of verkregen.

Een der echtgenoten die bewijst een wettig belang te hebben, kan, op grond van artikel 1422, eerste lid, 3°, Burgerlijk Wetboek, de nietigverklaring vorderen van elke handeling die de andere echtgenoot heeft verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de eiser. De toepassing van deze bepaling vereist dat de echtgenoot bewust handelingen heeft gesteld met de bedoeling om de andere echtgenoot te benadelen. Minstens is vereist dat er bewust een handeling gesteld is tegen het belang van het gezin, in een ander belang dan dat van het gezin of zonder enig aanwijsbaar voordeel voor het gezin.

Het bewijs dat handelingen werden gesteld met bedrieglijke benadeling van de rechten van de andere echtgenoot, wat aanleiding geeft tot vergoeding op grond van artikel 1433 Burgerlijk Wetboek, kan met alle middelen van recht geleverd worden, met inbegrip van vermoedens.

Artikel 1349 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat vermoedens gevolgtrekkingen zijn die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Luidens artikel 1353 van datzelfde wetboek, worden vermoedens die niet bij de wet zijn ingesteld, overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter.

Hoewel de rechter de feiten waarop hij zijn beslissing grondt op onaantastbare wijze vaststelt en hoewel de gevolgtrekkingen die hij hieruit als vermoeden afleidt, aan het oordeel en aan het beleid van die rechter overgelaten worden, mag hij het juridisch begrip feitelijk vermoeden, waarvan de eerbiediging aan het toezicht van uw hof onderworpen is, niet miskennen. De rechter kan met name uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgtrekkingen afleiden die daarmee geen verband houden of die op grond daarvan niet verantwoord kunnen worden.

Te dezen stellen de appelrechters vast dat uit de voorgebrachte objectieve gegevens blijkt dat:

- eiseres enkele dagen voor de feitelijke scheiding (oktober 2005), en/of erna belangrijke bedragen afhaalde van financiële rekeningen waarop gemeenschappelijke gelden stonden, met name voor een totaalbedrag van euro 18.896,24;

- de vordering tot echtscheiding werd ingesteld op 13 maart 2006.

De appelrechters beslissen dat het niet aannemelijk is dat de eiseres een bedrag van euro 18.896,24 over een periode van amper 5,5 maanden, hetzij gemiddeld euro 3435,68 per maand, zou uitgegeven hebben ten behoeve van de huishouding of het gemeenschappelijk vermogen, behoudens bijzondere omstandigheden, die in casu niet blijken. De appelrechters besluiten dat uit voormelde ernstige en overeenstemmende feitelijkheden het feitelijk vermoeden voor de bevoegdheidsafwending dient te worden afgeleid.

Aldus leiden de appelrechters een vermoeden van bevoegdheidsafwending af uit het feit enerzijds dat de eiseres enkele dagen voor de feitelijke scheiding en/of erna belangrijke bedragen afhaalde van financiële rekeningen waarop gemeenschappelijke gelden stonden en uit het feit anderzijds dat de vordering tot echtscheiding naderhand werd ingesteld.

Aldus leiden de appelrechters uit de door hen vastgestelde feiten, met name dat belangrijke bedragen voor het instellen van de vordering tot echtscheiding werden afgehaald, een gevolg af, met name dat de eiseres bewust handelde met bedrieglijke benadeling van de rechten van verweerder en minstens tegen het belang van het gezin, in een ander belang dan dat van het gezin of zonder enig aanwijsbaar voordeel voor het gezin, dat met de vastgestelde feiten geen verband houdt en op grond daarvan onmogelijk kon worden verantwoord (schending van de artikelen 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek en voor zoveel als nodig van de artikelen 1422 en 1433 Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste en derde onderdeel

1. De appelrechters stellen vast dat:

- de eiseres enkele dagen voor de feitelijke scheiding (oktober 2005) of erna be-langrijke bedragen afhaalde van financiële rekeningen waarop gemeenschappe-lijke gelden stonden, met name voor een totaal bedrag van 18.896,24 euro;

- de vordering tot echtscheiding werd ingesteld op 13 maart 2006.

Zij oordelen dat het niet aannemelijk is dat de eiseres een bedrag van 18.896,24 euro over een periode van amper vijf en een halve maand, hetzij gemiddeld 3.425,68 euro per maand, zou hebben uitgegeven ten behoeve van de huishouding of het gemeenschappelijke vermogen, behoudens bijzondere omstandigheden, die in casu niet blijken zodat hieruit een feitelijk vermoeden van bevoegdheidsafwen-ding dient te worden afgeleid en bevestigen vervolgens op die gronden de door de eerste rechter aan de eiseres opgelegde verplichtingen inzake overlegging van stukken en verstrekking van inlichtingen.

2. De appelrechters geven aldus te kennen dat vooralsnog niet zonder meer kan worden aangenomen dat de afgehaalde bedragen zijn uitgegeven ten behoeve van de huishouding of het gemeenschappelijk vermogen en dat er bijgevolg een ver-moeden, maar nog geen bewijs, is van bevoegdheidsafwending.

3. Het eerste en het derde onderdeel, die ervan uitgaan dat de appelrechters met de voormelde overwegingen hebben geoordeeld dat de bevoegdheidsafwen-ding reeds door feitelijke vermoedens bewezen is, berusten op een onjuiste lezing van het arrest en missen derhalve feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

4. Artikel 1278, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis of ar-rest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terugwerkt tot op de dag waarop de vordering wordt ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet.

5. Artikel 1415, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat het bestuur van het gemeenschappelijk vermogen alle bevoegdheden van beheer, genot en beschikking omvat.

Artikel 1416 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat het gemeenschappelijk vermogen wordt bestuurd door de ene of door de andere echtgenoot die de bestuursbevoegdheden alleen kan uitoefenen, onder gehoudenheid voor ieder van hen om de bestuurshandelingen van de andere te eerbiedigen.

6. Uit de voormelde wetsbepalingen volgt dat tot op de dag van de vordering tot echtscheiding, het gemeenschappelijk vermogen door de ene of de andere echtgenoot wordt bestuurd, onder gehoudenheid van ieder van hen om de be-stuurshandelingen van de andere te eerbiedigen, behoudens de mogelijkheid de nietigverklaring te vorderen op grond van artikel 1422, 3°, Burgerlijk Wetboek of vergoeding te vorderen ten bate van het gemeenschappelijk vermogen op grond van artikel 1433 Burgerlijk Wetboek.

Uit de artikelen 1415, eerste lid, en 1416 Burgerlijk Wetboek vloeit tevens voort dat elke echtgenoot in beginsel geen rekening en verantwoording moet afleggen voor zijn bestuur.

7. Artikel 1415, tweede lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de echtgenoten het gemeenschappelijk vermogen besturen in het belang van het gezin.

Uit het in deze wetsbepaling besloten doelgebonden karakter van de bestuursbe-voegdheden van de echtgenoten en uit het algemeen rechtsbeginsel dat procespar-tijen ertoe gehouden zijn loyaal mee te werken aan de bewijsvoering, volgt dat wanneer er aanwijzingen zijn dat een bestuurshandeling niet werd verricht in het belang van het gezin, elke echtgenoot op verzoek van de andere echtgenoot kan verplicht worden om informatie te verstrekken over de verrichte handeling.

8. De appelrechters die oordelen dat uit de omvang van de afgehaalde sommen en het tijdstip van afhaling een vermoeden van bevoegdheidsafwending kan wor-den afgeleid en vervolgens het beroepen vonnis bevestigen waarin de eiseres wordt bevolen om de historiek van de betreffende rekeningen mee te delen, even-als volledige toelichting te verschaffen over de aan de afgehaalde gelden gegeven bestemming, verantwoorden hun beslissing naar recht.

In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de wettelijke bepalingen inzake het gelijktijdig bestuur van het gemeenschappelijk vermogen en inzake de bewijs-last alsook van artikel 218 Burgerlijk Wetboek, kan het niet worden aangenomen.

9. Het beroepen vonnis verleent aan de eiseres bevel om bij toepassing van ar-tikel 877 en volgende Gerechtelijk Wetboek een volledige historiek van bepaalde rekeningen over te leggen evenals een volledige toelichting over de door haar aan de afgehaalde sommen gegeven bestemming.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat aan de eiseres bevel werd gegeven om bij deze toelichting niet nader gepreciseerde stukken over te leggen, berust het op een onjuiste lezing van het beroepen vonnis en mist het feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 602,42 euro in debet.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 14 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen K. Moens B. Wylleman

K. Mestdagh A. Smetryns E. Dirix

Vrije woorden

  • Bestuur van het gemeenschappelijk vermogen

  • Bestuurshandeling door een van de echtgenoten alleen vóór het instellen van de echtscheidingsvordering

  • Draagwijdte