- Arrest van 20 november 2013

20/11/2013 - P.13.1001.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De in artikel 496 van het Strafwetboek bedoelde kunstgrepen moeten zijn aangewend met het oogmerk misbruik te maken van andermans vertrouwen; de vordering tot ontbinding van een overeenkomst en de terugvordering van het bedrag dat haar volgens één van beide partijen verschuldigd is door de tegenpartij, ter vereffening van de tussen hen verrichte transacties, hebben niet tot doel misbruik te maken van het vertrouwen van de schuldenaar, maar om van hem de uitvoering te eisen van de verbintenis die de schuldeiser hem terecht of onterecht oplegt; het feit dat er tussen de burgerlijke partij en de persoon tegen wie zij haar rechtsvordering heeft ingesteld, een betwiste rekening bestaat, volstaat om te zeggen dat er geen misdrijf is, ook al wordt de schuldvordering niet erkend (1). (1) Zie Cass. 21 april 2010, AR P.10.0038.F, AC 2010, nr. 269.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1001.F

F. S.,

Mr. Salvatore Cimino, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

1. RED PLANET bvba,

2. D. B.,

3. LM LIVE MUSIC EVENT, vennootschap naar Zwitsers recht,

4. D. A.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 19 april 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

De eiser verwijt het arrest te hebben beslist dat de bestanddelen van de telastleg-ging poging tot oplichting bij de eerste verweerster niet verenigd zijn, omdat de stukken die deze in de loop van het burgerlijk proces tegen de eiser heeft voorge-legd, geen feiten van valsheid in geschriften zijn. Het middel voert aan dat die re-dengeving artikel 496 Strafwetboek schendt aangezien de listige kunstgrepen zich niet beperken tot het gebruik van valse stukken en het feit van zich schuldeiser te noemen terwijl men het niet is, voldoende kenmerkend is voor de oplichting, wanneer die leugen doorslaggevend is voor het afgeven van de zaak.

De listige kunstgrepen of valse hoedanigheden bedoeld in de aangevoerde wets-bepaling, moeten zijn aangewend om misbruik te maken van andermans vertrou-wen.

De vordering tot ontbinding van een overeenkomst en de terugvordering van het bedrag dat de tegenpartij haar volgens een van beide partijen verschuldigd is, ter vereffening van de tussen hen verrichte transacties, hebben niet tot doel misbruik te maken van het vertrouwen van de vermeende schuldenaar maar om van hem de uitvoering te eisen van de verbintenis die de schuldeiser hem terecht of onterecht oplegt.

De door de eiser tot ontbinding van de overeenkomst geformuleerde aanspraken, in het kader van het tegen de tegenpartij ingestelde geding, vertonen bijgevolg niet de wettelijke kenmerken van het wanbedrijf poging tot oplichting.

Het feit dat er tussen de burgerlijke partij en de persoon tegen wie ze haar rechts-vordering heeft ingesteld, een betwiste rekening bestaat, volstaat om te stellen dat er geen misdrijf is, ook al wordt de betwiste schuldvordering niet erkend.

De appelrechters verantwoorden hun beslissing dus naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het middel voert de schending aan van artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek. Vol-gens de eiser kon de kamer van inbeschuldigingstelling hem niet veroordelen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg aan de derde en vierde verweerder, die niet voor de raadkamer zijn verschenen en er evenmin wa-ren vertegenwoordigd.

Naar luid van het eerste lid van de aangevoerde wetsbepaling is de rechtsple-gingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Bijgevolg is de vergoeding, voor een aanleg, alleen verschuldigd aan de partijen die er zijn bijgestaan door een advocaat of er door hem zijn vertegenwoordigd.

Uit de beschikkingen van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Bergen van 22 en 29 juni 2012 blijkt dat de derde en vierde verweerder niet op die rechtszitting zijn verschenen en er zich niet hebben doen vertegenwoordigen.

De toekenning van de vergoeding schendt in zoverre artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de eiser veroordeelt om de derde en vierde verweerder een rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg te betalen, die op 1.250 euro wordt bepaald.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser tot drie vierde van de kosten van zijn cassatieberoep en ver-oordeelt de derde en vierde verweerder ieder tot een achtste van die kosten.

Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 20 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Poging tot oplichting

  • Listige kunstgrepen

  • Kunstgrepen aangewend met de bedoeling misbruik te maken van vertrouwen

  • Vordering tot ontbinding overeenkomst

  • Terugvordering bedrag door een van de partijen ter vereffening van de tussen hen verrichte transacties