- Arrest van 20 november 2013

20/11/2013 - P.13.1073.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, kan een inverdenkinggestelde alleen onmiddellijk cassatieberoep instellen tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet over het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer waarbij hij naar de correctionele rechtbank wordt verwezen, op voorwaarde dat hij tegen die beschikking hoger beroep heeft kunnen instellen; hoewel het totaal gebrek aan motivering van de beslissing tot verwijzing, met andere woorden het gebrek aan vaststelling van het bestaan van voldoende aanwijzingen van schuld, een onregelmatigheid van de verwijzingsbeschikking is als bedoeld in artikel 135, § 2, van het Wetboek van Strafvordering, geldt dat niet voor het verzuim om de beslissing uitgebreider te motiveren of voor een gebrek aan antwoord op de conclusie van de inverdenkinggestelde of van de persoon tegen wie de strafvordering is ingesteld (1)(2). (1) Cass. 12 sep. 2001, AR P.01.1013.F, AC 2001, nr. 460. (2) Cass. 26 sep. 2007, AR P.07.0978.F, AC 2007, nr. 438.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1073.F

J.-C. M.,

Mrs. Olivier Barthelemy, Dominique Remy, Barbara Rouard en Marie-Eve Materne, advocaten bij de balie te Dinant.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 6 mei 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, verschillende grieven aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Krachtens artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering kan een inverden-kinggestelde alleen onmiddellijk cassatieberoep instellen tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet over het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer waarbij hij naar de correctionele rechtbank wordt verwezen, op voorwaarde dat hij tegen die beschikking hoger beroep heeft kunnen instellen.

Hoewel het totaal gebrek aan motivering van de beslissing tot verwijzing, met an-dere woorden het niet-vaststellen van het bestaan van voldoende aanwijzingen van schuld, een onregelmatigheid van de verwijzingsbeschikking is als bedoeld in artikel 135, § 2, van het voormelde wetboek, geldt dat niet voor het verzuim om de beslissing uitgebreider te motiveren of voor een gebrek aan antwoord op de conclusie van de inverdenkinggestelde of van de persoon tegen wie de strafvordering is ingesteld.

Enerzijds vereist artikel 149 Grondwet niet dat de kamer van inbeschuldiging-stelling haar beslissing waarin ze het bestaan van voldoende aanwijzingen van schuld vaststelt, met redenen omkleedt. Anderzijds, hoewel artikel 6.1 EVRM in-houdt dat de beslissing op de strafvordering, ook die welke door de regeling van de rechtspleging daaraan een einde stelt, de voornaamste redenen vermeldt waar-op ze steunt, is die bepaling niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die, wanneer ze uitspraak doen over de regeling van de rechtspleging en de vervolgde persoon naar het vonnisgerecht verwijzen, slechts een niet-definitieve beslissing wijzen die de uitoefening van het recht van verdediging, waaronder het recht op een eerlijk proces, voor de feitenrechter vrijwaart.

Het gebrek aan motivering van de verwijzingsbeschikking wat betreft de afwijzing van het verzoek tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling, is trouwens evenmin een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid als bedoeld in artikel 135, § 2. Naar luid van artikel 4, § 1, vijfde lid, Probatiewet, wijst het onder-zoeksgerecht, wanneer het meent dat er geen reden is om de opschorting uit te spreken, immers een beschikking tot buitenvervolgingstelling of een beschikking tot verwijzing naar het bevoegde rechtscollege. In dat geval wijst het geen beslis-sing die de opschorting afwijst en die, met toepassing van artikel 3, vierde lid, van die wet, met redenen moet zijn omkleed overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 Wetboek van Strafvordering.

Zoals het bestreden arrest beslist, behoort het voorwerp van het hoger beroep van de eiser dus niet tot de gevallen waarin de wet de inverdenkinggestelde dat rechtsmiddel tegen de verwijzingsbeschikking toekent.

Daaruit volgt dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is.

Het overige gedeelte van de memorie van de eiser, dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, behoeft geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 20 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Verwijzingsarrest

  • Cassatieberoep van de inverdenkinggestelde

  • Ontvankelijkheid