- Arrest van 21 november 2013

21/11/2013 - F.11.0175.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 49 van de Programmawet van 9 juli 2004, dat moet verhinderen dat bepaalde belastingplichtigen een door de wetgever niet-bedoeld voordeel zouden genieten en dat in overeenstemming is met het algemeen belang en noodzakelijk is om de betaling te verzekeren van belastingen waarvan de wetgever geenszins de regels van vaststelling wijzigde, is verenigbaar met artikel 1 van het eerste aanvullende Protocol EVRM (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0175.N

HARDI nv, met zetel te 1200 Sint-Lambrechts-Woluwe, Woluwedal 106,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijk directeur der directe belastingen te Antwerpen I, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 2,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 juni 2011.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 29 mei 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. De appelrechters stellen vast dat:

- het Grondwettelijk Hof heeft beslist dat artikel 49 van de programmawet van 9 juli 2004 niet in strijd is met het EVRM en de fundamentele vrijheden;

- de maatregel verantwoord is door uitzonderlijke omstandigheden en ingegeven door dwingende motieven van algemeen belang;

- het Grondwettelijk Hof oordeelt dat de belastingplichtigen niet worden beroofd van het recht op een daadwerkelijk beroep of op een eerlijk proces vermits zij het recht behouden om voor het bevoegde rechtscollege de door hen ingestelde vordering verder te zetten teneinde de van hen gevorderde belasting te betwisten.

De appelrechters beslissen dat ofschoon de aangevochten wet een invloed zal uit-oefenen op de hangende procedures, zij niet het materieel belastingrecht dat daar-op wordt toegepast, wijzigt en dat zij, in zoverre zij een invloed uitoefent op de verjaring van de betwiste schulden, verantwoord is door de dwingende motieven van algemeen belang.

2. Anders dan het onderdeel aanvoert, beperken de appelrechters zich niet er-toe in algemene bewoordingen aan te halen wat het Grondwettelijk Hof heeft be-slist, maar treden zij op grond van een eigen redengeving het standpunt van het Grondwettelijk Hof bij.

Tevens blijkt niet dat de appelrechters het standpunt van het Grondwettelijk Hof bijtreden omdat het bindende kracht zou hebben.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

3. De loutere omstandigheid dat de appelrechters niet de datum preciseren van de arresten van het Grondwettelijk Hof waarnaar zij verwijzen, heeft niet tot ge-volg dat het Hof niet in staat is zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

4. Anders dan het onderdeel aanvoert, blijkt uit de zinsnede dat het Grondwettelijk Hof heeft beslist dat artikel 49 van de programmawet van 9 juli 2004 niet in strijd is met het EVRM en de fundamentele vrijheden, dat door de appelrechters uitspraak werd gedaan over de verenigbaarheid van de betwiste bepaling met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

5. Op grond van de redengeving die werd vermeld onder randnummer 1 ver-werpen en beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

6. Krachtens artikel 1, eerste lid, van het Eerste Aanvullende Protocol EVRM hebben alle natuurlijke of rechtspersonen recht op het ongestoord genot van hun eigendom en kan niemand van zijn eigendom beroofd worden behalve in het al-gemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht.

Krachtens het tweede lid van die verdragsbepaling zullen de voorgaande bepa-lingen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

7. Krachtens artikel 49 Programmawet van 9 juli 2004 moet, niettegenstaande het dwangbevel de eerste akte van rechtstreekse vervolging is in de zin van de ar-tikelen 148 en 149 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, het dwangbevel ook geïnterpreteerd worden als een verjaringsstuitende akte in de zin van artikel 2244 Burgerlijk Wetboek, zelfs indien de betwiste belastingschuld geen zeker en vaststaand karakter heeft.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de invoering van die wetsbepaling verantwoord werd door het feit dat de rechtsgeldigheid van het stuiten van de verjaring van be-twiste belastingen door een betekening van een dwangbevel werd erkend tot op het ogenblik van de arresten van het Hof van 10 oktober 2002 en 21 februari 2003 en dat die wetsbepaling werd aangenomen om de financiële belangen van de Schatkist te vrijwaren.

8. De bedoelde wetsbepaling die moet verhinderen dat bepaalde belasting-plichtigen een door de wetgever niet-bedoeld voordeel zouden genieten en die in overeenstemming is met het algemeen belang en noodzakelijk is om de betaling te verzekeren van belastingen waarvan de wetgever geenszins de regels van vaststel-ling wijzigde, is verenigbaar met artikel 1, Eerste Aanvullende Protocol EVRM.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Tweede middel

9. Volgens artikel 3 van de te dezen toepasselijke beslissing van de Secretaris-generaal van 19 oktober 1984 tot organisatie van de buitendiensten van de Admi-nistratie van de bijzondere belastinginspectie en tot vaststelling van de zetel en de territoriale bevoegdheid van deze diensten, genomen in uitvoering van artikel 2, 2°, van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van het Ministerie van Financiën en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het Rijkspersoneel, en van artikel 1 van het ministerieel besluit van 10 oktober 1979 waarbij delegatie wordt verleend voor het uitoefenen van sommige bevoegdheden, hebben de BBI-inspecties te Brussel dezelfde territoriale bevoegdheid als de afdeling waarvan zij afhangen, zijnde de directies Brussel A en Brussel B.

Volgens artikel 2 van de voormelde beslissing van de Secretaris-generaal van 19 oktober 1984 strekt de bevoegdheid van de directies Brussel A en Brussel B zich uit tot Brussel-Hoofdstad en tot het Nederlandse en het Franse taalgebied.

Hieruit volgt dat de BBI-inspecties waarvan de zetel in Brussel is gevestigd, steeds gemachtigd zijn op te treden in het Nederlandse taalgebied.

10. Het middel dat ervan uitgaat dat de in Brussel gevestigde BBI-inspecties in beginsel niet gemachtigd zijn om in het Nederlandse taalgebied op te treden, kan niet worden aangenomen.

Derde middel

11. De appelrechters stellen vast dat:

- de BBI op 2 oktober 1990 toelating verkreeg tot inzage van het gerechtsdossier lastens V. - Bedac bvba en dat zich hierin een deskundigenverslag bevindt van bedrijfsrevisor D. en accountant S.;

- de verweerder zich dan heeft gesteund op het voormeld deskundigenverslag dat op vordering van de onderzoekrechter te Mechelen van juli 1988 werd opgesteld en aan het administratief dossier werd toegevoegd.

12. De appelrechters oordelen dat de raadslieden van de eiseres in toepassing van artikel 275, derde lid, WIB64 schriftelijk hebben erkend dat zij op 23 novem-ber 1994 en 5 december 1994 inzage hebben genomen van het volledig admini-stratief dossier, zoals blijkt uit de directoriale beslissing van 25 april 2001, zodat de eiseres moeilijk kan voorhouden dat de beginselen van behoorlijk bestuur wer-den geschonden.

Zij geven aldus te kennen dat de verweerder bij het vestigen van de aanslag de al-gemene beginselen, waaronder het recht van verdediging, niet heeft miskend en beantwoorden en verwerpen het in het middel bedoelde verweer.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Vierde middel

13. De verweerder vorderde in het beschikkend gedeelte van de derde en aan-vullende syntheseconclusie dat de appelrechters de oorspronkelijke vordering van de eiseres zouden afwijzen en het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond zouden verklaren.

14. Anders dan het middel aanvoert, is er geen procedureakkoord tussen partijen dat zou inhouden dat het bedrag van de verkapte dividenduitkering gelijk is aan 139.594.173 frank in plaats van 154.215.251 frank.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 307,96 euro en voor de verweerder op 188,49 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 21 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols K. Moens B. Wylleman

G. Jocqué K. Mestdagh E. Dirix

Vrije woorden

  • Eerste Aanvullende Protocol

  • Artikel 1

  • Verenigbaarheid

  • Artikel 49, Programmawet 9 juli 2004