- Arrest van 21 november 2013

21/11/2013 - F.12.0204.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De kennisgeving van de beslissing tot taxatie waarin de inhoud van het bericht van wijziging wordt herhaald, is afdoende gemotiveerd in de gevallen waarin de belastingplichtige in zijn antwoord op het bericht van wijziging van aangifte een standpunt heeft ingenomen dat diametraal staat tegenover het standpunt dat de administratie vertolkt in het bericht van wijziging van aangifte en dit standpunt van de belastingplichtige reeds werd weerlegd door de in het bericht van wijziging van aangifte opgegeven redenen (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0204.N

1. F.,

2. E.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 26 juni 2012.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 28 mei 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Artikel 346, vijfde lid, WIB92 bepaalt dat de administratie ten laatste de dag van de vestiging van de aanslag, de belastingplichtige bij ter post aangetekende brief in kennis stelt van de opmerkingen die deze heeft gemaakt overeenkomstig het derde lid van dit artikel, en waarmee zij geen rekening heeft gehouden, met vermelding van de motieven die haar beslissing rechtvaardigen.

2. De rechter beoordeelt onaantastbaar in feite of de kennisgeving van de be-slissing tot taxatie voldoende uitlegt waarom de administratie het standpunt van de belastingplichtige, verwoord in diens opmerkingen op het bericht van wijziging, niet kan bijtreden.

Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de feiten en omstandigheden die hij vast-stelt, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

3. De appelrechters stellen vast dat:

- de administratie in het bericht van wijziging van aangifte, onder verwijzing naar het antwoord op een parlementaire vraag, heeft meegedeeld dat een niet-concurrentievergoeding die een werknemer van zijn ex-werkgever ontvangt fiscaal als een opzeggingsvergoeding te beschouwen is en dat het daarbij geen belang heeft of het concurrentiebeding al dan niet in de arbeidsovereenkomst was opgenomen dan wel of het voor of na het stopzetten van de arbeid of het beëindigen van de arbeidsovereenkomst werd vastgelegd;

- de eisers bij brief van hun raadsman het standpunt van de administratie hebben betwist;

- de administratie in de kennisgeving van de beslissing tot taxatie haar standpunt heeft herhaald op quasi identieke wijze als in het bericht van wijziging van aangifte.

4. De appelrechters oordelen dat wanneer, zoals te dezen, de eisers in hun ant-woord op het bericht van wijziging van aangifte een standpunt hebben ingenomen dat diametraal staat tegenover het standpunt van de administratie vertolkt in het bericht van wijziging van aangifte en dit standpunt van de eisers reeds werd weer-legd door de in het bericht van wijziging van aangifte opgegeven redenen, de ad-ministratie op afdoende wijze heeft geantwoord op de opmerkingen van de eisers door in de kennisgeving van de beslissing tot taxatie de inhoud van het bericht van wijziging van aangifte te herhalen. Zij verantwoorden aldus hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Artikel 31, eerste lid, WIB92 bepaalt dat bezoldigingen van werknemers alle beloningen zijn die voor de werknemer de opbrengst zijn van arbeid in dienst van een werkgever.

Artikel 31, tweede lid, 3°, WIB92 bepaalt dat daartoe inzonderheid behoren de vergoedingen verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het stopzetten van de arbeid of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst.

6. Om belastbaar te zijn op grond van artikel 31, tweede lid, 3°, WIB92, vol-staat het dat er een onlosmakelijk verband bestaat tussen de betaalde vergoeding en de vroegere beroepswerkzaamheid, zonder dat vereist is dat de werknemer zijn recht op de vergoeding put uit de arbeidsovereenkomst.

7. De appelrechters stellen vast dat in de overeenkomst tot niet-concurrentie, tot niet-afwerving en tot niet-openbaarmaking van zakengeheimen afgesloten na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, wordt overwogen dat de eerste eiser, rekening houdend met zijn positie in het bedrijf, een brede kennis verwierf van zakengeheimen binnen de vennootschap waarin de werkgever aan klanten dien-sten leverde, alsook van haar strategie, dat de openbaarmaking van deze geheimen naar derden toe de belangen van de werkgever ernstig zou kunnen schaden reke-ning houdend met de bijzondere concurrentiepositie binnen de sector en de aan-zienlijke knowhow die de eerste eiser heeft verworven tijdens de uitoefening van zijn activiteiten en dat vanuit die optiek aan de eerste eiser wordt verzocht zich te verbinden tot niet-concurrentie, niet-afwerving en niet-openbaarmaking van za-kengeheimen tegen betaling van een vergoeding van 1.260.000,00 euro.

8. Door op grond van deze vaststellingen te oordelen dat er geen twijfel over kan bestaan dat deze vergoeding door de eerste eiser werd verkregen uit hoofde of naar aanleiding van zijn vroegere beroepswerkzaamheid en dat het daarbij zonder belang is dat de overeenkomst omtrent niet-concurrentie en de vergoeding hiervoor werd afgesloten na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat de vergoeding belastbaar is als bezoldiging krachtens artikel 31, tweede lid, 3°, WIB92 naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eisers op 200,99 euro en voor de verweerder op 222,64 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 21 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols K. Moens B. Wylleman

G. Jocqué K. Mestdagh E. Dirix

Vrije woorden

  • Kennisgeving van de beslissing tot taxatie

  • Motiveringsvereiste