- Arrest van 22 november 2013

22/11/2013 - F.07.0025.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De artikelen 6, §2, tweede lid, a) en 13, B, b) van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals zij werd gewijzigd door Richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, moeten aldus worden uitgelegd dat ze beletten dat de terbeschikkingstelling van een gedeelte van een aan een rechtspersoon toebehorend onroerend goed voor de privédoeleinden van de beheerder ervan zonder dat de gebruikers voor het gebruik van dat onroerend goed een huurprijs in geld als tegenprestatie betalen, geldt als een van belasting vrijgestelde verhuur van onroerend goed in de zin van die richtlijn (1). (1) HvJ, arrest van 18 juli 2013, C-210/11 en C-211/11 op prejudiciële vraag bij arrest van 7 april 2011 van het Hof, AC 2011, AR F.07.0025.F, nr. 252, met concl. O.M. in Pas. 2011.

Arrest - Integrale tekst

A.R. F.07.0025.F

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

MEDICOM bvba,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 24 maart 2006.

Het Hof heeft in zijn arrest van 7 april 2011 twee prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie die het in zijn arrest nr. C-210/11 en C-211/11 van 18 juli 2013 heeft beantwoord.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 19, § 1, 44, § 3, 2°, en 45, § 1, 1°, van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek op de belasting over de toegevoegde waarde;

- artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde;

- artikel 2 van de eerste richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting;

- de artikelen 6, inzonderheid 2, eerste lid, a), 13, inzonderheid B, b), en 17.2, 17.3 en 17.5, van de zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

- de artikelen 1315, 1316 en 1709 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 1 en 2 van het Wetboek van vennootschappen.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verklaart verweersters hoger beroep gegrond, doet het beroepen vonnis teniet en verklaart bijgevolg, enerzijds, het dwangbevel CTRI 197.0919.24813 dat op 9 juli 1998 uitgebracht is door de ontvanger van het eerste btw-ontvangkantoor Namen, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 13 juli 1998 door de hoofdinspecteur van de btw-controle Namen II, daartoe aangesteld door de gewestelijk directeur van de administratie van de btw, registratie en domeinen te Namen, en, anderzijds het dwangbevel 301.0116.27856 dat op 15 januari 2001 tot bewaring van recht uitgebracht is door de hoofdinspecteur van het btw-ontvangkantoor Namen I, en op 16 januari 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijk directeur van de btw te Namen, nietig en van generlei waarde en veroordeelt de eiser in de kosten van de beide aanleggen, op de onderstaande gronden:

"Het wordt niet betwist dat het [litigieuze] pand in eigendom toebehoort aan de vennootschap die het opneemt in haar maatschappelijk vermogen; de zaakvoerders die voor die vennootschap de voor haar maatschappelijk noodzakelijke werkzaamheden uitvoeren, gebruiken weliswaar een gedeelte van het pand (een deel van de eerste verdieping en de tweede verdieping) voor privédoeleinden, maar gelet op de meest recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (arrest Seeling C-269/00 van 8 mei 2003) moet worden aangenomen dat die omstandigheid in de belastingsregeling niet relevant is om de vennootschap de aftrekbaarheid van de voorbelasting te ontzeggen, aangezien de richtlijn de Staat de mogelijkheid biedt de belasting van de dienstlevering te regelen bij de terbeschikkingstelling van het goed voor privédoeleinden (zie advies van de advocaat-generaal in de zaak C-269/00, nrs. 26 en vooral 27 e.v.); er werd op gewezen dat een dergelijke regeling de belastingneutraliteit kan bevorderen aangezien het aldus mogelijk is om naar behoren rekening te houden met veranderingen die zich in de loop van de nuttige levensduur van het goed voordoen in de mate van eigen gebruik door de belastingplichtige (voornoemd advies, nr. 28); (de eiser) argumenteert nergens dat de uit dat arrest voortvloeiende rechtspraak niet van toepassing is op rechtspersonen; tevergeefs verwijst hij naar het bestaan van een overeengekomen duur, terwijl de advocaat-generaal daarentegen alludeert op de keuzemogelijkheid die de richtlijn biedt; indien nodig moet (de eiser) gebruik maken van andere bepalingen van het wetboek (artikel 19) om die terbeschikkingstelling van het goed voor privégebruik van de zaakvoerder te belasten; die handeling kan immers niet worden aangemerkt als een vrijgestelde handeling in de zin van artikel 13, B, van de richtlijn; artikel 44, § 3, 2°, van het btw-wetboek dat uitdrukkelijk doelt op verpachting of verhuur is kennelijk niet van toepassing in deze zaak."

Grieven

Hoewel artikel 19, § 1, van het btw-wetboek bepaalt dat "met een dienst verricht onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed, voor privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige, wanneer voor dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan", stelt artikel 44, § 3, 2°, van dat wetboek "de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen, alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1," vrij van de belasting, terwijl artikel 45, § 1, 1°, het volgende vermeldt: "op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen".

Van zijn kant preciseert artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde:

"§ 1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 45, §§ 1bis, 2 en 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, brengt de belastingplichtige, onder de voorwaarden gesteld bij de artikelen 2 tot 4 van dit besluit, de belasting in aftrek geheven van de goederen en diensten die hij bestemt voor het verrichten van in artikel 45, § 1, 1° tot 5°, van het Wetboek bedoelde handelingen.

Indien de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit andere handelingen verricht waarvoor geen aanspraak op aftrek bestaat, gedraagt hij zich, voor het vaststellen van de te verrichten aftrek, naar het bepaalde in de artikelen 46 en 48 van het Wetboek en 12 tot 21 van dit besluit.

§ 2. Voor aftrek komt in geen geval in aanmerking de belasting geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit.

Wanneer een goed of een dienst bestemd is om gedeeltelijk voor zulke doeleinden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruik uitgesloten. Die verhouding dient door de belastingplichtige te worden bepaald onder controle van de administratie."

Van zijn kant luidt artikel 2 van de eerste richtlijn 67/227 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting als volgt: "Het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde berust op het beginsel dat van goederen en diensten een algemene verbruiksbelasting wordt geheven welke strikt evenredig is aan de prijs van goederen en diensten, zulks ongeacht het aantal transacties welke tijdens het productie- en distributieproces vóór de fase van heffing plaatsvonden.

Bij elke transactie is de belasting over de toegevoegde waarde, berekend over de prijs van het goed of van de dienst volgens het tarief dat voor dat goed of voor die dienst geldt, verschuldigd onder aftrek van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde waarmede de onderscheidene elementen van de prijs rechtstreeks zijn belast.

Het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wordt toegepast tot en met de kleinhandelsfase."

De zesde richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, luidt als volgt:

- artikel 6. 2, eerste lid, a): "Met een dienst verricht onder bezwarende titel worden gelijkgesteld: a) het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden, wanneer voor dit goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde is ontstaan";

- artikel 13, B, b): "Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de Lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen: b) verpachting en verhuur van onroerende goederen, met uitzondering van (...)";

- artikel 17.2, 17.3, en 17.5:

"2. Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen, mag de belastingplichtige van de door hem verschuldigde belasting aftrekken:

a) de belasting over de toegevoegde waarde welke in het binnenland is verschuldigd of is voldaan voor de door een andere belastingplichtige aan hem geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen behoeve verrichte of te verrichten diensten;

b) de belasting over de toegevoegde waarde welke verschuldigd of voldaan is voor in het binnenland ingevoerde goederen;

c) de belasting over de toegevoegde waarde welke overeenkomstig artikel 5, lid 7, onder a), artikel 6, lid 3, verschuldigd is.

3. De Lidstaten verlenen eveneens aan iedere belastingplichtige recht op aftrek of op teruggaaf van de in lid 2 bedoelde belasting over de toegevoegde waarde, voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor:

a) door de belastingplichtige in het buitenland verrichte handelingen in het kader van de in artikel 4, lid 2, bedoelde economische activiteiten, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland plaats zouden vinden;

b) handelingen die overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder g) en i), artikel 15, artikel 16, lid 1, B, C, D, lid 2, zijn vrijgesteld;

c) door de belastingplichtige verrichte handelingen die krachtens artikel 13, B, onder a) en d), punten 1 tot en met 5, zijn vrijgesteld, wanneer de ontvanger buiten de Gemeenschap gevestigd is of wanneer de handelingen rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd uit de Gemeenschap.

[...]

5. Voor goederen en diensten die door een belastingplichtige zowel worden gebruikt voor handelingen als bedoeld in de leden 2 en 3, waarvoor recht op aftrek bestaat, als voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, wordt aftrek slechts toegestaan voor dat gedeelte van de belasting over de toegevoegde waarde, dat evenredig is aan het bedrag van de eerstbedoelde handelingen.

Dit pro rata wordt overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 bepaald voor het totaal van de door de belastingplichtige verrichte handelingen.

De Lidstaten kunnen evenwel:

a) de belastingplichtige toestaan een pro rata te bepalen voor iedere sector van zijn bedrijfsuitoefening, indien voor ieder van deze sectoren een aparte boekhouding wordt gevoerd;

b) de belastingplichtige verplichten voor iedere sector van zijn bedrijfsuitoefening een pro rata te bepalen en voor ieder van deze sectoren een aparte boekhouding te voeren;

c) de belastingplichtige toestaan of verplichten de aftrek toe te passen volgens het gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan;

d) de belastingplichtige toestaan of verplichten de aftrek toe te passen volgens de in de eerste alinea vastgestelde regel voor alle goederen en diensten die zijn gebruikt voor alle daarin bedoelde handelingen;

e) bepalen dat, wanneer de belasting over de toegevoegde waarde die niet door de belastingplichtige kan worden afgetrokken, onbeduidend is, hiermee geen rekening wordt gehouden."

Uit het onderling verband tussen die bepalingen volgt dat de terbeschikkingstelling aan een zaakvoerder door een aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen handelsvennootschap en het gebruik door die zaakvoerder voor privédoeleinden van een onroerend goed dat deel uitmaakt van het vermogen van die vennootschap, zoals een woongelegenheid voor zichzelf en zijn gezin, inzonderheid in het licht van artikel 44, § 3, 2°, van het btw-wetboek, aangemerkt moeten worden als een van btw vrijgestelde verhuur onder bezwarende titel.

Bijgevolg kan de belasting op de aankoop (of de bouw, of het herstel, het onderhoud, enz.) van het onroerend goed dat behoort tot het vermogen van de vennootschap slechts worden afgetrokken wanneer dat goed "gratis" (dat is wanneer de vennootschap geen "huur" als tegenprestatie ontvangt) ter beschikking wordt gesteld van een zaakvoerder, van een bestuurder of van een vennoot van die vennootschap. Dat is inzonderheid het geval wanneer die, officieel gratis, terbeschikkingstelling voor de begunstigde een "voordeel in natura" oplevert.

Iedere handelsvennootschap waaraan de wet rechtspersoonlijkheid toekent overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Wetboek van vennootschappen, vloeit voort uit een overeenkomst waarbij verscheidene, natuurlijke of rechtspersonen, overeenkomen om, voor de verwezenlijking van een welbepaald maatschappelijk doel, een gemeenschappelijke onderneming, goederen of waarden aan te wenden teneinde een of meer bepaalde winstgevende activiteiten uit te oefenen en dit om de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen. Daarbij is die aanwending van goederen voor de verwezenlijking van een maatschappelijk doel onverenigbaar met het begrip "privévermogen", dat geen verband houdt met handelsvennootschappen, ook al mag de ontstentenis van "privévermogen" niet worden verward met de onmogelijkheid om goederen aan te wenden voor doeleinden die niets te maken hebben met de verwezenlijking van het maatschappelijk doel of niet uitsluitend worden bestemd voor de uitoefening van de economische activiteit.

De terbeschikkingstelling van een pand, geheel of ten dele, door een btw-plichtige rechtspersoon, voor de privébehoeften van een bestuurder, zaakvoerder of vennoot, stemt overeen met het begrip van btw vrijgestelde verhuur van onroerende goederen in de zin van de artikelen 13, B, b), van de zesde richtlijn, en 44, § 3, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

Het recht op aftrek van de belasting moet echter, met toepassing van de artikelen 45, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek, op een geloofwaardige wijze worden bewezen door de belastingplichtige en zijn beweringen, die op geen enkele andere wijze worden gestaafd, kunnen met toepassing van artikel 1316 van het Burgerlijk Wetboek niet als zodanig worden aanvaard.

Opdat er sprake kan zijn van verhuur in de zin van de artikelen 45, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, en 1709 van het Burgerlijk Wetboek, is het voldoende dat de eigenaar van een onroerend goed, of de houder van genotsrecht op dat goed, het goed, voor een al dan niet bepaalde duur, ter beschikking stelt van een derde die het genot ervan zal kunnen hebben mits daartegenover een prijs of een andere vergoeding staat, ongeacht of die bestaat in de betaling van een huur in geld dan wel in een prestatie of enige andere "prijs". Daarbij wordt het begrip huur, en bijgevolg het begrip verhuur, niet uitgesloten louter en alleen omdat de gebruiker niet op geregelde tijdstippen aan de "verhuurder" een welbepaald bedrag betaalt als tegenprestatie voor het recht om het goed van de vennootschap te gebruiken, aangezien dat gebruik een voordeel in natura is dat, met name, voortvloeit uit de uitvoering van de opdracht van de zaakvoerder. Dat voordeel wordt dan in de inkomstenbelasting geboekt als "voordeel van alle aard".

Uit de gezamenlijke toepassing van de artikelen 19, § 1, 44, § 3, 2°, 45, § 1, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, 1 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969, 2 van de eerste EEG-richtlijn van 11 april 1967, 6.2, eerste lid, a), 13, B, b) en 17.2, 17.3 en 17.5 van de zesde richtlijn EEG/77/388 van 17 mei 1977 volgt dat de aftrek van de belastingen op de aan de belastingplichtige - in casu, de verweerster - gefactureerde goederen en diensten haar slechts kan worden toegekend voor zover die goederen en diensten uitsluitend zijn bestemd voor doeleinden die deel uitmaken van haar economische activiteit. De uitoefening van het recht op aftrek van de belasting vereist dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de aan de belastingplichtige geleverde goederen en diensten en het feit dat hij die goederen en diensten voor belastbare handelingen gebruikt, wat de belastingplichtige op geloofwaardige wijze en aan de hand van objectieve gegevens moet bewijzen.

Enerzijds is het niet juist dat het Hof van Justitie van de Europese Unie, meer bepaald in zijn arrest Seeling van 8 mei 2003, geoordeeld zou hebben dat de omstandigheid dat een btw-plichtige handelsvennootschap die een pand dat deel uitmaakt van haar vermogen voor privégebruik ter beschikking stelt van haar bestuurder, van haar zaakvoerder of van haar vennoot, wat voor de begunstigde een voordeel in natura oplevert, niet zou kunnen worden aangemerkt als een verhuur van dat goed aan haar zaakvoerder, zodat die terbeschikkingstelling niet van de belasting zou zijn vrijgesteld en dat de vennootschap de belastingen die zij op de leveringen en diensten in verband met dat goed heeft betaald, volledig zou kunnen aftrekken.

Hoewel het Hof van Justitie met dat arrest beslist heeft dat de artikelen 6.2, eerste lid, a) en 13, B, b), van de zesde richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die het gebruik van een gedeelte van een volledig tot het bedrijf behorend gebouw voor privédoeleinden van de belastingplichtige van belasting vrijstelt als zijnde een verpachting of verhuur van een onroerend goed in de zin van artikel 13, B, b), moet dat arrest wel in zijn context worden bekeken en die is totaal anders dan in deze zaak.

Het Hof van Justitie werd aangezocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de toestand van een belastingplichtige, een natuurlijke persoon, die beslist had een hem toebehorend onroerend goed in zijn geheel voor zijn onderneming aan te wenden; nochtans gebruikte hij een deel van dat goed voor privédoeleinden, namelijk als woonst voor zichzelf en zijn gezin. Een natuurlijke persoon bezit slechts één enkel vermogen, welke bestemming hij er ook aan geeft, en hij kan dus geen van zijn goederen aan zichzelf verhuren, aangezien de hoedanigheden van verhuurder en huurder dan samenvallen. Het Hof van Justitie heeft in die zaak daarom ook logischerwijs beslist dat het begrip verhuur, als vrijgestelde handeling, niet in aanmerking kon worden genomen.

Dit is niet het geval wanneer de eigenaar van een onroerend goed, zoals hier, een rechtspersoon is die onderscheiden is van de persoon (natuurlijke of rechtspersoon) van zijn zaakvoerders, bestuurders of vennoten, die als eigenaar van een onroerend goed, het "gratis" te hunner beschikking stelt, te meer daar die terbeschikkingstelling voor hen beschouwd moet worden als een in de personenbelasting belastbaar voordeel in natura. In dat geval valt die handeling, met toepassing van de artikelen 13 van de zesde richtlijn en 44 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde niet onder de btw, en is zij bijgevolg niet aftrekbaar in de zin van de artikelen 17 van die richtlijn en 45 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

Anderzijds, ingeval een handelsvennootschap het geheel of een gedeelte van een goed waarvan zij de eigenaar is, "gratis" ter beschikking stelt van haar zaakvoerder, haar bestuurder of haar vennoot, moet zij bewijzen dat die terbeschikkingstelling van haar goed beantwoordt aan de vereisten van de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel en mag zij niet enkel aanvoeren dat een dergelijke noodzaak bestaat.

Daaruit volgt dat het bestreden arrest, dat aanneemt dat het litigieuze pand in zijn geheel behoort tot het vermogen van de verweerster, dat genoemd pand een handelseigendom is dat zij ten dele ter beschikking heeft gesteld van haar zaakvoerders die het in die mate gebruiken voor hun privébehoeften en die van hun gezin, terwijl het arrest overigens niet stelt dat het bewezen zou zijn dat de activiteiten van de verweerster een dergelijk gebruik vereisen, maar, integendeel, oordeelt dat artikel 44, § 3, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, in de uitlegging die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft gegeven van de artikelen 6, 13 en 17 van de zesde EEG richtlijn niet van toepassing is, aangezien de verweerster aan haar zaakvoerder, voor onbepaalde tijd, een pand ter beschikking stelt dat haar toebehoort, en daarvoor geen huurgeld vraagt, en ontkent dat er sprake is van huur die van belasting vrijgesteld is in de zin van die bepaling en op grond waarvan de verweerster gerechtigd is van de belastingen die zij verschuldigd was, alle voorbelasting af te trekken die zij betaald heeft met betrekking tot het zonder enige beperking aan haar zaakvoerders ter beschikking gestelde pand, de in het middel aangewezen wettelijke bepalingen schendt en het begrip handelsvennootschap met rechtspersoonlijkheid evenals de begrippen maatschappelijk vermogen en het begrip "verhuur" in de zin van de bepalingen miskent en op onwettige wijze de verweerster ontslaat van de verplichting om daarvan het bewijs te leveren.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn voornoemd arrest van 18 juli 2013 voor recht verklaard:

1) De artikelen 6, lid 2, eerste alinea, sub a, en 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de terbeschikkingstelling van een gedeelte van een aan een rechtspersoon toebehorend onroerend goed voor de privédoeleinden van de beheerder ervan zonder dat de gebruikers voor het gebruik van dat onroerend goed een huurprijs in geld als tegenprestatie betalen, geldt als een van belasting vrijgestelde verhuur van onroerend goed in de zin van deze richtlijn, en dat het dienaangaande geen verschil maakt dat de nationale inkomstenbelastingregeling deze terbeschikkingstelling beschouwt als een voordeel in natura dat ontstaat uit de uitvoering door de gebruikers van hun statutaire opdracht of hun arbeidsovereenkomst.

2) De [voornoemde] artikelen 6, lid 2, eerste alinea, sub a, en 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388), zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7, moeten aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat de gehele of gedeeltelijke terbeschikkingstelling van het volledig aan het bedrijf toebehorende onroerend goed aan de beheerders, bestuurders of vennoten ervan, wel of niet rechtstreeks verband met de exploitatie van het bedrijf houdt, in situaties als in de hoofdgedingen irrelevant is om uit te maken of deze terbeschikkingstelling onder de vrijstelling van laatstgenoemde bepaling valt".

Hieruit volgt dat met toepassing van voornoemd artikel 6, lid 2, eerste alinea, sub a, het gebruiken, zonder overeengekomen huur, van een tot het bedrijf van een belastingplichtige rechtspersoon behorend goed voor de privédoeleinden van de zaakvoerder ervan, gelijkgesteld moet worden met een dienst verricht onder bezwarende titel en dat voornoemd gebruik, aangezien het niet valt onder artikel 13, B, sub b), van de zesde richtlijn, niet als verhuur kan worden aangemerkt.

De vennootschap heeft bijgevolg het recht om de voorbelasting over alle bouwkosten van dat onroerend goed af te trekken, overeenkomstig artikel 17, § 2, van de zesde richtlijn.

Artikel 44, § 3, 2°, Btw-wetboek kan niet worden toegepast in zoverre het, in tegenstelling tot de zesde richtlijn, een dergelijk gebruik gelijkstelt met een van de belasting vrijgestelde huur van een onroerend goed

Het middel, dat uitgaat van een tegengestelde rechtsopvatting, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 22 november 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Zesde richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977

  • Artikelen 6 en 13

  • Onroerend goed

  • Eigendom van een rechtspersoon

  • Gedeeltelijke privatieve terbeschikkingstelling aan zijn zaakvoerder

  • Geen in geld te betalen huur

  • Vrijgestelde verhuur van onroerende goederen in de zin van de richtlijn