- Arrest van 22 november 2013

22/11/2013 - C.12.0405.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest dat een voorlopige koopovereenkomst nietig verklaart, maar niet vaststelt dat de in die overeenkomst vervatte arbitrage-overeenkomst niet geldig of beëindigd zou zijn en overweegt dat een partij, aangezien het geschil betrekking heeft op de geldigheid van de voorlopige koopovereenkomst en die overeenkomst vernietigd is, zich niet kan beroepen op de daarin vervatte arbitrage-overeenkomst om de hoven en rechtbanken niet-bevoegd te doen verklaren, is niet naar recht verantwoord (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0405.F

C. B.,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. X. D. en,

2. V. B,

Mr. Michèle Gregoire, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 april 2012.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 25 oktober 2013 ter griffie een conclu-sie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 568, inzonderheid derde lid, 1679, inzonderheid punt 1, en 1697, inzonderheid punt 2, van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de koopovereenkomst van 7 september 2004 met toepassing van artikel 162, eerste lid, van het Vlaams decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening in Vlaanderen nietig omdat het verkochte goed met stedenbouwkundige misdrijven behept was en beslist dat de eiser geen aanspraak kan maken op het arbitragebeding uit de koopovereenkomst, en dat het hof [van beroep] bijgevolg bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.

Die beslissing steunt op alle redenen van het arrest die geacht worden hier integraal te zijn weergegeven, en inzonderheid op de onderstaande overwegingen:

"[De verweerders] vorderen dat de op 7 september 2004 ondertekende overeenkomst nietig wordt verklaard met toepassing van de artikelen 1, eerste en tweede lid, van de wet-Breyne en 162, eerste lid, van het Vlaams decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening in Vlaanderen;

[De eiser] betwist de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken op grond dat de voorlopige koopovereenkomst van 7 september 2004 een arbitragebeding bevat waarvan hij de toepassing vordert;

Artikel 1679.1 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter bij wie een aan arbitrage onderworpen geschil aanhangig is gemaakt, zich, op verzoek van een partij, onbevoegd verklaart om daarvan kennis te nemen, tenzij er ten aanzien van dat geschil geen geldige overeenkomst tot arbitrage is of deze is geëindigd;

Aangezien het geschil in deze zaak betrekking heeft op de geldigheid van de tussen partijen getekende overeenkomst, dient, om de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken te bepalen, eerst te worden nagegaan of zij al dan niet geldig is;

1. Geldigheid van de overeenkomst van 7 september 2004

[...]

2. Rechtsmacht van de hoven en rechtbanken

Aangezien het geschil betrekking heeft op de overeenkomst van 7 september 2004 en die overeenkomst door het arrest nietig is verklaard, kan [de eiser] zich niet beroepen op het daarin vervatte arbitragebeding om de hoven en rechtbanken onbevoegd te doen verklaren, ook al heeft hij daadwerkelijk de exceptie in limine litis opgeworpen, overeenkomstig voornoemd artikel 1679.1;

Voor de beslechting van het geschil hoeft dus niet te worden nagegaan of ‘of het materieel mogelijk was het beding toe te passen' en of er een betwisting bestond over de wijze waarop de scheidsrechter aangesteld werd;

De rechtbank en het hof [van beroep] zijn bijgevolg bevoegd om van het geschil kennis te nemen."

Grieven

1. Artikel 568, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg kennisneemt van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep en het Hof van Cassatie komen.

Artikel 568, derde lid, van dat wetboek bepaalt dat de rechtbank, wanneer de verweerder de rechtsmacht van de rechtbank van eerste aanleg afwijst, ingevolge de toewijzing van het geschil aan scheidsrechters, de zaak uit handen geeft, zo daartoe grond bestaat.

Artikel 1679.1 van het Gerechtelijk Wetboek preciseert dat de rechter bij wie een aan arbitrage onderworpen geschil aanhangig is gemaakt, zich, op verzoek van een partij, onbevoegd verklaart om daarvan kennis te nemen, tenzij er ten aanzien van dat geschil geen geldige overeenkomst tot arbitrage is of deze is geëindigd, en dat de exceptie voor elke andere exceptie of verweer moet worden voorgedragen.

2. De overeenkomst waarvan sprake in artikel 1679.1 betreft de overeenkomst tot arbitrage en niet de overeenkomst waarin deze vervat is. Dat volgt uit het onderling verband tussen voornoemde bepaling en artikel 1697.2 van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 1697.2 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de vaststelling dat het contract nietig is, niet van rechtswege meebrengt dat ook de overeenkomst tot arbitrage die daarvan deel uitmaakt nietig is.

De geldigheid van de overeenkomst tot arbitrage wordt dus, in beginsel, niet aangetast door de nietigheid van de hoofdovereenkomst maar enkel door een grond van nietigheid van de arbitrage-overeenkomst zelf.

3. Uit al wat voorafgaat, volgt dat de rechter, ingeval van een overeenkomst tot arbitrage, zich slechts bevoegd kan verklaren om van het geschil kennis te nemen, indien hij vaststelt dat de overeenkomst tot arbitrage nietig is wegens een grond die betrekking heeft op de intrinsieke geldigheid van de overeenkomst tot arbitrage, tenzij de partijen daarover anders hebben bedongen.

Enkel de voorwaarden in de artikelen 1676 tot 1678 van het Gerechtelijk Wetboek, die eigen zijn aan de arbitrage, en de gemeenrechtelijke geldigheidsvoorwaarden, zijn intrinsiek aan de geldigheid van de overeenkomst tot arbitrage, voor zover die bepalingen daarvan niet afwijken en ze rechtstreeks betrekking hebben op de overeenkomst tot arbitrage.

4. Het arrest stelt, met toepassing van artikel 162, eerste lid, van het Vlaams decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening in Vlaanderen, de nietigheid van de koopovereenkomst vast, op grond dat de eiser een goed heeft verkocht dat behept was met stedenbouwkundige misdrijven.

Vervolgens breidt het die nietigheid van de hoofdovereenkomst automatisch uit tot het arbitragebeding dat daarin vervat is, zonder na te gaan in hoeverre de in aanmerking genomen grond van nietigheid van de koopovereenkomst de intrinsieke geldigheid van het arbitragebeding raakt. Het arrest dat op die grond beslist dat het hof [van beroep] bevoegd is, schendt de in het middel vermelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid de artikelen 1679.1 en 1697.2.

Het arrest, dat niet nagaat of de partijen overeengekomen waren om de geldigheid van het arbitragebeding te doen afhangen van de geldigheid van de koopovereenkomst waarin het vervat is, bevat althans niet de vaststellingen die het Hof de mogelijkheid bieden de wettigheid van de beslissing te toetsen, en is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Middel

Luidens artikel 1679.1 Gerechtelijk Wetboek verklaart de rechter bij wie een aan arbitrage onderworpen geschil aanhangig is gemaakt, zich, op verzoek van een partij, onbevoegd om daarvan kennis te nemen, tenzij er ten aanzien van dat ge-schil geen geldige overeenkomst tot arbitrage is of deze is geëindigd.

Artikel 1697.2 van dat wetboek bepaalt dat de vaststelling, dat het contract nietig is, niet van rechtswege meebrengt dat ook de overeenkomst tot arbitrage die daar-van deel uitmaakt nietig is.

Het arrest, dat met toepassing van artikel 162, eerste lid, van het decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening in Vlaanderen de door de partijen op 7 september 2004 ondertekende voorlopige koopovereenkomst nietig verklaart, maar niet vaststelt dat de in die overeenkomst vervatte arbitrage-overeenkomst niet geldig of beëindigd zou zijn, schendt de voornoemde wetsbepalingen wanneer het overweegt dat, "[de eiser], aangezien het geschil betrekking heeft op de geldigheid van de overeenkomst van 7 september 2004 en die overeenkomst vernietigd is [...], zich niet kan beroepen op de daarin vervatte arbitrage-overeenkomst om de hoven en rechtbanken onbevoegd te doen verklaren".

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Gustave Steffens en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 22 november 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Voorlopige koopovereenkomst

  • Vernietiging

  • Geldig arbitrageding