- Arrest van 26 november 2013

26/11/2013 - P.13.0991.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer voor het Hof van Cassatie de vraag rijst of artikel 56, tweede lid, Strafwetboek in samenhang gelezen met artikel 25 Strafwetboek, artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden en artikel 25, §2, b, van de wet van 17 mei 2006 op de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het toelaat om ten aanzien van de inverdenkinggestelde die, op basis van verzachtende omstandigheden of een reden van verschoning, naar de correctionele rechtbank is verwezen wegens een gecorrectionaliseerde misdaad die is gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij een gevangenisstraf van minstens één jaar heeft ondergaan of nadat die straf is verjaard, een wettelijke staat van herhaling vast te stellen, wat zijn invloed heeft op het toepasselijk regime van strafuitvoering, terwijl dat niet toegelaten is ten aanzien van de inverdenkinggestelde die, bij gebrek aan verzachtende omstandigheden of een reden van verschoning (en zich dus in een nadeliger positie bevindt dan degene wiens feiten wel gecorrectionaliseerd zijn) wegens dezelfde misdaad naar het hof van assisen is verwezen, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0991.N

C R A F,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie te Brugge,

tegen

1. MARINE HARVEST PIETERS nv, met zetel te 8000 Brugge, Kolve-straat 4,

burgerlijke partij,

2. M V,

burgerlijke partij,

3. D V,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 29 april 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest stelt vast dat de strafvordering voor het feit van de telastlegging H vervallen is wegens verjaring.

In zoverre het cassatieberoep tegen die beslissing is gericht, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

2. Het cassatieberoep tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de derde verweerder die bij verstek is gewezen, is ingesteld vóór het verstrijken van de gewone termijn van verzet.

In zoverre is het cassatieberoep voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk.

Middel

Derde onderdeel

3. Het onderdeel voert aan dat artikel 56, tweede lid, Strafwetboek, zoals hier toegepast, strijdig is met de artikelen 10 en 11 Grondwet om volgende reden:

- de correctionele rechtbank of het hof van beroep die de beklaagde onder meer veroordelen wegens poging tot moord, stellen op grond van een eerdere ver-oordeling wegens een wanbedrijf tot een gevangenisstraf van ten minste een jaar, indien de veroordeelde het nieuwe wanbedrijf pleegt voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is, de staat van wettelijke herhaling vast;

- dit heeft onder meer tot gevolg dat die beklaagde slechts na twee derde van zijn straf in aanmerking komt voor een voorwaardelijke invrijheidstelling;

- het hof van assisen die een beschuldigde veroordeelt wegens moordpoging tot een criminele straf van gelijke duur, kan zelfs indien het verzachtende om-standigheden aanneemt de staat van wettelijke herhaling niet vaststellen op grond van een eerdere veroordeling wegens een wanbedrijf;

- aldus zal die beschuldigde reeds na een derde van zijn straf in aanmerking komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling.

De eiser verzoekt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt art. 56, tweede lid, in samenhang gelezen met art. 25 Strafwetboek, art. 2 van de Wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden en art. 25, § 2 b Wet van 17 mei 2006 op de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, art. 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het toelaat om t.a.v. de inverdenkinggestelde die, op basis van verzachtende omstandigheden of een reden van verschoning, naar de correctionele rechtbank is verwezen wegens een gecorrectionaliseerde misdaad die is gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij een gevangenisstraf van minstens één jaar heeft ondergaan of nadat die straf is verjaard, een wettelijke staat van herhaling vast te stellen, wat zijn invloed heeft op het toepasselijk regime van strafuitvoering, terwijl dat niet toegelaten is ten aanzien van de inverdenkinggestelde die, bij gebrek aan verzachtende omstandigheden of een reden van verschoning (en zich dus in een nadeliger positie bevindt dan degene wiens feiten wel gecorrectionaliseerd zijn) wegens dezelfde misdaad naar het Hof van assisen is verwezen?"

4. Krachtens artikel 26, § 2, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof is het Hof niet ontslagen van de verplichting het Grondwettelijk Hof te verzoeken over de thans gestelde vraag uitspraak te doen, ook al heeft het Grondwettelijk Hof bij ar-rest nr. 193/2011 van 15 december 2011 en nr. 199/2011 van 22 december 2011, bij wijze van een prejudiciële beslissing, over vragen met een verwant onderwerp reeds uitspraak gedaan. Het Grondwettelijk Hof heeft immers bij die gelegenhe-den geen uitspraak gedaan over het feit of de gevolgen van de al dan niet vaststel-ling van de staat van wettelijke herhaling op de mogelijkheid voor de veroordeel-de om voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld krachtens artikel 25, § 2, Wet Strafuitvoering strijdig zijn met de artikelen 10 en 11 Grondwet.

Er is grond tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, zoals hierna geherformuleerd.

Overige onderdelen

5. Het onderzoek van de overige onderdelen wordt opgeschort totdat het Grondwettelijk Hof met een prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan over de hierna gestelde vraag.

Dictum

Het Hof,

Schort de uitspraak op totdat het Grondwettelijk Hof bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vraag:

"Schendt artikel 56, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 25 Strafwetboek, artikel 2 Wet Verzachtende Omstandigheden en artikel 25, § 2, b, Wet Strafuitvoering, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in zoverre het toelaat om ten aanzien van de beklaagde die, op basis van verzachtende omstandigheden of een reden van verschoning, naar de correctionele rechtbank is verwezen wegens een gecorrectionaliseerde misdaad die is gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij een gevangenisstraf van minstens één jaar heeft ondergaan of nadat die straf is ver-jaard, een wettelijke staat van herhaling vast te stellen, wat zijn invloed heeft op het toepasselijk regime van strafuitvoering, terwijl dat niet toegelaten is ten aanzien van de beschuldigde die, bij gebrek aan verzachtende omstandigheden of een reden van verschoning wegens dezelfde misdaad naar het hof van assisen is verwezen?"

Houdt de beslissing over de kosten aan.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openba-re rechtszitting van 26 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Grondwettelijk Hof

  • Strafzaken

  • Misdaad na wanbedrijf

  • Gecorrectionaliseerde misdaad na wanbedrijf

  • Vaststelling van de staat van herhaling

  • Artikel 56, tweede lid, Strafwetboek

  • Bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet

  • Hof van Cassatie

  • Verplichting