- Arrest van 27 november 2013

27/11/2013 - P.13.1178.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De samenloop van misdrijven belet weliswaar dat de bij de gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer bepaalde vrijheidsstraffen en geldboeten worden uitgesproken, maar dat geldt niet voor het verval van het recht tot sturen onder de voorwaarden als bepaald in deze wetten (Impliciet).

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1178.F

K. A.,

Mrs. Antoine Leroy en Martin François, advocaten bij de balie te Brussel,

tegen

C. W.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 28 mei 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen op de straf-vordering, met name

1. de beslissing waarbij de eiser wordt vrijgesproken van de telastleggingen B, C en F van zaak I en die welke de verjaring van de feiten vaststelt voor de te-lastleggingen B en C van zaak II

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

2. de veroordelende beslissing

Eerste middel

1. Het middel is gericht tegen de beslissing van de appelrechters waarbij de ei-ser wordt veroordeeld tot een verval van het recht tot sturen voor een duur van drie maanden.

2. Het hof van beroep heeft de eiser schuldig verklaard aan niet-verzekering met de omstandigheid dat hij nog geen twee jaar houder was van een rijbewijs B.

Het motiveert het verval van het recht tot sturen door te stellen dat die straf met toepassing van artikel 35 Wegverkeerswet verplicht moest worden opgelegd. Daarenboven verantwoordt het de drie maanden verval op grond van artikel 38, § 2, tweede lid, van de wet.

3. Het voormelde artikel 35 heeft betrekking op de bestuurder of degene die een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, terwijl hij in staat van dron-kenschap of in een soortgelijke staat verkeert ten gevolge van met name het ge-bruik van drugs of van geneesmiddelen.

Die bepaling houdt geen verband met de door het arrest bewezen verklaarde te-lastlegging.

4. Krachtens de artikelen 22, § 1, en 24, 1°, WAM 1989, kan de bestuurder die een voertuig bestuurt op de openbare weg, zonder dat de burgerlijke aansprake-lijkheid gedekt is waartoe dit aanleiding kan geven, voorgoed of voor een duur van ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar, gestraft worden met een verval van het recht tot sturen. Volgens het voormelde artikel 24, 1°, zijn de bepalingen betreffende het verval van het recht tot sturen, die vervat zijn in de wetgeving op de politie over het wegverkeer, van toepassing op die straf.

5. Volgens artikel 38, § 5, Wegverkeerswet, moet de rechter het verval van het recht tot sturen uitspreken en het herstel van dat recht op zijn minst afhankelijk maken van het slagen voor een theoretisch of praktisch examen, indien hij veroor-deelt voor een overtreding met een motorrijtuig die tot een verval van het recht tot sturen kan leiden en de schuldige nog geen twee jaar houder is van het rijbewijs B.

6. Artikel 38, § 2, tweede lid, Wegverkeerswet verplicht de rechter het verval van het recht tot sturen uit te spreken voor een duur van ten minste drie maanden, indien hij de beklaagde tegelijkertijd veroordeelt wegens een overtreding van arti-kel 419 Strafwetboek en van de artikelen 29, § 1 en 3, 34, § 2, 35 of 37bis, § 1, Wegverkeerswet.

7. De bewezen verklaarde overtreding behoort niet tot de overtredingen die het verplichte karakter van de uitgesproken straf verantwoorden, zodat de appelrechters de duur van het verval niet konden verantwoorden door zich te baseren op artikel 38, § 2, tweede lid, maatregel die op grond van die bepaling is uitgesproken.

8. Hoewel de appelrechters, na te hebben geoordeeld dat de eiser een voertuig had bestuurd zonder burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering en te hebben vast-gesteld dat hij nog geen twee jaar houder was van een rijbewijs B, het verval van het recht tot sturen dienden uit te spreken, behielden ze de mogelijkheid de duur ervan te bepalen, overeenkomstig artikel 24, 1°, WAM 1989.

Maar de appelrechters die, met toepassing van de artikelen 35 en 38, § 2, Wegver-keerswet, een verval van het recht tot sturen voor een duur van drie maanden uit-spreken, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

9. Het middel is in zoverre gegrond.

Er is geen grond om het tweede middel te onderzoeken, dat niet tot een ruimere vernietiging of vernietiging zonder verwijzing kan leiden.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewe-zen. Aangezien de schuldigverklaring en de veroordeling tot een gevangenisstraf en tot verbeurdverklaring zelf niet worden vernietigd, wordt de cassatie dus be-perkt tot de vervallenverklaring van het recht tot sturen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen die, op de burgerlijke rechtsvordering, uitspraak doen over

1. het beginsel van de aansprakelijkheid

De eiser voert geen middel aan.

2. de omvang van de schade

Het arrest kent de verweerster een provisionele vergoeding toe en houdt de uit-spraak over de overige punten van de vordering aan.

Dergelijke beslissing is geen eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en houdt geen verband met de gevallen bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over het verval van het recht tot sturen.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser tot drie vierde van de kosten en laat het overige vierde ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 27 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Samenloop van misdrijven

  • Gevolgen voor de vervallenverklaring van het recht tot sturen