- Arrest van 28 november 2013

28/11/2013 - C.13.0003.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De vordering tot herziening moet als een zelfstandige procedure worden beschouwd (1) die valt onder de kostenregeling van het Gerechtelijk Wetboek (2). (1) Zie Cass. 14 dec. 1995, AC 1995, nr. 548. (2) Zie Cass. 22 maart 2012, AR C.10.0155.N, AC 2012, nr. 191, met concl. van het OM; Cass. 4 dec. 1992, AC 1991-92, 1385.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0003.N

A.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie, handelend door tussenkomst van het aankoopcomité van de fod Financiën te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 15 maart 2011.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het is niet tegenstrijdig vast te stellen, enerzijds, dat volgens de vonnissen van 5 april 2001 en 26 april 2002 van de vrederechter te Beringen het onteigend perceel een oppervlakte heeft van 2a95ca en, anderzijds, dat volgens de inne-mingstabel, gehecht aan het onteigeningsbesluit, het onteigend perceel een opper-vlakte heeft van 2a49ca en dat de gerechtsdeskundige de waarde van de ingeno-men grond raamt op een bedrag van 498.000 frank, zijnde 2a49ca aan 2.000 frank de vierkante meter.

2. In zoverre het middel een tegenstrijdigheid in de motivering aanvoert, mist het feitelijke grondslag.

3. De appelrechters kennen, met bevestiging van het beroepen vonnis, als ver-goeding voor de waarde van de grond de door de gerechtsdeskundige vooropge-stelde vergoeding toe van 2000 frank per vierkante meter, hetzij voor een opper-vlakte van 2a49ca een bedrag 498.000 frank.

4. In zoverre het middel aanvoert dat niet kan worden uitgemaakt welke op-pervlakte de appelrechters in aanmerking nemen, mist het eveneens feitelijke grondslag.

Tweede middel

5. Artikel 16 Grondwet bepaalt dat iemand slechts tegen een billijke en voor-afgaande schadeloosstelling ten algemene nutte van zijn eigendom kan worden ontzet.

Die schadeloosstelling moet alle schadeposten omvatten die de onteigende heeft geleden en in oorzakelijk verband staan met de onteigening.

6. Krachtens artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, verwijst ieder eindvonnis, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, zelfs ambtshalve de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partij-en, die het eventueel bekrachtigt.

Krachtens artikel 1022, eerste lid, van dit wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

7. De wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte voorziet in een bij-zondere regeling krachtens welke de kosten ten laste kunnen worden gelegd van de onteigenende overheid, zelfs indien de onteigende in het ongelijk is gesteld, als dit noodzakelijk is om de onteigende te vergoeden voor de gedwongen afstand van zijn goed.

Krachtens artikel 16, tweede lid, van deze wet wordt de vordering tot herziening behandeld overeenkomstig de regels van het Gerechtelijk Wetboek.

Hieruit volgt dat de vordering tot herziening als een zelfstandige procedure moet worden beschouwd die valt onder de onder kostenregeling van het Gerechtelijk Wetboek.

8. Het middel dat ervan uitgaat dat de onteigenende overheid steeds in de kos-ten van de procedure tot herziening dient te worden veroordeeld, zelfs wanneer de onteigende in het ongelijk wordt gesteld omdat de kosten met betrekking tot deze procedure deel uitmaken van de billijke schadevergoeding bedoeld in artikel 16 Grondwet, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel faalt naar recht.

9. De eiser voert aan dat de kosten van bijstand door een raadsman in het kader van de procedure tot herziening een bestanddeel zijn van de hem krachtens artikel 16 Grondwet toekomende billijke vergoeding en dat aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag dient te worden gesteld of de toepassing van de artikelen 1017, eerste lid, en 1022 Gerechtelijk Wetboek op de procedure tot herziening, de artikelen 10, 11 en 16 Grondwet schenden.

10. Aangezien de voorgestelde prejudiciële vraag berust op een onjuiste rechts-opvatting, bestaat er geen aanleiding tot het stellen van deze vraag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 553,85 euro en voor de verweerder op 174,29 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 28 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky K. Moens B. Wylleman

G. Jocqué A. Smetryns E. Dirix

Vrije woorden

  • Gerechtskosten

  • Onteigeningswet 1962

  • Herzieningsprocedure

  • Aard

  • Gevolg

  • Kostenregeling