- Arrest van 3 december 2013

03/12/2013 - P.13.1856.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens artikel 47ter, §1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering worden bijzondere opsporingsmethoden aangewend met onder meer als doel het vervolgen van daders van misdrijven; tot die vervolging behoort ook de arrestatie van die daders, zodat de bijzondere opsporingsmethode infiltratie aangewend kan worden om de arrestatie van een verdachte mogelijk te maken of te vergemakkelijken (1). (1) H. Berkmoes en J. Delmulle, De bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden, Uitgeverij Politeia nv., 38ev.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1856.N

M A H,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Jean Flamme, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 19 november 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest stelt de zaak op grond van de artikelen 235bis en 235quater Wet-boek van Strafvordering in voortzetting op een latere rechtszitting teneinde de controle van de toegepaste bijzondere opsporingsmethode infiltratie uit te voeren. Aldus bevat het arrest geen eindbeslissing en doet het evenmin uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep voorbarig, mits-dien niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede "bete-kening van een vervallen bevel tot aanhouding": het arrest oordeelt ten onrechte dat het internationaal bevel tot aanhouding van 20 april 2012, dat aan de eiser werd betekend op 12 oktober 2013, niet vervallen is; na dat bevel werd een nieuw internationaal bevel tot aanhouding verleend op 25 juni 2012, waardoor het vorige bevel verviel; eisers vrijheidsberoving en bijgevolg ook de betekening van het op 12 oktober 2013 verleende bevel tot aanhouding waren onwettig; dat dergelijk be-vel slechts de waarde heeft van een bevel tot medebrenging, zoals het arrest oor-deelt, doet daaraan geen afbreuk; het arrest beantwoordt eisers verweer niet.

3. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

4. Met de redenen die het middel vermeldt, beantwoordt het arrest eisers ver-weer.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

5. Het arrest stelt vast dat de bevelen tot aanhouding van 20 april 2012 en 25 juni 2012 bij verstek werden verleend.

6. Krachtens artikel 34, § 2, Voorlopige Hechteniswet kan de onderzoeksrech-ter, wanneer het bevel tot aanhouding bij verstek uitgevoerd wordt vóór de beëin-diging van het onderzoek, na verhoor van de inverdenkinggestelde een nieuw be-vel tot aanhouding uitvaardigen. Dit nieuwe aanhoudingsbevel moet aan de inver-denkinggestelde worden betekend binnen vierentwintig uren te rekenen van de betekening op het Belgisch grondgebied van het bevel tot aanhouding bij verstek, welke betekening moet geschieden binnen vierentwintig uur van de aankomst of de vrijheidsberoving op het Belgisch grondgebied.

7. Het arrest oordeelt dat de eiser bij zijn binnenkomst in België op 12 oktober 2013 werd gearresteerd, waarbij hem een bevel tot aanhouding bij verstek werd betekend, en dat op dezelfde dag de onderzoeksrechter tegen hem een bevel tot aanhouding heeft verleend dat hem eveneens op dezelfde dag werd betekend.

Aangezien het bevel tot aanhouding aldus aan de eiser werd betekend binnen vier-entwintig uren van zijn effectieve vrijheidsberoving op het Belgisch grondgebied, heeft het geen belang meer of het aan de eiser betekende internationale bevel tot aanhouding bij verstek al dan niet vervallen was. Die betekening was immers niet vereist om de eiser van zijn vrijheid te beroven.

In zoverre is het middel dat niet tot cassatie kan leiden, niet ontvankelijk.

Tweede middel

Eerste onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 47novies Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht van ver-dediging: de processen-verbaal, bedoeld in artikel 47novies, § 2, Wetboek van Strafvordering, werden niet uiterlijk na het beëindigen van de infiltratie bij het strafdossier gevoegd, maar slechts daags vóór de rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling, zodat ze zich niet in het strafdossier bevonden bij de be-handeling van de zaak voor de raadkamer; het arrest beantwoordt eisers verweer daarover niet.

9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser het bedoelde verweer voor de appelrechters heeft gevoerd.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5 EVRM, artikel 167 Grond-wet en de artikelen 47ter en 47quinquies Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van "het principe van non interventie": het arrest oordeelt ten onrechte dat de aanwending van de bijzondere opsporingsmethode infiltratie voor het lokken van een vreemdeling naar België om deel te nemen aan een geveinsd film-project, teneinde hem hier te arresteren, rechtsgeldig is; deze "exfiltratie" is geen bijzondere opsporingsmethode meer, maar een niet wettelijk bepaalde aanhou-dingsmethode; een dergelijke handelwijze maakt oplichting uit, terwijl er zich in het strafdossier geen machtiging tot het plegen van misdrijven bevindt; de "exfil-tratie" werd gebruikt om de dwingende regels met betrekking tot de uitlevering vanuit Somalië te omzeilen.

11. In zoverre het onderdeel een controle op de toegepaste bijzondere opspo-ringsmethode infiltratie vereist, waarvan het arrest de behandeling naar een vol-gende rechtszitting heeft uitgesteld, is het gericht tegen een beslissing waarvoor het cassatieberoep niet ontvankelijk is.

In zoverre behoeft het onderdeel, dat geen betrekking heeft op de ontvanke-lijkheid van het cassatieberoep, geen antwoord.

12. In zoverre het onderdeel gericht is tegen de handelwijze van de federale procureur en niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.

13. Krachtens artikel 47ter, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering wor-den bijzondere opsporingsmethoden aangewend met onder meer als doel het ver-volgen van daders van misdrijven. Tot die vervolging behoort ook de arrestatie van die daders. Bijgevolg kan de bijzondere opsporingsmethode infiltratie aange-wend worden om de arrestatie van een verdachte mogelijk te maken of te verge-makkelijken.

Dat de arrestatie betrekking heeft op een vreemdeling die door de aanwending van de infiltratie overtuigd wordt vrijwillig, dit is zonder fysieke of morele dwang, een beschermd milieu in het buitenland te verlaten, doet aan het voorgaande geen afbreuk.

In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

14. Het arrest oordeelt prima facie dat:

- de eiser een vrije en bewuste keuze heeft gemaakt om naar België te reizen, waarbij hij zich ervan rekenschap moest geven dat hij zich blootstelde aan mo-gelijke vervolging door de Belgische gerechtelijke overheid;

- er van enige fysieke of morele dwang door de infiltranten geen sprake was, zo-dat het gebruik van de term "ontvoering" kant noch wal raakt;

- de gestelde handelingen geen oplichting uitmaken omdat zij niet werden gesteld om de eiser daadwerkelijk verbintenissen in het kader van een filmpro-ject te doen afsluiten, maar wel om hem het Belgische grondgebied te doen be-treden zodat hij kon gearresteerd worden;

- de omstandigheid dat niet geopteerd werd voor een uitleveringsverzoek, de toepassing van de infiltratie niet in de weg stond, enerzijds omdat de eiser vol-gens eigen inzicht besliste Somalië te verlaten en naar België af te reizen, daar waar een uitleveringsverzoek dwang vereist, anderzijds omdat Somalië, waar-mee België geen uitleveringsverdrag heeft, naar algemene bekendheid een zeer onstabiele natie is, waarvan niet redelijk kan aangenomen worden dat het een rechtsstaat is waaraan op zinnige wijze een uitleveringsverzoek kan worden ge-richt en waar de eiser bovendien een dominante positie bekleedt.

Aldus verantwoordt het arrest de prima facie beslissing dat de bijzondere opspo-ringsmethode infiltratie regelmatig is toegepast, naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Derde middel

15. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 29 van het verdrag van Wenen en van artikel 1 (lees: 1bis) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de diplomatieke immuniteit: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser geen diplomatieke immuniteit heeft; eisers aanhouding is nietig; de Belgische rechtbanken hebben ten aanzien van hem geen rechtsmacht.

16. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

17. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

18. Het arrest oordeelt dat de eiser geen diplomatieke immuniteit heeft omdat:

- de door hem aangevoerde immuniteit geenszins aannemelijk wordt gemaakt;

- zijn Somalisch diplomatiek reispaspoort een reisdocument is, afgeleverd door de vorige regering, doch niets meer;

- uit geen enkel betrouwbaar gegeven blijkt dat hij moet gerekend worden tot één van de categorieën van personen die worden vermeld in artikel 1bis Voor-afgaande Titel Wetboek van Strafvordering;

- de neergelegde documenten, volgens welke hij in Somalië de hoedanigheid van ‘Anti piracy officer' (in het arrest vertaald als: anti-piraterij-officier) zou hebben verkregen, de ingeroepen diplomatieke status evenmin aannemelijk maken;

- uit geen enkel gegeven blijkt dat hij het land is binnengekomen in het kader van een door de Belgische Staat erkende diplomatieke missie;

- zijn motieven om België binnen te komen trouwens puur op persoonlijk vlak (onderhandeling over het filmproject) lagen en geen uitstaans hadden met enige overheidsfunctie die hij in Somalië zou bekleden;

- een adviseur van de Dienst Internationale Gerechtelijke Samenwerking van de fod Buitenlandse Zaken schriftelijk heeft bevestigd dat er op hem geen diplo-matieke immuniteit van toepassing is en dat een diplomatiek paspoort niets meer is dan een reisdocument en geen recht geeft op immuniteit.

Op grond van die redenen is de beslissing dat niet vaststaat dat de eiser zich kan beroepen op diplomatieke immuniteit als bedoeld in artikel 1bis Voorafgaande Ti-tel Wetboek van Strafvordering, naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet aangenomen worden.

Vierde middel

19. Het middel voert schending aan van artikel 6.3 EVRM, alsmede miskenning van het gelijkheidsbeginsel: het arrest oordeelt ten onrechte dat eisers rechten niet miskend zijn doordat het strafdossier niet is vertaald in het Somali, omdat hij de bijstand heeft van een tolk en een raadsman die de Nederlandse taal beheerst; de eiser beheerst geen van de landstalen, zodat zijn recht om onverwijld kennis te nemen van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen en hun bijzonderheden door een gebrek aan vertaling is miskend; de eiser kan ook met zijn raadsman niet communiceren en het openbaar ministerie stelt hem voor deze gesprekken geen tolk ter beschikking.

20. In zoverre het middel gericht is tegen de handelwijze van het openbaar mi-nisterie of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegd-heid heeft, is het niet ontvankelijk.

21. Artikel 6 EVRM heeft in de regel enkel betrekking op de uitoefening van het recht van verdediging voor de vonnisgerechten en niet op de rechtspleging in-zake voorlopige hechtenis.

In zoverre faalt het middel naar recht.

22. Noch de Voorlopige Hechteniswet noch de Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat de inverdenkinggestelde die de taal van de rechtspleging niet kent, in het kader van de procedure van voorlopige hechtenis recht heeft op vertaling van het dossier in zijn eigen taal. Hierdoor wordt het gelijkheidsbeginsel niet miskend.

23. Voor het onderzoeksgerecht dat uitspraak doet over de voorlopige hechte-nis, is het recht van verdediging geëerbiedigd wanneer de inverdenkinggestelde die de taal van de rechtspleging niet kent, wordt bijgestaan door een beëdigde tolk die hem op de hoogte brengt van de tegen hem ingebrachte beschuldiging en zijn advocaat de kans krijgt om er zijn verweermiddelen zowel mondeling als schriftelijk voor te dragen.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

24. Het arrest oordeelt dat de eiser bij elk verhoor werd bijgestaan door een be-edigde Somalische tolk en dat hij wordt bijgestaan door een raadsman die de Ne-derlandse taal machtig is en die in conclusie uiteenzet dat hij met de eiser conver-seert via een tolk, zodat hij in staat is te weten wat hem ten laste wordt gelegd en welke belastende elementen het strafdossier bevat en hij zijn verweer kan voeren en organiseren.

Aldus verantwoordt het arrest de beslissing dat eisers recht van verdediging niet is miskend, naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Vijfde middel

25. Het middel voert schending aan van artikel 1 EVRM, alsmede misbruik van procedure: gelet op de illegaliteit van eisers aanhouding en de miskenning van zijn fundamentele rechten, kunnen de Belgische hoven en rechtbanken de procedure tegen hem niet verderzetten.

26. Het middel preciseert niet hoe en waardoor het arrest artikel 1 EVRM schendt en eisers fundamentele rechten miskent.

In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

27. Het Hof heeft geen rechtsmacht om de invrijheidstelling van de eiser te be-velen.

In zoverre het middel dergelijk verzoek inhoudt, is het evenmin ontvankelijk.

Zesde middel

28. Het middel voert schending aan van artikel 6.3 EVRM, alsmede dat er geen aanwijzingen van schuld tegen de eiser bestaan; de verklaringen van getuigen waarvan de geloofwaardigheid niet werd getoetst, kunnen geen basis vormen voor een veroordeling.

29. Het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet be-voegd is.

30. Voor het overige is de aangevoerde schending van artikel 6.3 EVRM afge-leid uit de vergeefse aanvoering over het gebrek aan aanwijzingen van schuld.

31. Het middel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

32. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 104,01 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 3 december 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Onderzoek

  • Bijzondere opsporingsmethoden

  • Infiltratie

  • Gevolgen

  • Arrestatie en vervolging