- Arrest van 19 december 2013

19/12/2013 - F.12.0125.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Onder de in artikel 282, §3, tweede lid, van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO) gebruikte bewoordingen 'gronden waarop niet kan worden gebouwd' die niet aan de belasting op de niet-bebouwde gronden onderworpen zijn, moet worden begrepen gronden die ingevolge hun feitelijke ligging, constellatie of eigenschappen redelijkerwijze niet voor bebouwing in aanmerking komen (1).(1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0125.N

GEMEENTE SCHAARBEEK, vertegenwoordigd door het college van burge-meester en schepenen, met kantoor te 1030 Brussel, Collignonplein,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

DIRIMMO nv, met zetel te 1030 Brussel, Dokter Elie Lambottestraat 185,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 5 april 2012.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 21 juni 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Derde onderdeel

Ontvankelijkheid

1. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het middel is nieuw omdat de eiseres voor de appelrechters niet heeft aangevoerd dat gronden waarop niet kan worden gebouwd, deze zijn die ingevolge hun feitelijke ligging, constellatie of eigenschappen niet voor bebouwing in aanmerking kunnen komen.

2. Het onderdeel dat is afgeleid uit de schending van wettelijke bepalingen die de appelrechters hebben toegepast, is niet nieuw.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

3. Artikel 282, § 1, eerste lid, 2°, van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO) bepaalt dat de gemeenten buiten de opcentiemen op de onroe-rende voorheffing, een jaarlijkse belasting kunnen heffen op de niet-bebouwde gronden, gelegen in het woongebied van een door de Regering goedgekeurd of vastgesteld bestemmingsplan en palende aan een openbare weg die, gelet op de plaatselijke toestand, voldoende is uitgerust.

Artikel 282, § 3, tweede lid, BWRO bepaalt dat de in § 1, eerste lid, 2°, bedoelde belasting niet geheven wordt voor de gronden waarop krachtens een overheidsbe-slissing niet mag worden gebouwd, of wanneer daarop niet kan worden gebouwd.

4. Artikel 6, eerste lid, 3°, van het in toepassing van artikel 282, § 1, eerste lid, 2°, genomen gemeentelijk belastingreglement van de eiseres van 20 oktober 2004 houdende de gemeentebelasting op de niet-bebouwde gronden gelegen aan de openbare weg die voldoende is uitgerust (dienstjaren 2005 tot 2009) zoals goed-gekeurd op de gemeenteraad van 20 oktober 2004, bepaalt, in navolging van arti-kel 282, § 3, tweede lid, BWRO, dat van deze belasting is vrijgesteld de natuurlij-ke of rechtspersoon die eigenaar is van gronden waarop krachtens een overheids-beslissing niet mag gebouwd worden, of waarop niet kan gebouwd worden.

5. Uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot artikel 282, § 3, tweede lid, BWRO blijkt dat onder "gronden waarop niet kan worden gebouwd" moet wor-den begrepen gronden die ingevolge hun feitelijke ligging, constellatie of eigen-schappen redelijkerwijze niet voor bebouwing in aanmerking komen.

6. De appelrechters stellen vast dat:

- de verweerster op 27 februari 2004 een aanvraag tot stedenbouwkundige ver-gunning voor een op te richten appartementsgebouw heeft ingediend;

- de stedenbouwkundige vergunning werd geweigerd en de administratieve be-roepen tegen deze beslissing werden verworpen;

- de geweigerde stedenbouwkundige aanvraag van 27 februari 2004 dezelfde is als de stedenbouwkundige vergunning die zij reeds op 27 juni 2000 verkreeg en zelfs gedeeltelijk uitvoerde totdat de werken in 2002 werden stopgezet in-gevolge het faillissement van de aannemer.

5. Door op deze enkele gronden te oordelen dat zich te dezen de situatie voor-doet waarin op de betrokken grond niet kan worden gebouwd en de verweerster derhalve recht heeft op vrijstelling van de belasting op onbebouwde percelen, ver-antwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Overige grieven

De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 19 december 2013 uitgesproken door voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen B. Wylleman F. Van Volsem

G. Jocqué A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Brussels Gewest

  • Belasting op niet-bebouwde gronden

  • Gronden waarop niet kan worden gebouwd