- Arrest van 31 december 2013

31/12/2013 - P.13.1988.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het staat aan het onderzoeksgerecht de in artikel 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874 opgelegde algemene weigeringsvoorwaarde te onderzoeken en te dien einde, op grond van een onaantastbare beoordeling in feite, na te gaan of er geen ernstige en duidelijke reden bestaat waaruit blijkt dat het onmogelijk is aan die voorwaarde te voldoen; het Hof gaat enkel na of dat gerecht uit de feiten die het vaststelt geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen (1). (1) Zie: Cass. 28 mei 2008, AR P.08.0680.F, AC 2008, nr. 327; Cass. 24 juni 2009, AR P.09.0355.F, AC 2009, nr. 436.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1988.N

PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWER-PEN,

eiser,

tegen

A E,

persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd,

verweerder,

met als raadsman mr. Raf Jespers, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 november 2013.

De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874: het arrest kan uit de vaststelling dat de redelijke termijn van verweerders voorlopige hechtenis ruimschoots werd overschreden, niet afleiden dat ook na zijn uitlevering de redelijke termijn zal worden overschreden en dat hij geen aanspraak meer zal kunnen maken op een eerlijk proces, zodat er een ernstig risico op flagrante rechtsweigering bestaat; het begrip flagrante rechtsweigering heeft een beperkte draagwijdte en viseert enkel de meest ernstige schendingen van de artikelen 5 en 6 EVRM; het arrest houdt geen rekening met de omstandigheden dat het uitleveringsverzoek waarborgen verstrekt die een mogelijke flagrante rechtsweigering na uitlevering neutraliseren, dat de rechter die nog zal oordelen over de gegrondheid van de strafvordering rekening kan houden met de overschrijding van de redelijke termijn en dat de eiser in Turkije geen levenslange opsluiting riskeert.

1. Krachtens artikel 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874, ingevoegd bij arti-kel 4 van de wet van 15 mei 2007, kan geen uitlevering worden toegestaan wan-neer ernstige risico's bestaan dat de persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat wordt onderworpen aan een flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling.

2. Uit de voorbereidende werken van de wet van 15 mei 2007 blijkt dat het bestaan van ernstige risico's op flagrante rechtsweigering inhoudt dat de uitgele-verde persoon in de verzoekende Staat met enige graad van waarschijnlijkheid het voorwerp zal uitmaken van de meest ernstige schendingen van de artikelen 5 en 6 EVRM, dit rekening houdend met de evoluerende rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

3. Het staat aan het onderzoeksgerecht de door de vermelde bepaling opgeleg-de algemene weigeringsvoorwaarde te onderzoeken en te dien einde, op grond van een onaantastbare beoordeling in feite, na te gaan of er geen ernstige en dui-delijke reden is waaruit blijkt dat het onmogelijk is aan die voorwaarde te voldoen. Het Hof gaat enkel na of dat gerecht uit de feiten die het vaststelt geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.

4. De appelrechters oordelen dat bij uitlevering aan Turkije, waar de eiser een levenslange opsluiting onder verzwaard regime riskeert, er ernstige risico's bestaan dat hij wordt onderworpen aan flagrante rechtsweigering omdat:

- hij in Turkije werd aangehouden op 28 mei 2001 en aangehouden bleef tot hij door het hof van assisen op 31 december 2009 werd veroordeeld tot een ge-vangenisstraf van tien jaar, vonnis dat op 26 januari 2011 door het Turkse Hof van Cassatie werd vernietigd;

- het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bij arrest van 11 juli 2006 met betrekking tot het overlijden in de gevangenis van een medebetrokkene in de-zelfde zaak, heeft vastgesteld dat Turkije artikel 13 EVRM heeft geschonden;

- ingevolge zijn verzoekschrift van 25 september 2007 op grond van artikel 5.3 EVRM, het vermelde Hof op 21 juni 2011 akte verleende van de minnelijke schikking, waarbij de Turkse regering zich verbonden heeft hem in dat verband een schadevergoeding van 10.000 euro te betalen.

6. Uit de omstandigheid dat een procedure werd verbroken en aanleiding gaf tot schadeloosstelling van de persoon waarvan de voorlopige hechtenis te lang heeft geduurd volgens de bepaling van artikel 5.3 EVRM, volgt niet dat het, op het grondgebied van de Staat waar deze onregelmatigheid plaatsvond, niet meer mogelijk is deze persoon een eerlijk proces te waarborgen met herstel van de ge-leden schade.

7. Op grond van enkel de vaststellingen die het bevat en waaruit niet blijkt dat de aangeklaagde onregelmatigheden een onherstelbaar nadeel hebben veroorzaakt, kan het arrest niet het bestaan afleiden van een ernstig risico op flagrante rechts-weigering.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Veroordeelt de verweerder tot de kosten.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldi-gingstelling, anders samengesteld.

Bepaalt de kosten op 100,16 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, afdelingsvoor-zitter Frédéric Close, en de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 31 december 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

P. Hoet F. Close J. de Codt

Vrije woorden

  • Uitlevering gevraagd aan België

  • Onderzoeksgerechten

  • Buitenlands bevel tot aanhouding

  • Exequatur

  • Weigeringsgrond

  • Ernstige risico's op flagrante rechtsweigering

  • Beoordeling

  • Aard