- Arrest van 3 januari 2014

03/01/2014 - C.12.0385.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter verantwoordt naar recht zijn beslissing dat enkel de fout van de trambestuurder is aangetoond en dat het ongeval zich zonder die fout niet zou hebben voorgedaan, wanneer hij uit zijn vaststellingen afleidt dat de trambestuurder, gelet op het beperkte zicht waarover hij beschikte en het risico op een verkeersopstopping op dat tijdstip en op die plaats alsook de specifieke remafstand van trams, had moeten anticiperen op het feit dat er een voertuig uit een van de zijstraten kon opduiken en dat het voertuig, a fortiori gezien de aanwezigheid van een zebrapad, zou moeten remmen, en dat de trambestuurder aldus, door zijn onvoorzichtig rijgedrag, artikel 27 van het koninklijk besluit van 15 september 1976 heeft geschonden (1). (1) Zie Cass. 14 maart 2012, AR P.11.1966.F, AC 2012, nr. 168.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0385.F

MAATSCHAPPIJ VOOR HET INTERCOMMUNAAL VERVOER TE BRUSSEL (MIVB),

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

M. D. M. F.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 10 februari 2012.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 12.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.

- artikel 27, § 2, van het koninklijk besluit van 15 september 1976 houdende regle-ment op de politie van personenvervoer per tram, premetro, metro, autobus en autocar.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verwerpt het verweer van de eiseres dat gegrond is op de voorrang van de spoorvoertuigen, verklaart bijgevolg de aangestelde van de eise-res aansprakelijk en veroordeelt haar om aan de verweerster het bedrag van 1.179,96 euro te betalen, vermeerderd met de compensatoire interest vanaf 17 maart 2006, de moratoire interest en de kosten, om de volgende redenen:

"Artikel 27 van het koninklijk besluit van 15 september 1976 bepaalt dat ‘de be-stuurder zijn voertuig moet vertragen of stilhouden wanneer er gevaar dreigt. De bestuurder van een spoorvoertuig moet vertragen en desnoods stoppen wanneer het ingevolge een verkeersopstopping gevaarlijk is de snelheid te behouden of verder te rijden'.

De rechtbank stelt te dezen vast dat de tram op de weg en niet in eigen bedding rijdt, zodat hij de ruimte met de andere weggebruikers moet delen.

De rechtbank wijst eveneens op de plaatsgesteldheid en op het feit dat de tram, vlak bij de plaats van het ongeval, een bocht naar links neemt, waardoor het zicht van de trambestuurder gedeeltelijk belemmerd wordt; daarom dient de trambestuurder bijzonder voorzichtig en waakzaam te zijn, temeer daar hij op de weg rijdt en daarenboven tijdens het spitsuur (wat een drukker voetgangers- en autoverkeer impliceert), op een plaats waar verschillende lijnen van openbaar vervoer elkaar kruisen.

De trambestuurder heeft, door op die manier te rijden en door zijn onvoorzichtig rijgedrag (geen verminderde snelheid; geen gebruik van de claxon; ...), het voor-melde artikel 27 geschonden, waarvoor de [eiseres] aansprakelijk moet worden gesteld.

De [eiseres] voert tevergeefs aan dat [de verweerster] zich voor de tram zou hebben gewrongen en vervolgens plots heeft moeten remmen om een voetganger te laten oversteken.

Die versie wordt immers ontkend door de getuige D. Laatstgenoemde preciseert dat het ongeval in twee fasen is verlopen: eerst stopt het voertuig Lupo voor een overstekende voetganger en daarna is de tram opgedoken en heeft deze de Lupo aangereden.

Hoewel aannemelijk is dat het voertuig Lupo aan de rechterkant van de tram is opgedoken (ingeval [de verweerster] uit de Brouwerijstraat zou zijn gekomen en het kruispunt zou zijn overgestoken om haar weg in dezelfde richting te vervolgen), ontkracht dat niet de redenering volgens welke [de verweerster] vast en zeker op die manier mocht rijden en de trambestuurder, gelet op het beperkte zicht waarover hij beschikte en het risico op een verkeersopstopping op dat tijdstip en op die plaats alsook de specifieke remafstand van trams, moest anticiperen op de mogelijkheid dat uit een van de zijstraten een voertuig kon opduiken en dat het voertuig, a fortiori gezien de aanwezigheid van een zebrapad, zou moeten remmen".

Grieven

Het bestreden vonnis beslist, kortom, dat, gelet op de plaatsgesteldheid (beperkt zicht, risico op een verkeersopstopping, aanwezigheid van een zebrapad, enz.), niet de verweerster maar de trambestuurder moest anticiperen op de mogelijkheid dat er een voertuig kon opduiken en zijn snelheid aan een mogelijk obstakel moest aanpassen:

"[De verweerster] mocht vast en zeker op die manier rijden. De trambestuurder moest anticiperen op de mogelijkheid dat uit een van de zijstraten een voertuig kon opduiken en dat het voertuig zou moeten remmen...".

Een dergelijke gedachtegang houdt geen rekening met artikel 12.1 van het wegverkeersreglement, volgens hetwelk "elke weggebruiker voorrang moet verlenen aan de spoorvoertuigen; daartoe moet hij zich zo snel mogelijk van de sporen verwijderen".

Die verplichting om voorrang te verlenen aan spoorvoertuigen is een algemene verplichting waarvan niet wordt afgeweken: ze is ingegeven door het feit dat spoorvoertuigen, in tegenstelling tot andere voertuigen, moeilijk kunnen vertragen en over een korte afstand tot stilstand kunnen komen.

Uit die verplichting kan worden afgeleid dat de verweerster, in tegenstelling tot wat het bestreden vonnis beslist, gelet op de plaatsgesteldheid niet op die wijze mocht rijden, zonder rekening te houden met het risico op een verkeersopstopping. Zij moest zelf anticiperen op de mogelijkheid dat er een tram kon opduiken en dat een voetganger de rijbaan kon oversteken.

De verwijzing van het vonnis naar artikel 27, § 2, van het koninklijk besluit van 15 september 1976, dat de trambestuurder verplicht te vertragen en zo nodig bij een verkeersopstopping te stoppen, kan de beslissing die elke tekortkoming van de verweerster uitsluit, niet verantwoorden.

Daaruit volgt dat de beslissing die, om de voormelde redenen, de aangestelde van de eiseres voor het litigieuze ongeval aansprakelijk stelt, het voormelde artikel 12.1 van het wegverkeersreglement schendt en bovendien artikel 27 van het koninklijk besluit van 15 december 1976 onwettig toepast.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Artikel 12.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg bepaalt dat elke weggebruiker voorrang moet verlenen aan de spoorvoertui-gen en dat hij zich daartoe zo snel mogelijk van de sporen moet verwijderen.

Krachtens artikel 27, § 2, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 september 1976 houdende reglement op de politie van personenvervoer per tram, premetro, metro, autobus en autocar, moet de in dat besluit bedoelde bestuurder zijn voertuig vertragen of stilhouden wanneer er gevaar dreigt en moet de be-stuurder van een spoorvoertuig vertragen en desnoods stoppen wanneer het ten gevolge van een verkeersopstopping gevaarlijk is de snelheid te behouden of ver-der te rijden.

Het bestreden vonnis stelt vast dat "zich er op 17 maart 2006, rond 8.40 uur, een verkeersongeval heeft voorgedaan in de Brouwerijstraat (ter hoogte van het Fla-geyplein), waarbij, enerzijds, het voertuig VW Lupo van en bestuurd door [de verweerster] en, anderzijds, de tram [...] van [de eiseres] was betrokken", dat "de tram op de weg en niet in eigen bedding rijdt, zodat hij de ruimte met de andere weggebruikers moet delen", dat "de [eiseres] tevergeefs aanvoert dat [de verweerster] zich voor de tram zou hebben gewrongen en vervolgens plots heeft moeten remmen om een voetganger te laten oversteken", aangezien "het ongeval in twee fasen is verlopen: eerst stopt het voertuig Lupo voor een overstekende voetganger en daarna is de tram opgedoken en heeft deze de Lupo aangereden".

Het bestreden vonnis beslist, enerzijds, dat, gelet op "de plaatsgesteldheid en op het feit dat de tram, vlak bij de plaats van het ongeval, een bocht naar links neemt, waardoor het zicht van de trambestuurder gedeeltelijk belemmerd wordt", "[...] de trambestuurder bijzonder voorzichtig en waakzaam [diende] te zijn, temeer daar hij op de weg [reed] en daarenboven tijdens het spitsuur (wat een drukker voetgangers- en autoverkeer impliceert), op een plaats waar verschillende lijnen van openbaar vervoer elkaar kruisen", en, anderzijds, dat "hoewel aannemelijk is dat het voertuig Lupo aan de rechterkant van de tram is opgedoken (ingeval [de verweerster] uit de Brouwerijstraat zou zijn gekomen en het kruispunt zou zijn overgestoken om haar weg in dezelfde richting te vervolgen), dat niet de redenering ontkracht volgens welke [de verweerster] vast en zeker op die manier mocht rijden".

Het bestreden vonnis, dat uit die vermeldingen afleidt dat "de trambestuurder, gelet op het beperkte zicht waarover hij beschikte en het risico op een verkeersop-stopping op dat tijdstip en op die plaats alsook de specifieke remafstand van trams, moest anticiperen op de mogelijkheid dat uit een van de zijstraten een voertuig kon opduiken en dat het voertuig, a fortiori gezien de aanwezigheid van een zebrapad, zou moeten remmen", en dat "de trambestuurder, door op die manier te rijden en door zijn onvoorzichtig rijgedrag (geen verminderde snelheid; geen gebruik van de claxon; ...), artikel 27 [van het koninklijk besluit van 15 september 1976] heeft geschonden", verantwoordt naar recht zijn beslissing dat "alleen de fout van de trambestuurder is aangetoond" en dat "het ongeval zich zonder die fout niet zou hebben voorgedaan".

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 3 januari 2014 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koenraad Moens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Spoorvoertuig

  • Verplichting van de bestuurder

  • Draagwijdte

  • Oorzakelijk verband