- Arrest van 10 januari 2014

10/01/2014 - F.12.0081.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek, volgens hetwelk de rechtbank van eerste aanleg kennisneemt van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet, houdt geen verband met de grief inzake het al dan niet discretionair karakter van de bevoegdheid van de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, inzake vrijstelling van de verwijlinteresten betreffende niet-betaalde successierechten (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2014, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0081.F

J. T.,

Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 11 mei 2011.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 13 december 2013 een conclusie neer-gelegd ter griffie.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 144 en 145 van de Grondwet ;

- artikel 141bis van het Wetboek van successierechten ;

- de artikelen 569, eerste lid, inzonderheid 32°, 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel betreffende de scheiding der machten.

Aangevochten beslissingen

Het arrest wijzigt het vonnis van de eerste rechter in zijn geheel, behalve in zoverre de eerste rechter de vordering wat betreft de geldboete niet-gegrond heeft verklaard, zegt voor recht dat de eiseres de nog niet betaalde rechten, interest en geldboeten op de nalatenschap van wijlen J.T. verschuldigd is en veroordeelt de eiseres tot de kosten van de beide aanleggen, op grond dat de interest "bij wet is bepaald (artikelen 81 en 82 van het Wetboek van successierechten) en van rechtswege opeisbaar is" en dat "artikel 141bis van het wetboek bepaalt wat volgt: ‘In bijzondere gevallen mag de bevoegde gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling verlenen voor alle in artikel 81 bedoelde interesten of voor een deel ervan'".

Het arrest beslist vervolgens dat "(artikel 141bis van het Wetboek van successierechten) de gewestelijke directeur een discretionaire en onaantastbare beoordelingsbevoegdheid toekent om een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de interest te verlenen, maar doet geen enkel subjectief recht op vrijstelling van de betaling van de interest ontstaan;

de administratie die op grond van haar discretionaire bevoegdheid een beslissing neemt, over een beoordelingsvrijheid beschikt die haar de mogelijkheid biedt zelf te oordelen over de wijze waarop ze haar bevoegdheid uitoefent en de meest geschikt lijkende oplossing te kiezen binnen de door de wet gestelde grenzen (Cass. 4 maart 2004, C.03.0346.N-C.03.0448.N, juridat.be);

de rechterlijke macht een toetsing van volle rechtsmacht uitoefent op de beslissing van de gewestelijke directeur; op voorwaarde dat het recht van verdediging geëerbiedigd wordt en de grenzen van het geding, zoals ze door de partijen zijn bepaald, niet overschreden worden, alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de directeur valt, onder de controle van de rechterlijke macht valt, behoudens wanneer een bijzondere bepaling, te dezen het voormelde artikel 141bis, uitdrukkelijk aan de directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing, in welk geval de rechter de directeur zijn beoordelingsvrijheid niet mag ontnemen en niet in zijn plaats mag treden (Cass., 24 januari 2000, AC, nr. 61 ; Cass., 2 februari 1998, AC, 1998, nr. 57 ; Cass., 10 juni 1996, AC, nr. 227, met conclusie van eerste advocaat-generaal Leclercq in Pas., 1996);

de rechterlijke macht dus niet bevoegd is om de interest kwijt te schelden, in zoverre de belastingplichtige geen werkelijk subjectieve recht op die kwijtschelding van de interest heeft, maar enkel kan nagaan of de gevorderde interest wettig verschuldigd is, wat te dezen het geval is;

in tegenstelling tot geldboeten die een strafrechtelijk karakter vertonen, wat krachtens de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, impliceert dat de rechter een toezicht van volle rechtsmacht moet kunnen uitoefenen op de administratieve beslissing die de kwijtschelding of vermindering van een fiscale geldboete weigert (GwH, nr. 79/2008, 15 mei 2008), de betaling van een interest geen strafrechtelijke sanctie is maar de tegenprestatie voor de laattijdige betaling van de belasting;

de oorspronkelijke vordering dus niet gegrond is".

Grieven

Geschillen over burgerlijke rechten behoren luidens artikel 144 van de Grondwet uitsluitend tot de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde. Volgens artikel 145 van de Grondwet behoren geschillen over politieke rechten tot de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen.

Geschillen over een belastingwet, ongeacht of ze burgerlijke dan wel politieke rechten betreffen, behoren volgens de artikelen 569, eerste lid, inzonderheid 32°, 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek uitsluitend tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg. De desbetreffende bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg is een bevoegdheid van volle rechtsmacht.

Volgens artikel 141bis van het Wetboek van successierechten mag de gewestelijke directeur van de registratie, in bijzondere gevallen en onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling verlenen voor alle in artikel 81 van hetzelfde wetboek bedoelde verwijlinteresten of voor een deel ervan. Zijn beslissing kan worden betwist voor de rechtbank van eerste aanleg, die kennisneemt van alle geschillen over de toepassing van de belastingwet en die in het kader van die geschillen met volle rechtsmacht uitspraak doet, zoals bepaald in de artikelen 569, eerste lid, 32°, 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.

Eerste onderdeel

De gewestelijke directeur van de registratie die beslist over een verzoek tot vrijstelling van de verwijlinterest dat is ingesteld op grond van 141bis van het Wetboek van successierechten, oefent hierbij geen discretionaire bevoegdheid uit, in zoverre hij zich bij het nemen van zijn beslissing moet beperken tot de in die bepaling bedoelde bijzondere gevallen. Het begrip bijzonder geval, in de zin van artikel 141bis van het Wetboek van successierechten, is immers een wettelijk begrip, ook al worden die bijzondere gevallen niet opgesomd in de wet. De rechtbank van eerste aanleg en, vervolgens, het hof van beroep oefenen derhalve een controle van volle rechtsmacht uit op de beslissing van de directeur van de registratie en op zijn toepassing van het begrip bijzonder geval, wanneer de belastingplichtige de beslissing van de directeur van de registratie in rechte betwist.

Het arrest dat het vonnis van de eerste rechter wijzigt en de oorspronkelijke vordering van de eiseres niet-gegrond verklaart, op grond dat, in substantie, artikel 141bis van het Wetboek van successierechten de directeur van de registratie de discretionaire en onaantastbare bevoegdheid toekent om voor de verwijlinterest al dan niet vrijstelling te verlenen en de rechterlijke macht niet bevoegd is om de verwijlinterest kwijt te schelden, wanneer de directeur van de registratie het desbetreffende verzoek van de belastingplichtige heeft verworpen, maar dat de rechterlijke macht enkel kan nagaan of de gevorderde interest wettig verschuldigd is, wat te dezen het geval is, schendt bijgevolg artikel 141bis van het Wetboek van successierechten, in de mate dat de directeur van de registratie, in tegenstelling tot wat het arrest beslist, in die aangelegenheid niet over een discretionaire bevoegdheid beschikt maar gebonden is door het begrip ‘bijzondere gevallen', be-doeld in artikel 141bis van het Wetboek van successierechten, en schendt de artikelen 569, eerste lid, 32°, 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, in de mate dat de rechtbank van eerste aanleg, die kennisneemt van het beroep van de belastingplichtige tegen de beslissing van de directeur van de registratie, een bevoegdheid van volle rechtsmacht uitoefent, wat impliceert dat de rechtbank haar eigen beoordeling van het bijzondere geval en van de voorwaarden voor de vrijstelling van de verwijlinterest in de plaats kan stellen van die van de directeur van de registratie.

Tweede onderdeel

Zelfs als artikel 141bis van het Wetboek van successierechten in die zin moet worden uitgelegd dat het de gewestelijke directeur van de registratie een discretionaire bevoegdheid verleent wanneer hij beslist over een aanvraag tot kwijtschelding van de verwijlinterest, zoals het arrest beslist, is een dergelijke - zelfs discretionaire - bevoegdheid daarom nog geen arbitraire bevoegdheid. De directeur van de registratie moet zijn beslissing in dat opzicht immers met redenen omkleden, aangezien die beslissing een administratieve handeling met een individuele draagwijdte is. Zelfs in de onderstelling dat hij ter zake een discretionaire bevoegdheid uitoefent, moet hij ook nagaan of hij te maken heeft met een bijzonder geval in de zin van de voormelde bepaling. Het begrip bijzonder geval vormt bovendien een wettelijk begrip en het Hof is bevoegd om toezicht te houden op de toepassing daarvan door de feitenrechter.

Wanneer de gewestelijke directeur van de registratie het verzoekschrift dat de belastingplichtige heeft ingediend op grond van artikel 141bis van het Wetboek van successierechten geheel of gedeeltelijk verwerpt en die belastingplichtige die administratieve beslissing wil betwisten, ontstaat er tussen de belastingplichtige en de administratie een geschil over een belastingwet in de zin van artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek. Krachtens de voormelde bepaling is enkel de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om daarvan kennis te nemen. In die context oefent de rechtbank van eerste aanleg een bevoegdheid van volle rechtsmacht uit op de beslissing van de directeur, net als die welke ze uitoefent in alle geschillen over de toepassing van een belastingwet die haar worden voorgelegd: de rechtbank van eerste aanleg kan, mits ze het recht van verdediging eerbiedigt en binnen de door de partijen bepaalde grenzen van het geding blijft, in dit geval haar eigen beoordeling van het begrip bijzonder geval in de zin van artikel 141bis van het Wetboek van successierechten en van de voorwaarden voor de vrijstelling van de verwijlinterest in de plaats stellen van die van de gewestelijke directeur, daar al wat onder de beoordelingsbevoegheid van de gewestelijke directeur valt ook onder de beoordelingsbevoegdheid van de gewone rechter valt. Kortom, de wetgever, die de rechtbank van eerste aanleg de bevoegdheid van volle rechtsmacht heeft verleend om zonder enige uitzondering of beperking te oordelen over de geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet, heeft die rechtbank in staat willen stellen op de kwijtschelding van de verwijlinterest een toezicht van volle rechtsmacht uit te oefenen dat even uitgebreid is als het toezicht indien de beslissing van de directeur van de registratie niet de uitdrukking van een discretionaire bevoegdheid zou zijn. In beide gevallen is immers de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om kennis te nemen van het beroep van de belastingplichtige, zijn het dezelfde bepalingen die van toepassing zijn en is het derhalve niet denkbaar dat de rechtbank van eerste aanleg, die uitspraak doet in een geschil waarin ze haar volle rechtsmacht uitoefent, in één geval over ruimere bevoegdheden zou beschikken dan in het andere, aangezien dezelfde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, te weten de artikelen 569, eerste lid, 32°, 1385decies en 1385undecies, van toepassing zijn op beide gevallen.

Hieruit volgt dat het arrest dat het vonnis van de eerste rechter wijzigt en de oorspronkelijke vordering van de eiseres niet-gegrond verklaart, op grond dat, in substantie, artikel 141bis van het Wetboek van successierechten de directeur van de registratie een discretionaire en onaantastbare beoordelingsbevoegdheid verleent met betrekking tot de vrijstelling van de verwijlinterest en de rechterlijke macht niet bevoegd is om die interest kwijt te schelden, in de mate dat de belastingplichtige geen werkelijk subjectief recht heeft op de kwijtschelding van die interest, maar dat de rechterlijke macht enkel kan nagaan of de gevorderde interest wettig verschuldigd is, wat te dezen het geval is, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt, aangezien al wat onder de beoordelingsbevoegdheid - zelfs de discretionaire bevoegdheid - van de directeur van de registratie valt, noodzakelijkerwijs ook onder de beoordelingsbevoegdheid valt van de rechtbank van eerste aanleg en, vervolgens, van het hof van beroep, dat uitspraak doet in geschillen waarin het zijn volle rechtsmacht uitoefent (schending van de artikelen 569, eerste lid, 32°, 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek), wat betekent dat de rechtbank haar eigen beoordeling van het begrip bijzonder geval en van de voorwaarden voor de vrijstelling in de plaats moet kunnen stellen van die van de directeur van de registratie (schending van artikel 141bis van het Wetboek van successierechten), zonder dat de rechterlijke macht aldus in de bevoegdheden van de belastingadministratie treedt (schending van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Artikel 569, eerste lid, 32°, Gerechtelijk Wetboek, volgens hetwelk de rechtbank van eerste aanleg kennisneemt van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet, houdt geen verband met de in dat onderdeel aangevoerde grief inza-ke het al dan niet discretionaire karakter van de bevoegdheid van de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, inzake vrijstelling van de verwijlinteresten betreffende niet-betaalde successie-rechten.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

Voor het overige bepaalt artikel 141bis Wetboek van Successierechten dat, in bij-zondere gevallen, de bevoegde gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voor-waarden vrijstelling mag verlenen voor alle in artikel 81 bedoelde interesten of voor een deel ervan.

De gewestelijke directeur die beslist over een dergelijk verzoek tot vrijstelling, moet het wettelijk begrip bijzonder geval eerbiedigen, maar beschikt, binnen die grenzen, over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid.

Het onderdeel dat, in zoverre het ontvankelijk is, uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

De in artikel 569, eerste lid, 32°, Gerechtelijk Wetboek, bepaalde volstrekte be-voegdheid om kennis te nemen van geschillen betreffende de toepassing van arti-kel 141bis Wetboek van Successierechten, is niet relevant om de aard te bepalen van de bevoegdheid die de gewestelijke directeur aan die laatstgenoemde bepaling ontleent noch, bijgevolg, om de omvang van het toezicht door de rechter op de uitoefening van die bevoegdheid vast te stellen.

Het onderdeel dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Mireille Delange, Michel Lemal en Sabine Geubel en in openbare terechtzitting van 10 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advo-caat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Onbetaalde rechten

  • Verwijlinterest

  • Vrijstelling

  • Gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen

  • Discretionaire bevoegdheid

  • Artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek

  • Weerslag