- Arrest van 14 januari 2014

14/01/2014 - P.13.1582.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering hebben voor de onderzoeksgerechten die na het gerechtelijk onderzoek de rechtsplegingen dienen te regelen een debat op tegenspraak ingevoerd; daaruit volgt dat de burgerlijke partij het recht heeft conclusies te nemen voor de onderzoeksgerechten en dat deze verplicht zijn hierop te antwoorden (1). (1) Cass. 21 mei 2002, AR P.01.0535.N, AC 2002, nr. 309 met concl. proc.-gen. du Jardin; Cass. 7 april 2004, AR P.04.0260.F, AC 2004 nr. 192.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1582.N

F J,

burgerlijke partij,

eiseres,

met als raadsman mr. Christophe Marchand en mr. Crépine Uwashema, advocaten bij de balie te Brussel,

tegen

1. F V,

inverdenkinggestelde,

2. G F J V D C,

inverdenkinggestelde,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 september 2013.

De eiseres voert in memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 3, 6, 8, 10, 11 en 13 EVRM en artikel 37 Wet Politieambt, alsmede miskenning van het algemeen motiveringsbeginsel en het algemeen rechtsbeginsel van het debat op tegenspraak, neergelegd in artikel XV van de wet van 25 oktober 1919 en het enig artikel van de wet van 19 augustus 1920: het arrest geeft onvoldoende uitleg om de buitenvervolgingstelling te staven; voor de kamer van inbeschuldigingstelling heeft de eiseres in conclusies argumenten aangevoerd in verband met het doel van haar administratieve vrijheidsberoving en het feit dat zij niet deelnam aan de betoging, in verband met het legitiem en proportioneel gebruik van geweld en misbruik van gezag en in verband met de schending van artikel 3 EVRM; het arrest beantwoordt die argumenten niet.

2. De wet van 25 oktober 1919 tot tijdelijke wijziging van de rechterlijke in-richting en van de rechtspleging voor de hoven en rechtbanken werd opgeheven bij artikel 40 van de wet van 12 maart 1998. Het enig artikel van de wet van 19 augustus 1920 strekte uitsluitend tot vervanging van artikel 223 Wetboek van Strafvordering.

In zoverre het middel schending van die bepalingen aanvoert, faalt het naar recht.

3. De artikelen 3, 8, 10, 11 en 13 EVRM en artikel 37 Wet Politieambt zijn vreemd aan het aangevoerde motiveringsgebrek.

In zoverre faalt het middel evenzeer naar recht.

4. De artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering hebben voor de onderzoeksgerechten die na het gerechtelijk onderzoek de rechtspleging dienen te regelen een debat op tegenspraak ingevoerd. Daaruit volgt dat de burgerlijke partij het recht heeft conclusies te nemen voor de onderzoeksgerechten en dat deze ver-plicht zijn daarop te antwoorden.

5. Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van de zaak vereist dat de beslissing die ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging een einde stelt aan de strafvordering de voornaamste redenen ver-meldt tot staving van die beslissing, ongeacht of er een conclusie is ingediend. De burgerlijke partij moet in staat zijn die beslissing te begrijpen.

6. Het arrest bevestigt de beroepen beschikking die oordeelt dat er in hoofde van de verweerders generlei bezwaar bestaat en dat er geen reden is tot vervol-ging. Het staaft die beslissing door overname van de redenen van de beroepen be-schikking en van de schriftelijke vordering van de procureur-generaal en met eigen redenen. Aldus is de eiseres in staat de voornaamste redenen te kennen van de be-slissing tot buitenvervolgingstelling en is die beslissing regelmatig met redenen omkleed.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 67,51 euro waarvan 32,51 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 14 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

A. Lievens A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Regeling van de rechtspleging

  • Debat op tegenspraak

  • Conclusie

  • Motiveringsplicht