- Arrest van 16 januari 2014

16/01/2014 - F.12.0173.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Ook voor de in te vorderen douaneschuld die valt onder het toepassingsgebied van de Verordeningen nr. 1697/79 en nr. 1854/89, geldt de regel dat de mededeling van het bedrag aan in te vorderen rechten dient te worden voorafgegaan door de boeking van dit bedrag door de douaneautoriteiten van de lidstaat, en dat dit bedrag, wanneer het niet rechtmatig werd meegedeeld conform artikel 221.1 Communautair Douanewetboek, door deze autoriteiten niet kan worden ingevorderd (1). (1) Zie concl. O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0173.N

1. FRANS MAAS INTERNATIONALE ZOLL AGENTUR GmbH, ven-nootschap naar Duits recht, met zetel te 41334 Nettetal 2 (Duitsland), Post-strasse 58,

2. I.Z.A. INTERNATIONALE ZOLL AGENTUR GmbH, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 46446 Emmerich (Duitsland), Kings-Lynn-Strasse 1,

3. AKTIENGESELLSCHAFT COMMERZBANK AG, FILIALE EM-MERICH, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 46422 Emmerich (Duitsland), Postfach 100263,

4. AKTIENGESELLSCHAFT DEUTSCHE BANK AG, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 41747 Viersen (Duitsland), Remingiusplatz 16,

eiseressen,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de eiseressen woon-plaats kiezen,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der Douane en Accijnzen, met kantoor te 9000 Gent, R.A.C. Ter Plaeten, Sint-Lievenslaan 27,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 7 september 2011.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 24 september 2013 een schriftelijke con-clusie neergelegd.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee mid-delen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De verweerder werpt een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatie-beroep van de vierde eiseres op: het cassatieberoep is buiten de wettelijke termijn ingesteld.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het arrest op 20 juli 2012 aan de vierde eiseres werd betekend.

Het cassatieberoep is door de vierde eiseres ingesteld bij verzoekschrift dat op 24 oktober 2012 aan de verweerder is betekend en op 25 oktober 2012 ter griffie van het Hof is neergelegd.

De vierde eiseres heeft derhalve buiten de in artikel 1073, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn van drie maanden, haar cassatieberoep ingesteld.

Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden aangenomen.

Eerste middel

3. Artikel 2.1 EEG-Verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 in-zake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belasting-schuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douanere-geling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, hierna Verordening nr. 1697/79, bepaalt:

"Wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat het gehele of gedeeltelijke bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat wettelijk verschuldigd is voor een goed dat is aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, niet van de belastingschuldige is op-geëist, leiden zij een procedure in tot navordering van de niet-geheven rechten.

Deze procedure kan echter niet meer worden ingeleid na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste be-drag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan".

Overeenkomstig artikel 2.2 Verordening nr. 1697/79 wordt de procedure tot na-vordering ingeleid door kennisgeving aan de betrokkene van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat hij verschuldigd is.

4. Overeenkomstig artikel 2.1 EEG-Verordening nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoer, hierna Verordening nr. 1854/89, dient elk bedrag aan rechten bij in- of bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, door de douaneautoriteit te worden berekend zodra de nodige gegevens beschikbaar zijn, en door de douaneautoriteit te worden geboekt.

Overeenkomstig artikel 6.1 Verordening nr. 1854/89 dient onmiddellijk na de boeking het bedrag van de rechten op de voorgeschreven wijze aan de tot betaling gehouden persoon te worden medegedeeld.

Overeenkomstig artikel 26 Verordening nr. 1854/89 is deze verordening nr. 1854/89 van toepassing met ingang van 1 juli 1990.

5. Bij arrest van 23 februari 2006, Molenbergnatie, C-201/04, oordeelt het Hof van Justitie van de Europese Unie, hierna Hof van Justitie, dat de bepaling van Verordening nr. 1854/89 betreffende het vereiste dat het bedrag van de rechten onmiddellijk na de boeking op de geëigende wijze wordt medegedeeld, in wezen is overgenomen in artikel 221.1 Verordening (EG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, hierna Communautair Douanewetboek, dat bepaalt dat het bedrag van de rechten onmid-dellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar dient te worden medegedeeld.

6. Volgens de beschikking van het Hof van Justitie van 9 juli 2008, Gerlach, C-477/07, dient artikel 221.1 Communautair Douanewetboek aldus te worden uit-gelegd dat de mededeling van het bedrag aan in te vorderen rechten dient te wor-den voorafgegaan door de boeking van dit bedrag door de douaneautoriteiten van de lidstaat, en dat dit bedrag, wanneer het niet rechtmatig werd meegedeeld con-form genoemde bepaling, door deze autoriteiten niet kan worden ingevorderd.

Uit het arrest Molenbergnatie volgt dat het oordeel van het Hof van Justitie in de zaak Gerlach kennelijk dient te worden toegepast op de in te vorderen douane-schuld die valt onder het toepassingsgebied van de Verordeningen nr. 1697/79 en nr. 1854/89.

7. Uit het arrest blijkt dat:

- de douaneschuld is ontstaan in de loop van het jaar 1991;

- de vordering tot navordering, door kennisgeving aan de betrokkenen van het bedrag aan rechten, werd ingeleid na 1 juli 1990 en vóór 1 januari 1994.

8. De appelrechter past de verjaringsregel toe van artikel 2 Verordening nr. 1697/79.

Hij kon daarbij niet naar rechte oordelen dat ook zonder voorafgaande boeking het bedrag aan recht kon worden ingevorderd.

Het middel is gegrond.

Overige grieven

9. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep van de vierde eiseres.

Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Laat de kosten van de vierde eiseres te haren laste.

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 16 januari 2014 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche K. Moens B. Wylleman

F. Van Volsem G. Jocqué B. Deconinck

Vrije woorden

  • Douaneschuld

  • Verordeningen nr. 1697/79 en 1854/89

  • Invordering

  • Vereisten