- Arrest van 17 januari 2014

17/01/2014 - C.13.0228.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De mate waarin de zaak bij de appelrechter aanhangig is gemaakt, is beperkt tot de beschikkingen van de eerste rechter waartegen een ontvankelijk hoger beroep is ingesteld (1). (1) Zie concl. OM in Pas. 2014, nr. ***; zie ook Cass. 3 sept. 1996, AR S.95.0055.F, AC 1996, nr. 337.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0228.F

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Zaken,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

J.-L. F.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel van 27 oktober 2011 en 6 september 2012.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In zijn verzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard afschrift bij dit arrest is gevoegd, voert de eiser een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

(...)

Eerste onderdeel

1. De mate waarin de zaak bij de appelrechter aanhangig is gemaakt, is beperkt tot de beschikkingen van de eerste rechter waartegen een ontvankelijk hoger be-roep is ingesteld.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan en uit de vaststellingen van het hof van beroep, blijkt dat de eerste rechter beslist heeft dat "[de eiser], die het vakantiegeld waarop de ambtenaren statutair recht hebben, niet heeft betaald, een fout heeft begaan, [dat] die fout schade heeft veroorzaakt bestaande in het verlies van het vakantiegeld [en dat de verweerder] recht heeft op schadevergoeding als herstel voor het niet-betalen van zijn vakantiegeld voor de periode van 23 maart 1974 tot 1 april 2002". Het veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweerder van een voorlopig bedrag van 10.000 euro.

De eiser vroeg in zijn appelconclusie vóór de uitspraak van het arrest van 27 ok-tober 2011, dat het hof van beroep "de oorspronkelijke vordering ontvankelijk maar ten dele gegrond zou verklaren, in zoverre zij ertoe strekt schadevergoeding te verkrijgen als herstel voor de niet-betaling van het vakantiegeld voor de periode van 1 januari 2000 tot de maand maart 2002". Hij betwistte enkel de toepassing door de eerste rechter van artikel 2262bis Burgerlijk Wetboek betreffende de verjaring maar stelde de kwalificatie van verweerders schuldvordering niet ter discussie.

In zijn syntheseconclusie van voor de uitspraak van het arrest van 27 oktober 2011 vorderde de verweerder de bevestiging van alle beschikkingen van het vonnis van de eerste rechter. Hij betoogde dat "het feit dat [de eiser] het vakantiegeld niet betaalde waarop [de verweerder] gedurende meer dan dertig jaar recht had toen hij in het buitenland in functie was, een burgerrechtelijke fout vormt, [dat de eiser] zelf toegeeft die fout en die onwettigheid te hebben begaan, aangezien hij dat aspect van het vonnis in eerste aanleg niet betwist [en dat] dus moet worden beschouwd dat de schulden die voortvloeien uit schade ten gevolge van een burgerrechtelijke fout [...] vallen onder de gemeenrechtelijke verjaring van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek".

Bijgevolg heeft de conclusie van de partijen de vraag naar de kwalificatie van verweerders schuldvordering niet aanhangig gemaakt bij het hof van beroep.

2. Luidens artikel 1056, 4°, Gerechtelijk Wetboek wordt het hoger beroep in-gesteld bij conclusie, ten aanzien van iedere partij die bij het geding aanwezig of vertegenwoordigd is.

Incidenteel hoger beroep moet, in de regel, geen andere vormvereisten in acht nemen dan die welke gelden voor conclusies. Incidenteel beroep kan niet bij wege van pleidooi worden ingesteld.

3. Het hof van beroep dat overweegt dat "[...] uit de uiteenzetting op de pleit-zittingen voor het hof [van beroep] blijkt dat [de verweerder] geen schuldvordering of schuldvorderingen tot schadevergoeding instelt jegens [de eiser], maar jaarlijkse schuldvorderingen tot betaling van vakantiegeld dat [de eiser] volgens hem nog steeds verschuldigd is", heeft de grenzen miskend van het hoger beroep dat bij conclusie aanhangig was gemaakt en artikel 1056, 4°, Gerechtelijk Wetboek geschonden.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

De vernietiging van het arrest van 27 oktober 2011 leidt tot nietigverklaing van het bestreden arrest van 6 september 2012, dat het gevolg ervan is.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest van 27 oktober 2011 en doet het bestreden arrest van 6 september 2012 teniet.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest en van het nietig verklaarde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 17 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Aanhangigmaking van de zaak