- Arrest van 21 januari 2014

21/01/2014 - P.13.1453.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De enkele omstandigheid dat de onderzoeksrechter, die door de procureur des Konings bij toepassing van artikel 28septies Wetboek van Strafvordering gevorderd werd een in dat artikel niet uitgesloten onderzoekshandeling te verrichten waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is, een verdergaande onderzoeksmaatregel heeft bevolen dan die welke was gevorderd door het openbaar ministerie bij toepassing van het vermelde artikel, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat hij zich daardoor een vervolgingsbevoegdheid aanmatigt en dat hij niet langer meer onpartijdig en onafhankelijk kan optreden, waardoor hij het recht op een eerlijk proces van de verdachte zou miskennen (1). (1) Cass. 10 december 2013, AR P.13.1377.N, AC 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1453.N

I

Y D,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Philip Daeninck, advocaat bij de balie te Hasselt.

II

S A,

beklaagde,

eiser.

III

R D,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie te Antwerpen.

IV

S A,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie te Hasselt.

V

1. N-E D,

vrijwillig tussengekomen partij,

2. DNC CARS bvba, met zetel te 3910 Neerpelt, Plataanstraat 11,

vrijwillig tussengekomen partij,

eisers.

VI

M I E B I,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Kris Govaerts, advocaat bij de balie te Hasselt.

VII

A G,

beklaagde.

eiser.

VIII

DEDE VERWALTUNGS GmbH, met zetel te 56410 Montabaur (Duitsland), AM Himmelfelt 45,

vrijwillig tussengekomen partij,

eiseres,

met als raadsman mr. Len Augustyns, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Fr. Rooseveltplaats 12, waar de eiseres woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 30 mei 2013.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiseres IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser VI voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eisers II, V, VII en VIII voeren geen middel aan.

De eiseres VIII doet afstand van haar cassatieberoep.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Afstand

1. Het Hof slaat geen acht op een ter griffie per fax toegekomen afstand van het cassatieberoep.

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

2. Het arrest bevestigt het beroepen vonnis dat de eisers I, II, IV en VII vrij-spreekt voor de telastlegging B II.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen van deze eisers bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

3. De eisers V vorderen de teruggave van de in beslag genomen bedragen van 50.000 euro en 14.964,44 euro. De eiseres VIII vordert de teruggave van het voertuig Lamborghini. Het arrest verklaart die zaken verbeurd ten laste van de verweerder III.

Die eisers hebben enkel belang en hoedanigheid om op te komen tegen die ver-beurdverklaring.

In zoverre tegen de overige beslissingen van het arrest gericht, zijn hun cassatie-beroepen niet ontvankelijk.

Eerste middel van de eiser I

4. Het middel voert schending aan van de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet eisers in beroepsconclusie aangevoerde verweer dat de politiediensten hun beperkte autonome opsporingsbevoegdheid hebben overschreden en hun informatieplicht op grond van artikel 28ter Wetboek van Strafvordering hebben geschonden omdat zij de procureur des Konings niet tijdig in kennis hebben gesteld van informatie waarover zij ten laste van de eiser reeds beschikten vanaf 2008.

5. De artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering zijn vreemd aan de motiveringsverplichting van de rechter met betrekking tot de regelmatigheid van de bewijsgaring.

In zoverre het middel schending van die bepalingen aanvoert, faalt het naar recht.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters een rechtsgevolg heeft afgeleid uit het bedoelde verweer. Bijgevolg dient het arrest dat verweer niet te beantwoorden.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eiser I

7. Het middel voert schending aan van de artikelen 8 en 28ter, § 2 en § 4, Wetboek van Strafvordering en artikel 15 Wet Politieambt: het arrest schendt de vermelde bepalingen door niet vast te stellen dat de politiediensten hun beperkte autonome opsporingsbevoegdheid hebben overschreden en hun informatieplicht ten aanzien van de procureur des Konings niet zijn nagekomen.

8. Het middel dat in zijn geheel verplicht tot een onderzoek van feiten waar-voor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk.

Derde middel van de eiser I

9. Het middel voert schending aan van artikel 56 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter: het arrest oordeelt ten onrechte dat de onregelmatigheden slechts for-maliteiten betreffen die op geen enkele wijze schade hebben berokkend aan de ei-ser en die het recht op een eerlijk proces niet in de weg staan; het oordeelt ook dat de eiser niet aantoont op welke wijze in concreto de onafhankelijkheid en auto-nomie van de onderzoeksrechter in het gedrang zou zijn gebracht, onherstelbare schade zou zijn toegebracht, de betrouwbaarheid en objectiviteit van het onder-zoek zou zijn aangetast en het recht op een eerlijk proces in het gedrang zou zijn gebracht; door meer en verdergaand onderzoek te bevelen dan gevorderd door het openbaar ministerie, heeft de onderzoeksrechter zijn saisine in het kader van de mini-instructie overschreden en aldus het vervolgingsrecht uitgeoefend; bijgevolg heeft hij het substantiële beginsel van de scheiding tussen de vervolgende en de rechterlijke instantie miskend en zijn onafhankelijkheid en autonomie in het ge-drang gebracht, zodat eisers recht op een eerlijk proces is miskend; deze misken-ning heeft in casu onherstelbare schade toegebracht omdat zij zich situeerde in het begin van het onderzoek, dat aldus ab initio en in zijn totaliteit is aangetast in zijn betrouwbaarheid en objectiviteit.

10. Krachtens artikel 28septies Wetboek van Strafvordering kan de procureur des Konings die optreedt binnen het kader van het opsporingsonderzoek, de on-derzoeksrechter vorderen een in dat artikel niet uitgesloten onderzoekshandeling te verrichten waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is, zonder dat een ge-rechtelijk onderzoek wordt ingesteld.

11. De enkele omstandigheid dat de onderzoeksrechter een verdergaande onderzoeksmaatregel heeft bevolen dan die welke was gevorderd door het openbaar ministerie bij toepassing van het vermelde artikel, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat hij zich daardoor een vervolgingsbevoegdheid aanmatigt en dat hij niet langer meer onpartijdig en onafhankelijk kan optreden, waardoor hij het recht op een eerlijk proces van de verdachte zou miskennen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

12. Het arrest (p. 17-19) oordeelt onder meer dat:

- artikel 28septies noch artikel 88bis Wetboek van Strafvordering op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschriften bevatten;

- de omstandigheid dat de onderzoeksrechter retro-telefonieonderzoek heeft be-volen tot de datum van zijn beschikking in plaats van tot de datum vermeld in de vordering van het openbaar ministerie (interpretatie door de onderzoeks-rechter van de term "tot heden"), zodat het onderzoek enkele dagen langer liep dan gevorderd, de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal niet aantast;

- de onregelmatigheden louter formeel van aard zijn en niet opzettelijk werden begaan;

- de ernst van de misdrijven zonder de minste twijfel de begane onregelmatighe-den overstijgt;

- de onregelmatigheden allemaal formaliteiten betreffen die op geen enkele wijze schade hebben berokkend aan de eiser, die de resultaten van het onderzoek in het kader van de mini-instructie allemaal heeft kunnen inzien en hierover verweer heeft kunnen voeren.

13. Op grond van die redenen oordeelt het arrest dat, rekening houdend met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, de resultaten van de retro-telefonieonderzoeken die uit de mini-instructie werden verkregen, niet als bewijs dienen te worden uitgesloten. Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

14. Voor het overige is het middel afgeleid uit de vergeefse aanvoering dat ei-sers recht op een eerlijk proces onherroepelijk is miskend.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Vierde middel van de eiser I

15. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, artikel 14.1 en 14.3 IVBPR en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering: het arrest steunt ei-sers schuldigverklaring ten onrechte op verklaringen die de eiser II tijdens het on-derzoek heeft afgelegd zonder bijstand van een advocaat.

16. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser het bedoelde verweer heeft gevoerd voor de appelrechters, hoewel hij dat kon doen omdat de verklaringen die alle beklaagden tijdens het onderzoek hebben af-gelegd, in het debat waren.

Het middel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Middel van de eiser III

17. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, artikel 14.1 en 14.3 IVBPR en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering: het arrest steunt ei-sers schuldigverklaring ten onrechte op verklaringen die de eiser II tijdens het on-derzoek heeft afgelegd zonder bijstand van een advocaat, terwijl de eiser II voor de eerste rechter reeds heeft verklaard dat hij niet bij zijn verklaringen bleef en dat deze onder politiedruk werden afgelegd.

18. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser het bedoelde verweer heeft gevoerd voor de appelrechters, hoewel hij dat kon doen omdat de verklaringen die alle beklaagden tijdens het onderzoek hebben af-gelegd, in het debat waren.

Het middel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste middel van de eiseres IV

19. Het middel voert in zijn beide onderdelen schending aan van artikel 28bis Wetboek van Strafvordering: door het aanvankelijk proces-verbaal 4221/2009 van 4 juni 2009 te aanzien als de grond tot het opstarten van een reactief onderzoek, geeft het arrest aan dat proces-verbaal een inhoud welke dit niet kan hebben; de feiten van 24 mei 2009 vormden immers geenszins het voorwerp van het vooron-derzoek, maar kunnen enkel een redelijk vermoeden van te plegen of reeds ge-pleegde maar nog niet aan het licht gebrachte feiten doen ontstaan, op basis waar-van een proactief onderzoek zou kunnen worden opgestart (eerste onderdeel); het arrest schendt de vermelde bepaling door te oordelen dat er geen sprake meer kan zijn van een redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte feiten, wanneer dit redelijk vermoeden voortkomt uit een in tijd en ruimte bepaalbaar misdrijf dat echter zelf niet het voorwerp van het on-derzoek uitmaakt (tweede onderdeel).

20. Het eerste onderdeel preciseert niet met welke bewoordingen van het pro-ces-verbaal 4221/2009 van 4 juni 2009 de uitlegging die het arrest aan dat stuk geeft, onverenigbaar is.

In zoverre is het eerste onderdeel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

21. Voor het overige zijn de beide onderdelen die opkomen tegen de onaantast-bare beoordeling van feitelijke gegevens door het arrest of verplichten tot een on-derzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, niet ontvankelijk.

Tweede middel van de eiseres IV

22. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, artikel 14.1 en 14.3 IVBPR en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering: het arrest steunt de schuldigverklaring van de eiseres ten onrechte op verklaringen die de eiser II tij-dens het onderzoek heeft afgelegd zonder bijstand van een advocaat, terwijl de ei-ser II voor de eerste rechter heeft verklaard dat hij niet bij zijn verklaringen bleef die onder politiedruk werden afgelegd en aan de appelrechters heeft gevraagd die verklaringen uit het debat te weren.

23. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eise-res het bedoelde verweer heeft gevoerd voor de appelrechters, hoewel zij dat kon doen omdat de verklaringen die alle beklaagden tijdens het onderzoek hebben af-gelegd, in het debat waren.

Het middel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Middel van de eiser VI

24. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede misken-ning van de motiveringsplicht en het recht van verdediging: het arrest dat de straf-fen verhoogt en in de motivering van de straftoemeting geen rekening houdt met of verwijst naar de door de eiser aangevoerde elementen om een mildere straftoe-meting te verkrijgen, beantwoordt onvoldoende zijn verweer.

25. Met betrekking tot de straftoemeting neemt het arrest (p. 26-27) de redenen van het beroepen vonnis over en oordeelt het bovendien met eigen redenen dat:

- er grote hoeveelheden speed en cocaïne werden ingevoerd en verhandeld en de vereniging onmiskenbaar handelde met het oog op aanzienlijk geldgewin dat ook daadwerkelijk werd gegenereerd;

- de eiser een vertrouwenspersoon was van de eiser III, van wie hij rechtstreeks opdrachten kreeg, in wiens opdracht hij aanzienlijke hoeveelheden cocaïne en speed invoerde en afleverde aan klanten en voor wie hij gelden in ontvangst nam;

- de door de eerste rechter opgelegde hoofdgevangenisstraf en geldboete als be-teugeling voor de bewezen verklaarde feiten ontoereikend voorkomen.

26. Het arrest dat aldus de redenen vermeldt waarom het de voormelde straffen verhoogt, geeft hierdoor tevens te kennen waarom het niet ingaat op eisers ver-zoek hem een mildere straf op te leggen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering

27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Onmiddellijke aanhouding van de eiser III

28. Ingevolge de verwerping van het cassatieberoep tegen de beslissing op de strafvordering, heeft het bestreden arrest kracht van gewijsde.

Het cassatieberoep tegen de beslissing over de onmiddellijke aanhouding heeft bijgevolg heeft bestaansreden meer.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 521,79 euro waarvan op de cassatieberoepen I, II, III, IV en VI 64,83 euro verschuldigd is, op het cassatieberoep V 68,15 euro verschuldigd is, op het cassatieberoep VII 64,84 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep VIII 29,65 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 21 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maf-fei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Vordering van de procureur des Konings

  • Vordering van een onderzoekshandeling waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is

  • Bevel tot verdergaande onderzoeksmaatregel dan die welke was gevorderd