- Arrest van 27 januari 2014

27/01/2014 - S.12.0122.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De ambtshalve veroordeling waarvan sprake, in het hier toepasselijke, artikel 35, tweede lid, RSZ-wet is geen straf maar een bijzondere wijze van herstel waarvan de toepassing vereist dat de bijdragen nog wettig verschuldigd zijn en derhalve niet verjaard zijn in gevolge artikel 42 RSZ- wet.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0122.N

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met ze-tel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

M.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 9 maart 2012.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 35, tweede lid, RSZ-wet, zoals hier van toepassing, ver-oordeelt de rechter die de straf uitspreekt ten aanzien van de werkgever, zijn aan-gestelden of lasthebbers, ambtshalve de werkgever tot betaling aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de bijdragen, bijdragenopslagen en verwijlinteresten die niet aan de Rijksdienst werden gestort.

Krachtens artikel 42, eerste en derde lid, RSZ-wet verjaren de schuldvorderingen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op de werkgevers, die onder deze wet vallen, na vijf jaar en wordt de verjaring van deze vorderingen gestuit: 1° op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende Burgerlijk Wetboek, 2° door een aangetekende brief van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de werkgever en 3° door de betekening van het in artikel 40 bedoelde dwangbevel.

2. Krachtens artikel 2244, eerste lid, Burgerlijk Wetboek vormen een dagvaar-ding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting.

3. De ambtshalve veroordeling waarvan sprake in artikel 35, tweede lid, RSZ-wet is geen straf maar een bijzondere wijze van herstel waarvan de toepassing vereist dat de bijdragen nog wettig verschuldigd zijn en derhalve niet verjaard zijn in gevolge artikel 42 RSZ- wet.

Overeenkomstig artikel 2262bis Burgerlijk Wetboek verjaart de vordering tot uit-voering van een aldus uitgesproken ambtshalve veroordeling door verloop van tien jaar, maar dit houdt niet in dat deze uitspraak, die niet kan worden gelijkgesteld met een dagvaarding, een bevel tot betaling of een beslag in de zin van artikel 2244 Burgerlijk Wetboek, noch met enige andere stuitingsdaad bepaald in artikel 42 RSZ-wet, stuitende werking heeft ten aanzien van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid die zich tot de burgerlijke rechter wendt ter verkrijging van een andere titel.

4. Het middel dat ervan uitgaat dat de ambtshalve veroordeling waarvan spra-ke in artikel 35, tweede lid, RSZ-wet, stuitende werking heeft, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 106,24 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 27 januari 2014 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Lievens M. Delange

K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Socialezekerheidsbijdragen

  • Niet aan de Rijksdienst gestorte bijdragen

  • Sanctie

  • Ambtshalve veroordeling van de werkgever tot de ontdoken bijdragen

  • Aard van de maatregel