- Arrest van 27 januari 2014

27/01/2014 - S.12.0051.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 2, 5°, van het KB van 28 oktober 1993 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de socio-culturele sector dat bepaalt dat het Paritair Comité voor de socio-culturele sector niet bevoegd is voor de werkgevers die, op basis van de verrichte activiteit, ressorteren onder een ander daarvoor bevoegd paritair comité, houdt in dat het Paritair Comité voor de socio-culturele sector niet bevoegd is voor de werkgever wiens hoofdactiviteit eveneens onder de bevoegdheidsomschrijving van een ander specifiek bevoegd paritair comité valt.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0051.N

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met ze-tel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

KRINGLOOPCENTRUM TELESHOP vzw, met zetel te 9300 Aalst, Alfred Nichelsstraat 14,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent van 7 ok-tober 2011.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De appelrechters onderzoeken of de verweerster voldoet aan de bevoegd-heidsomschrijving van het Paritair Comité 329, dat betrekking heeft op de socio-culturele sector nemen de bevoegdheid ervan aan en gaan verder na of de ver-weerster niet wordt uitgesloten uit de bevoegdheden van dit paritair comité door de uitzonderingsbepaling van artikel 2, 5°, van het koninklijk besluit van 28 okto-ber 1993, dat betrekking heeft op "de werkgevers die, op basis van de verrichte activiteit, ressorteren onder een ander daarvoor specifiek bevoegd paritair comité".

Zij oordelen vervolgens dat bij de verweerster zowel de dienstverlenende als de economische activiteit belangrijk is en het niet mogelijk is slechts een van de beide activiteiten als hoofdactiviteit te aanzien en daardoor de andere ondergeschikt te maken.

2. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat enkel de dienstverlenende activiteit van de verweerster haar hoofdactiviteit uitmaakt.

In zoverre het onderdeel van dergelijke onderstelling uitgaat, berust het op een on-juiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

3. Na te hebben geoordeeld dat het niet mogelijk is een van de beide activitei-ten als hoofdactiviteit te aanzien en de andere activiteit ondergeschikt te maken, stellen de appelrechters vast dat de eiser wel aanvoert dat de hoofdactiviteit enkel economisch is, maar verwerpen zij dit verweer, alsook de bevoegdheid van de in dit kader ingeroepen paritaire comités, omdat "de hoofdactiviteit" van de ver-weerster niet gericht is op deze activiteiten.

4. Met die redenen waarmee de appelrechters te kennen geven dat de economi-sche activiteit voor de verweerster geen doel op zich is, maar zij die activiteit slechts verricht om haar doelstelling "doelgroepwerknemers" door sociale te-werkstelling naar de reguliere arbeidsmarkt te begeleiden, te kunnen realiseren, oordelen zij, zonder de in het onderdeel aangevoerde tegenstrijdigheid, dat niet één maar twee onlosmakelijk verstrengelde activiteiten als hoofdactiviteit moeten worden aangezien.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

5. De appelrechters verwerpen tenslotte het verweer van de eiser dat verweer-ster ressorteert onder een aantal paritaire comités voorgesteld door de eiser en nemen, na onderzoek, de bevoegdheid aan van het paritair comité 329 en verwij-zen hiervoor naar de werkervaringsprojecten en trajectbegeleiding die wordt geor-ganiseerd en aangeboden.

6. In zoverre het arrest verwijst naar ondersteunende middelen die de verweer-ster daarvoor krijgt, betreft het een overtollig motief.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

7. Het onderdeel gaat in zijn geheel ervan uit dat de appelrechters de hoofdac-tiviteit van de verweerster niet kon bepalen.

8. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat de appelrechters dit geenszins hebben beslist.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

9. Artikel 2, 5°, van het KB van 28 oktober 1993 tot oprichting en tot vaststel-ling van de benaming en de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de socio-culturele sector dat bepaalt dat het Paritair Comité voor de socio-culturele sector niet bevoegd is voor de werkgevers die, op basis van de verrichte activiteit, res-sorteren onder een ander daarvoor bevoegd paritair comité, houdt in dat het Pari-tair Comité voor de socio-culturele sector niet bevoegd is voor de werkgever wiens hoofdactiviteit eveneens onder de bevoegdheidsomschrijving van een ander specifiek bevoegd paritair comité valt.

10. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de bevoegdheid van andere specifieke paritaire comités op dat van de socio-culturele sector primeert, zelfs als die activi-teit niet de hoofdactiviteit is, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 118,74 euro en voor de verweerster op 106,24 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 27 januari 2014 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Lievens M. Delange

K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck

VOORZIENING TOT CASSATIE

VOOR : de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, (...)

bijgestaan en vertegenwoordigd door Meester Antoine DE BRUYN, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat, 67, waar keuze van woonplaats wordt ge-daan,

eiser tot cassatie,

TEGEN : de VZW KRINGLOOPCENTRUM TELESHOP, (...)

verweerster in cassatie,

(...)

Eiser heeft de eer het arrest van 7 oktober 2011, geveld door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Gent (A.R. nr. 2010/AG/192) aan Uw toezicht te onderwerpen.

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

(...)

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen:

- artikel 149 van de Grondwet (G.W.);

- artikel 1138,4° van het Gerechtelijk Wetboek (Ger.W.);

- artikel 35 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve ar-beidsovereenkomsten en de paritaire comités (CAO-wet);

- de artikelen 1, 2.5°, van het koninklijk besluit van 28 oktober 1993 tot op-richting en tot vaststelling van de benaming en de bevoegdheid van het Pari-tair Comité voor de socio-culturele sector (nr. 329), zoals gewijzigd bij ko-ninklijk besluit van 13 december 2000;

- artikel 1 van het koninklijk besluit van 4 november 1974 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van het Aanvullend Paritair Comité voor de werklieden (nr.100), zowel vóór als na zijn wijziging bij KB van 27 januari 2008;

- artikel 1 van het koninklijk besluit van 4 november 1974 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van het Aanvullend Paritair Comité voor de bedienden (nr.200), zowel vóór als na zijn wijziging bij KB van 27 januari 2008;

- de artikelen 1 en 2 van het Koninklijk besluit van 21 september 2004 tot op-richting van Paritaire Subcomités voor de socio-culturele sector en tot vast-stelling van hun benaming en hun bevoegdheid;

- artikel 1, §1, van het koninklijk besluit van 17 maart 1972 tot oprichting van sommige paritaire comités en tot vaststelling van de benaming en de be-voegdheid ervan, waaronder het Paritair Comité (nr.142) voor de onderne-mingen waar teruggewonnen grondstoffen opnieuw ter waarde worden ge-bracht;

- artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en de bevoegdheid van het Paritair Subcomité (nr.142.04) voor de terugwinning van allerlei producten;

- artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 december 1973 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en de bevoegdheid van het Paritair Comité (nr.109) voor het kleding- en confectiebedrijf;

- artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 maart 1973 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en de bevoegdheid van het Paritair Comité (nr.201) voor zelfstandige kleinhandel.

Aangevochten beslissing:

Het bestreden arrest bevestigt het vonnis van de eerste rechter waar die de hoofdvordering van verweerster gegrond verklaarde en voor recht zegde dat verweerster vanaf 1 januari 2008 zowel voor haar arbeiders als voor haar bedienden ressorteert onder het Paritair Comité nr.329 voor de socio-culturele sector en dat eiser dient te handelen naar deze rechterlijke uitspraak:

"4.1. Het ressort van een paritair comité wordt in beginsel bepaald door de hoofdactiviteit van de betrokken onderneming, tenzij uit het oprichtings-besluit een ander criterium blijkt, zoals de gewone of normale activiteit van de onderneming (...).

Er moet in concreto worden nagegaan wat de ondernemingsactivi-teit is van het betrokken bedrijf. De beoordeling mag niet in abstracto gebeuren door bijvoorbeeld (uitsluitend) rekening te houden met het maatschappelijk doel van de vennootschap volgens de oprichtingsakte of met het financieel resultaat van de economische activiteit (vergelijk Arbeidshof Luik 29 juli 2003, JTT 2004, 106).

Voor de zogenaamde non-profit kunnen andere criteria gelden bij het bepalen van het bevoegde paritair comité dan voor de profit.

(...)

Artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 oktober 1993 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en de bevoegdheid van het Paritair Subcomité voor de socio-culturele sector van de Vlaamse Gemeenschap bepaalt inderdaad dat dit paritair comité (het Paritair Comité nr.329) bevoegd is voor werknemers in het algemeen en hun werkgevers, te weten de organisaties die geen winstgevend doel nastreven en die één of meer van een aantal nader aangeduide activiteiten uitoe-fenen, waaronder (5°) de initiatieven in de samenlevingsopbouw, met name elke organisatie waarvan de hoofddoelstelling is de ontwikkeling van projecten, struc-turen of netwerken die bijdragen aan de deelname aan een integratie tot het cul-turele, politieke, economische of sociale leven van één of meerdere bevolkingsca-tegorieën, zoals onder meer etnisch-culturele minderheden alsook (7°) de organi-saties met als doel de bescherming van het leefmilieu, de leefomgeving of het cul-tureel en historisch erfgoed en de verenigingen inzake de educatie ervan en (9°) de organisaties voor beroepsopleiding, beroepsvervolmaking en beroepsherscholing. Volgens de aannemelijke uitleg van de onderneming hebben een groot deel van haar activiteiten, zo niet al haar activiteiten betrekking op de integratie van personen met een gebrekkige werkervaring door hen te begeleiden in een tewerk-stelling die bijdraagt tot de bescherming van het leefmilieu. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij verwijst naar een algemeen advies waarin gesteld wordt dat organisaties die zich met deze socio-culturele activiteiten bezig houden, ressorteren onder het Paritair Comité nr.329.

Zoals het Hof van Cassatie in zijn arrest van 18 januari 2010 diende vast te stellen (Cass., 18 januari 2010, S.08.0150.N.), bepaalt artikel 2 van het voormeld koninklijk besluit evenwel dat het Paritair Comité voor de socio-culturele sector in een aantal gevallen niet bevoegd is, zoals voor de werkgevers die, op basis van de verrichte activiteit, ressorteren onder een ander daarvoor specifiek bevoegd paritair comité (zie verder).

4.3. (Verweerster) is een onafhankelijke vzw met volgende doelstellingen (stuk 10 [verweerster]) :

▪sociale tewerkstelling voor kansengroepen (WEP of werkervaringsplan);

▪zorg voor het milieu (door kringloopactiviteit of door hergebruik de afvalberg verkleinen);

▪zorg voor de kansarmen (aanbieden van gebruiksgoederen aan lage prijzen).

De doelgroep is minimum 2 jaar werkloos en laaggeschoold zijn. Men krijgt een contract van één jaar. Dit jaar werkervaring moet een brug vormen tussen de lange periode van werkloosheid en tewerkstelling in het reguliere circuit (zo werd in 2006 al 42% doorstroming bereikt).

Volgens de Arbeidsauditeur in zijn advies aan de eerste rechter bedroeg het omkaderingspersoneel in 2008 het totaal van 65 VT-eenheden. Hierbij moet vast-gesteld worden dat 4/5 van de werknemers die bij (verweerster) tewerkgesteld zijn, ‘doelgroepwerknemers' zijn en dat slechts 1/5 van de werknemers behoort tot het ‘omkaderingspersoneel' dat ingezet wordt om de ‘doelgroepwerknemers' aan het werk te zetten en te houden in het kader van de begeleidingsopdrachten.

Dit is een overtuigende aanwijzing dat de kringloopwinkel van (verweerster) ervoor bestemd is om de ‘doelgroepwerknemers' aan het werk te zetten en niet dat de ‘doelgroepwerknemers' een goedkope arbeidskracht vormen om de kringloop-winkel draaiende te houden. Dit neemt niet weg dat de kringloopwinkel hierbij een grote massa goederen (naar omvang en gewicht) kan omzetten (zie jaarverslag 2009 - stuk 9 [verweerster]). Zoals gezegd moeten 65 werknemers aan het werk gezet worden om het project zinvol en doelmatig te houden.

De activiteit die het bestaan rechtvaardigt en de aard bepaalt van de vzw is het geven van werkervaring.

De teleshop is een erkend werkervaringspromotor, een activiteit die zij uit-voert op basis van een aantal uitgangspunten en krachtlijnen opgelegd door de Vlaamse Overheid (stuk 12 en 13 [verweerster]).

Een tewerkstelling als doelgroepwerknemers kadert binnen een trajectbena-dering die gekenmerkt wordt door een individuele en integrale aanpak (zie blz 18 e.v. synthesebesluiten [verweerster]).

4.4. Volgens (eiser) bestaat de hoofdactiviteit van de onderneming wel de-gelijk in het zoeken in de recuperatie van tweedehands huisraad en meubelen en tweedehands kledij en de verkoop daarvan.

Dit impliceert volgens (eiser) dat de onderneming ten gevolge van deze spe-cifieke activiteiten ressorteert onder de paritaire comités voor deze activiteiten, en niet onder het Paritair Comité voor de socio-culturele sector.

De ondernemingsactiviteit is echter de activiteit die het bestaan van de on-derneming of de organisatie rechtvaardigt en die niet kan worden afgestoten (uit-besteed) zonder de aard van de onderneming te wijzigen (Arbh. Antwerpen 23 ok-tober 2003, JTT 2004, 99).

In het licht van wat onder 4.1. hierboven is gezegd moet geoordeeld worden dat de dienstverlenende en de economische activiteit van (verweerster) in elkaars verlengde liggen dat zij beiden belangrijk zijn, dat de ene activiteit niet kan zonder de andere. Dat wil zeggen dat elk van de activiteiten het bestaan van (verweerster) rechtvaardigt en dat geen van de beide activiteiten kan worden afgestoten zonder de socio-economische aard van (verweerster) te wijzigen.

Op grond van de feitelijke beoordeling van de activiteiten van (verweerster) oordeelt het hof dat het niet mogelijk is een van de beide activiteiten als hoofdac-tiviteit te aanzien en daardoor de andere activiteit ondergeschikt te maken (vergelijk Cass., 2 februari 2009, S.08.01(12).N./1 - www.cassatie.be).

De aanduiding van beide activiteiten als hoofdactiviteit staat los van de vraag van de economische leefbaarheid of subsidiëring gezien beide aspecten zich ook voordoen op de reguliere vrije markt.

4.5. De PC's waarnaar de (eiser) verwijst (PC 142 waar teruggenomen grondstoffen opnieuw ter waarde worden gebracht, PC 109 voor kleding- en con-fectiebedrijf en PC 201 kleinhandelszaken) blijken geen geschikt kader te bieden nu de hoofdactiviteit van (verweerster) niet gericht is op deze activiteiten en daarmee ook zelfs niet eens in concurrentie komt (zie boven i.v.m. de klantengroep).

Evenmin is het Paritair Comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen van toepassing.

Het is wel zo dat enkel wat betreft de categorie van de beschutte en de sociale werkplaatsen de doelgroep een criterium uitmaakt ter bepaling van het PC, maar bij de beschutte en de sociale werkplaatsen is de doorstroming naar de gewone arbeidsmarkt zo goed als onmogelijk. (Verweerster) heeft nu net tot doel en activiteit haar ‘doelgroepwerknemers' naar de reguliere arbeidsmarkt te begelei-den. Bovendien moet de beschutte of de sociale werkplaats ook als dusdanig zijn erkend, wat niet het geval is voor (verweerster).

Blijft het Paritair Subcomité nr.329.01 voor de socio-culturele sector van de Vlaamse gemeenschap waarvan de bevoegdheid hierboven werd opgesomd onder 4.2. Onderzocht moet worden of de gemengde activiteiten van (verweerster) valt onder een van de opgesomde materies.

De kringloopbedrijvigheid van (verweerster) beoogt (zoals reeds gezegd) als werkelijke doelgroep mensen met weinig of geen kansen op de arbeidsmarkt. Het gaat om laaggeschoolden, langdurig werklozen, ex-gedetineerden, verslaafden, kortom mensen met een arbeidshandicap.

(Verweerster) tracht deze mensen te integreren, en te laten doorstromen naar de reguliere arbeidsmarkt. Sommigen kunnen mits begeleiding worden te-werkgesteld in uitgestippelde projecten. Anderen moeten nog worden opgeleid, en hebben nood aan begeleiding, niet alleen van technische aard, maar ook van sociale aard om arbeidsattitude aan te leren. De trajectbegeleiders organiseren tewerkstellingsprojecten en de arbeiders wordt geleerd te werken aan vaardighe-den als probleemoplossend vermogen, omgang met collega's, de begeleider enz ...

(Verweerster) krijgt ondersteunende middelen van diverse overheden omdat de vzw werkervaringsprojecten (WEP+) en trajectbegeleiding organiseert en aanbiedt. Deze ondersteuning illustreert dat de hoofdactiviteit bestaat in de begeleiding naar en integratie op de arbeidsmarkt.

Zowel voor de arbeiders als voor de bedienden valt (verweerster) onder PC 329, niet omwille van haar doelgroep, maar alleszins omwille van haar activiteit die onder punt 5 omschreven wordt als ‘... de ontwikkeling van projecten, struc-turen of netwerken die bijdragen tot de deelname aan en integratie tot het culturele, politieke, economische of sociale leven van één of meerdere bevolkingscategorieën ...'.

De werkzaamheden van de arbeiders en bedienden zijn onlosmakelijk met elkaar verknocht: de arbeiders voeren het traject uit dat de bedienden voor hen hebben uitgestippeld. Er is dan ook geen enkele reden om de arbeiders en de be-dienden van (verweerster) in een apart PC onder te brengen.

Tenslotte voldoen het PC 100 en het PC 200: Aanvullend Paritair Comité voor de werklieden respectievelijk voor bedienden (niet samengesteld, omdat de voorzitter, ondervoorzitter en de leden niet werden benoemd) evenmin.

Deze PC's zijn enkel bevoegd voor de werknemers en hun werkgevers, die onder geen eigen PC ressorteren, zijn in deze zaak dan ook niet bevoegd omdat (verweerster) zowel voor haar arbeiders als voor haar bedienden reeds onder het PC 329 valt." (arrest, p.9-12).

Grieven

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 35 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collec-tieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, kan de Koning op eigen ini-tiatief of op verzoek van één of meer organisaties paritaire comités van werkgevers en werknemers oprichten. Hij bepaalt welke personen, welke bedrijfstak of ondernemingen en welk gebied tot het ressort van elk comité behoren.

Het ressort van een paritair comité wordt, in de regel, bepaald door de hoofdactiviteit van de betrokken onderneming, tenzij het oprichtingsbesluit een ander criterium bepaalt.

Dit geldt ook voor de ondernemingen die behoren tot de zogenaamde non-profit sector.

2. Het bestreden arrest stelde vast dat de ondernemingsactiviteit de activiteit is die het bestaan van de onderneming of de organisatie rechtvaardigt en die niet kan worden afgestoten (uitbesteed) zonder de aard van de onderneming te wijzigen (p.10, voorlaatste alinea).

De activiteit die het bestaan rechtvaardigt en de aard van verweerster be-paalt, is volgens het bestreden arrest "het geven van werkervaring", zijnde een dienstverlenende activiteit (p.10, vijfde alinea).

Anderzijds wordt niet betwist dat verweerster ook een economische activi-teit verricht, te weten de recuperatie van tweedehands huisraad en meubelen en tweedehands kledij en de verkoop daarvan (p.10, 4.4., eerste alinea).

Het bestreden arrest stelde vast dat "geoordeeld (moet) worden dat de dienstverlenende en de economische activiteit van (verweerster) in elkaars ver-lengde liggen dat zij beiden belangrijk zijn, dat de ene activiteit niet kan zonder de andere. Dat wil zeggen dat elk van de activiteiten het bestaan van (verweerster) rechtvaardigt en dat geen van beide activiteiten kan worden afgestoten zonder de socio-economische aard van de (verweerster) te wijzigen".

Vervolgens werd beslist dat "op grond van de feitelijke beoordeling van de activiteiten van (verweerster) (...) het niet mogelijk is een van de beide activiteiten als hoofdactiviteit te aanzien en daardoor de andere activiteit ondergeschikt te ma-ken".

De aanduiding van beide activiteiten als hoofdactiviteit staat volgens de ap-pelrechters alleszins los van de vraag van economische leefbaarheid of subsidiëring gezien beide aspecten zich ook voordoen op de reguliere vrije markt (p.11, derde alinea).

3. De vaststelling dat het niet mogelijk is één van de beide activiteiten als hoofdactiviteit aan te duiden, en dat de aanduiding van de hoofdactiviteit losstaat van de vraag van «subsidiëring», wordt verder in het bestreden arrest tegengesp-roken waar de appelrechters aangeven:

- dat de hoofdactiviteit van verweerster niet gericht is op de (economische) activiteiten die ressorteren onder de PC's nr.142, 109 en 201 (p.11, 4.5., eer-ste alinea);

- de "ondersteunende middelen» van diverse overheden «illustreren» dat «de hoofdactiviteit bestaat in begeleiding naar en integratie op de arbeidsmarkt";

- dat verweerster, zowel voor haar arbeiders als voor haar bedienden, valt on-der het Paritair Comité nr. 329 voor de socio-culturele sector, en dit "omwille van haar activiteit" die onder punt 5 wordt omschreven als:

"... de ontwikkeling van projecten, structuren of netwerken die bijdragen tot de deelname aan en integratie tot het culturele, politieke, economische of sociale leven van één of meerdere bevolkingscategorieën..." .

De (dienstverlenende) activiteit die valt onder artikel 2.5 van het Paritair Comité nr.329 voor de socio-culturele sector wordt aldus door het bestreden arrest beschouwd als de hoofdactiviteit van verweerster.

4. Het is tegenstrijdig om te beslissen, enerzijds, dat het niet mogelijk is om op grond van de feitelijke beoordeling van de activiteiten van verweerster één van de activiteiten als hoofdactiviteit te aanzien en daardoor de andere activiteit onderge-schikt te maken, anderzijds, dat niet de economische (PC's nr. 142, 109 en 201), maar de dienstverlenende activiteit (PC nr.329) de hoofdactiviteit is van verweer-ster, waardoor het bestreden arrest de andere activiteit wel als ondergeschikt be-schouwt.

Ook de beslissing dat de dienstverlenende en de economische activiteit van verweerster in elkaars verlengde liggen, dat de ene activiteit niet kan zonder de andere, m.a.w. dat geen van beide activiteiten kan worden afgestoten zonder de socio-economische aard van de verweerster te wijzigen, waardoor geen van de ac-tiviteiten als hoofdactiviteit kan worden aanzien, is in strijd met de vaststelling dat de hoofdactiviteit van verweerster niet gericht is op de economische activiteiten, die ressorteren onder de PC's nr.142, 109 en 201, maar wel op de dienstverlenen-de activiteit (PC nr.329), wat immers impliceert dat de activiteiten van verweerster niet in elkaars verlengde liggen, de ene activiteit wel zonder de andere kan, zodat een van beide activiteiten wel kan worden afgestoten zonder de socio-economische aard van de verweerster te wijzigen.

Het is tevens strijdig om te beslissen, enerzijds, dat de aanduiding van de hoofdactiviteit losstaat van de vraag van economische leefbaarheid of subsidi-ering, anderzijds, dat de «ondersteunende middelen» van diverse overheden «illu-streren» dat «de hoofdactiviteit bestaat in begeleiding naar en integratie op de arbeidsmarkt» waardoor het bestreden arrest de subsidiëring wel als een indicatie beschouwt ter bepaling van de hoofdactiviteit.

Wanneer motieven elkaar tegenspreken, worden deze motieven geacht el-kaar op te heffen, wat neerkomt op het ontbreken van motieven, met als gevolg dat de rechter zijn beslissing niet overeenkomstig artikel 149 G.W. regelmatig met redenen omkleedt.

Ook een beslissing die tegenstrijdige beschikkingen bevat, is op grond van artikel 1138,4°, Ger.W. niet regelmatig met redenen omkleed.

5. Hieruit volgt dat de beslissing dat verweerster omwille van haar dienstver-lenende activiteit valt onder het Paritair Comité nr. 329 voor de socio-culturele sector (subcomité nr.329.01 voor de Vlaamse Gemeenschap), niet regelmatig met redenen is omkleed, nu die beslissing op tegenstrijdige motieven is gestoeld (schending van artikel 149 G.W.), minstens tegenstrijdige beschikkingen bevat (schending van artikel 1138,4° Ger.W.), in zoverre was beslist dat het op grond van de feitelijke beoordeling van de activiteiten van verweerster niet mogelijk was een van de beide activiteiten als hoofdactiviteit te aanzien en daardoor de andere activiteit ondergeschikt te maken.

Tweede onderdeel

6. Wanneer niet kan worden bepaald wat de hoofdactiviteit is van een onder-neming, omdat, zoals in onderhavige zaak het geval was, de verschillende activi-teiten die door de onderneming worden verricht dermate zijn vermengd en in el-kaars verlengde liggen (het arrest spreekt van «gemengde activiteiten»: p.11, 4.5, vierde alinea), is het niet mogelijk om de onderneming onder het toepassingsge-bied te brengen van slechts één specifiek bevoegd paritair comité.

In dat geval dienen, gelet op de pluraliteit van de ondernemingsactiviteiten, de Aanvullend Paritaire Comités nr.100 en 200 als de bevoegde paritaire comités te worden aangeduid.

Deze laatste PC's zijn immers bevoegd voor de werknemers en hun werk-gevers die onder geen eigen PC ressorteren (zie artikel 1 van de koninklijke be-sluiten van 4 november 1974).

7. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, in zoverre het aanneemt dat de ver-mengde activiteiten van verweerster, zijnde een dienstverlenende activiteit ener-zijds, en een economische activiteit anderzijds, het niet mogelijk maken om een van beide activiteiten als hoofdactiviteit te aanzien en daardoor de andere activi-teit ondergeschikt te maken, wat inhoudt dat die vermengde activiteiten niet onder een eigen PC kunnen ressorteren, niet wettig heeft beslist dat de aanvullende paritaire comités niet bevoegd zijn omdat verweerster, zowel voor haar arbeiders als voor haar bedienden, reeds onder het Paritair Comité nr.329 voor de socio-culturele sector (subcomité nr.329.01 voor de Vlaamse Gemeenschap) valt (schending van de artikelen 1 van het koninklijk besluit van 28 oktober 1993, 1 en 2 van het koninklijk besluit van 21 september 2004, 1 van het koninklijk besluit van 4 november 1974 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van het Aanvullend Paritair Comité voor de werklieden (nr.100), 1 van het koninklijk besluit van 4 november 1974 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van het Aanvullend Paritair Comité voor de bedienden (nr.200), en 35 CAO-wet).

Derde onderdeel

8. Overeenkomstig artikel 2.5° van het koninklijk besluit van 28 oktober 1993, is het Paritair Comité nr. 329 voor de socio-culturele sector niet bevoegd voor de werkgevers die, op basis van de verrichte activiteit, ressorteren onder een ander daarvoor specifiek bevoegd paritair comité.

Dit houdt in dat de in artikel 1 van dat koninklijk besluit bedoelde werkge-vers die één van de in diezelfde bepaling bedoelde dienstverlenende activiteiten verrichten, van zodra zij, op basis van de verrichte activiteit, ressorteren onder een ander daarvoor specifiek bevoegd paritair comité, onder dat laatste paritair comité ressorteren.

De dienstverlenende activiteiten zijn in dat geval ondergeschikt aan die an-dere activiteit zodat de bevoegdheid van dat specifiek bevoegd paritair comité primeert op de bevoegdheid van het Paritair Comité (nr. 329) voor de socio-culturele sector, zelfs al is die andere activiteit niet de hoofdactiviteit.

9. Het bestreden arrest erkende dat verweerster een economische activiteit ver-richtte, welke eveneens het bestaan en de aard van de onderneming van verweer-ster rechtvaardigde.

Deze economische activiteiten ressorteren volgens eiser, voor de arbeiders, onder het Paritair Comité nr.142 voor de ondernemingen waar teruggewonnen grondstoffen opnieuw ter waarde worden gebracht, opgericht bij koninklijk besluit van 17 maart 1972, meer in het bijzonder het Paritair Subcomité voor de terug-winning van allerlei producten (nr.142.04), opgericht bij koninklijk besluit van 5 november 2002, alsook onder het Paritair Comité voor het kleding- en confectie-bedrijf nr.109, opgericht bij koninklijk besluit van 5 december 1973, en voor de bedienden, onder het Paritair Comité voor de zelfstandige kleinhandel nr.201, op-gericht bij koninklijk besluit van 22 maart 1973.

Gelet op deze economische activiteiten dient verweerster beschouwd te worden als een werkgever die, op basis van de verrichte activiteit, ressorteert on-der een ander daarvoor specifiek bevoegd paritair comité zoals bedoeld in artikel 2.5° van het koninklijk besluit van 28 oktober 1993.

De omstandigheid dat het op grond van de feitelijke beoordeling van de ac-tiviteiten van verweerster niet mogelijk is een van de beide activiteiten als hoofd-activiteit te aanzien en daardoor de andere activiteit ondergeschikt te maken (p.11, tweede alinea), en dat de PC's waarnaar eiser verwijst geen geschikt kader bieden nu de hoofdactiviteit van verweerster niet gericht is op deze activiteiten en daar-mee ook zelfs niet eens in concurrentie komt (p.11, vierde alinea), kan geen af-breuk doen aan de toepassing van artikel 2.5° van het koninklijk besluit van 28 oktober 1993, welke bepaling immers in alle omstandigheden de voorrang geeft aan de toepassing van het paritair comité dat specifiek bevoegd is voor een be-paalde activiteit waardoor het de toepassing van het Paritair Comité nr.329 voor de socio-culturele sector ondergeschikt maakt.

10. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig, zonder schending van arti-kel 2.5° van het koninklijk besluit van 28 oktober 1993, heeft beslist dat verweer-ster omwille van haar (dienstverlenende) activiteit valt onder het Paritair Comité nr. 329 voor de socio-culturele sector (subcomité nr.329.01 voor de Vlaamse Ge-meenschap), terwijl het bestreden arrest ook het bestaan vaststelde van economi-sche activiteiten waardoor verweerster, op grond van artikel 2.5° van het konink-lijk besluit van 28 oktober 1993, onder het toepassingsgebied van de specifiek voor die economische activiteiten bevoegde paritaire comités diende te vallen (schending van de artikelen 1, 2.5° van het koninklijk besluit van 28 oktober 1993, 1 en 2 van het koninklijk besluit van 21 september 2004 en 35 CAO-wet, 1, §1, van het koninklijk besluit van 17 maart 1972, 2 van het koninklijk besluit van 5 november 2002, 1 van het koninklijk besluit van 5 december 1973 en 1 van het koninklijk besluit van 22 maart 1973).

(...)

OM DEZE REDENEN,

besluit voor eiser ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassa-tie, dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, het bestreden arrest te ver-nietigen, de zaak en partijen te verwijzen naar een ander arbeidshof, kosten als naar recht.

(...)

(get.) Antoine DE BRUYN.

Vrije woorden

  • Ressort

  • Wijze van bepaling