- Arrest van 31 januari 2014

31/01/2014 - F.12.0030.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de artikelen 569, eerste lid, 32°, en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, alsook uit de artikelen 366 e.v. van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, inzonderheid uit artikel 376, §1, tweede lid, van dat wetboek, volgt dat niet de door de directeur der belastingen of de in zijn naam genomen beslissing maar de aanslag zelf het voorwerp kan uitmaken van een geschil voor de rechtbank van eerste aanleg, wanneer die aanslag na die beslissing geheel of gedeeltelijk blijft bestaan (1). (1) Zie concl. OM in Pas. 2014, nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0030.F

GLID'AIR bvba,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 6 oktober 2010.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 6 januari 2014 ter griffie een conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Het arrest overweegt "dat, sinds de inwerkingtreding van de wetten van 15 en 23 maart 1999, niet langer de beslissing van de directeur [der belastingen] maar de schuldvordering van de Staat (de aanslag) het voorwerp uitmaakt van de rechts-vordering voor de rechtbank van eerste aanleg en dat, hoewel er een verband is gelegd tussen het administratieve en het gerechtelijke beroep - het tweede kan niet zonder het eerste worden ingesteld -, blijft het niettemin een feit dat de rechtsvordering voortaan betrekking heeft op de wettigheid van de aanslag". Het arrest, dat vaststelt dat, in deze zaak, "het voorwerp van de oorspronkelijke vor-dering en van het door de [eiseres] ingestelde hoger beroep noch de nietigverkla-ring noch de gehele ontheffing van de aanslag is, aangezien de door de geweste-lijke directeur gedelegeerde ambtenaar dat reeds had toegekend", beslist "dat het hof van beroep zich zou mengen in de uitoefening van de aan de uitvoerende macht toegekende bevoegdheden en zich aan machtsoverschrijding schuldig zou maken indien het de redenen van nietigverklaring of ontheffing van een aanslag, die de gewestelijke directeur in de uitoefening van zijn uitvoerende functie heeft aangenomen, door haar eigen redenen zou vervangen".

Met deze overwegingen, die het Hof in staat stellen zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, motiveert het arrest regelmatig zijn beslissing om de oorspronkelijke vordering van de eiseres, die ertoe strekte andere redenen in de plaats te stellen van die van de beslissing van de directeur die als grondslag hebben gediend voor de gehele ontheffing van de litigieuze aanslag in de vennootschapsbelasting, niet-ontvankelijk te verklaren.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 569, eerste lid, 32°, Gerechtelijk Wetboek neemt de rechtbank van eerste aanleg kennis van geschillen betreffende de toepassing van een belas-tingwet.

Artikel 1385undecies, eerste lid, van hetzelfde wetboek bepaalt dat, tegen de be-lastingadministratie, de vordering inzake dergelijke geschillen slechts wordt toe-gelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georgani-seerde administratief beroep heeft ingesteld en, in het tweede lid, dat die vorde-ring wordt ingesteld binnen een termijn die varieert naargelang er over het admi-nistratief beroep al dan niet een beslissing is gewezen.

De artikelen 366 en volgende WIB1992 regelen de procedure voor het indienen van een bezwaar tegen de gevestigde aanslag. Volgens artikel 375, § 1, tweede lid, van dat wetboek, is de beslissing van de bevoegde directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar, die als administratieve overheid over het bezwaar uitspraak doet, onherroepelijk wanneer bij de rechtbank van eerste aanleg geen vordering is ingesteld binnen de in artikel 1385undecies Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn.

Uit die bepalingen volgt dat niet de door de directeur der belastingen of de in zijn naam genomen beslissing maar de aanslag zelf het voorwerp kan uitmaken van een geschil voor de rechtbank van eerste aanleg, wanneer die aanslag na die beslissing geheel of gedeeltelijk blijft bestaan.

Het onderdeel, dat aanvoert dat de rechtbank van eerste aanleg, niettegenstaande de gehele ontheffing van een aanslag door de directeur der belastingen, zou kun-nen kennisnemen van een geschil betreffende de redenen van die beslissing van de directeur, faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Gustave Steffens, Mireille Delange en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 31 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Aanslag

  • Beslissing van de directeur der belastingen

  • Betwisting

  • Rechtsvordering

  • Voorwerp