- Arrest van 6 februari 2014

06/02/2014 - C.13.0127.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Overeenkomstig artikel 5, vierde lid, van de Wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen is de teruggave aan de pachter van de pachtprijzen die het wettelijk bedrag overschrijden, slechts van toepassing op de vervallen en betaalde pachtgelden van de vijf jaren die aan het verzoek van de pachter voorafgaan; uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze bepaling niet van toepassing is op de rechtsvordering tot teruggave die gegrond is op een wetsontduiking om te ontsnappen aan de bepalingen van de Wet Beperking Pachtprijzen die van dwingend recht zijn (1). (1) Cass. 13 jan. 1977, AC 1977, 542.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0127.N

1. W.,

2. S.,

3. D.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eisers woon-plaats kiezen,

tegen

1. F.,

2. A.,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de verweerders woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Ieper van 19 september 2012.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het bestreden vonnis geeft niet te kennen dat de leningsovereenkomsten nietig zijn, maar stelt vast dat deze overeenkomsten fictief zijn.

Het onderdeel dat op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis berust, mist fei-telijke grondslag.

Tweede onderdeel

2. Overeenkomstig artikel 5, vierde lid, van de Wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen, hierna: Wet Beperking Pachtprijzen, is de terugga-ve aan de pachter van de pachtprijzen die het wettelijk bedrag overschrijden, slechts van toepassing op de vervallen en betaalde pachtgelden van de vijf jaren die aan het verzoek van de pachter voorafgaan.

3. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze bepaling niet van toepassing is op de rechtsvordering tot teruggave die gegrond is op een wetsontduiking om te ont-snappen aan de bepalingen van de Wet Beperking Pachtprijzen die van dwingend recht zijn.

4. De appelrechters die oordelen dat "nu de wetsontduiking bewezen is, de on-verschuldigde betaalde pachtgelden [kunnen] worden teruggevorderd door [de verweerders] op grond van betaling zonder oorzaak zonder deze vordering te be-perken tot de termijn van 5 jaar waarvan sprake in de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen", verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

5. De eisers voeren aan dat de appelrechters de artikelen 1235, eerste lid, 1376 en 1377, eerste lid, Burgerlijk Wetboek schenden door te oordelen dat de betaling van de interesten onverschuldigd is, hoewel zij niet besluiten tot de nietigheid van de leningsovereenkomsten.

6. De appelrechters oordelen dat de constructie van de leningsovereenkomsten enkel tot doel heeft extralegale pachtgelden te verkrijgen in strijd met de bepa-lingen van de Wet Beperking Pachtprijzen en wetsontduiking in hoofde van de ei-sers uitmaakt.

Op grond van deze reden vermochten de appelrechters te oordelen dat de extrale-gale pachtgelden betalingen zonder oorzaak zijn en kunnen worden teruggevor-derd.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

Ontvankelijkheid

7. De verweerders werpen een grond van niet-ontvankelijkheid op: het onder-deel is nieuw.

8. Het onderdeel is niet nieuw, wanneer het de schending aanvoert van een wettelijke bepaling die de feitenrechter volgens de motieven van zijn beslissing heeft toegepast.

9. De appelrechters oordelen enerzijds dat de vordering van de verweerders voor wat de extralegale pachtgelden betreft verjaart na dertig jaar en anderzijds dat hun vordering voor wat de roerende voorheffing betreft, verjaart door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft ge-kregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de aan-sprakelijke persoon.

Door aldus te oordelen passen de appelrechters artikel 2262bis, § 1, Burgerlijk Wetboek toe.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

10. Artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat alle persoon-lijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.

11. Artikel 10 van de Wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepa-lingen betreffende de verjaring bepaalt dat wanneer de rechtsvordering is ontstaan vóór haar inwerkingtreding, de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet slechts beginnen te lopen vanaf haar inwerkingtreding, zonder dat de totale duur van de verjaringstermijn meer dan dertig jaar mag bedragen.

12. Uit deze bepalingen volgt dat:

- wanneer het recht op de persoonlijke rechtsvordering ontstaan is vóór de in-werkingtreding van de voormelde wet van 10 juni 1998, de vordering door ver-loop van tien jaar verjaart, zonder dat de totale duur van de verjaringstermijn meer dan dertig jaar mag bedragen;

- wanneer het recht op de persoonlijke rechtsvordering ontstaan is na de inwer-kingtreding van deze wet, de vordering door verloop van tien jaar verjaart.

15. Door te oordelen dat "de vorderingen van [de verweerders] voor wat betreft de in handen van de eisers betaalde extralegale pachtgelden (...) een gemeen-rechtelijke rechtsvordering uitmaakt tot terugbetaling van onverschuldigde betaling zodat deze pas na dertig jaar verjaart", en de eisers mitsdien te veroordelen tot het terugbetalen van de extralegale pachtgelden voor de periode die aan 18 maart 2000 voorafgaat, schenden de appelrechters mitsdien artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek en artikel 10 van de Wet van 10 juni 1998.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de verjaring van de vordering van de verweerders tot terugbetaling van de extralegale pachtgelden.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Gent, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 6 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols K. Moens B. Wylleman

K. Mestdagh B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Wet Beperking Pachtpartijen

  • Pachtprijzen die het wettelijk bedrag overschrijden

  • Teruggave aan de pachter

  • Beperking in de tijd

  • Wetsontduiking