- Arrest van 7 februari 2014

07/02/2014 - C.12.0566.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter verantwoordt niet regelmatig zijn beslissing tot verwerping van de door de eiser ingestelde vordering tot schrapping van de onderhoudsbijdrage, wanneer hij oordeelt dat de kinderen even lang bij beide partijen verblijven, dat de door de eiser verschuldigde betaling van een onderhoudsbijdrage gemotiveerd werd door de ongelijkheid van inkomsten, dat, hoewel de verweerster thans weliswaar méér inkomsten geniet, die ongelijkheid blijft bestaan, dat de behoeften van de kinderen sinds de echtscheiding echter groter zijn geworden, aangezien de oudste 17 en de jongste 12 jaar oud is en dat, daarenboven, de kinderen weliswaar even lang bij beide partijen verblijven, maar dat belangrijke uitgaven, zoals kleding, eerder door de moeder dan door de vader gedragen worden.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0566.F

P. M.,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

tegen

C. D.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg van Neufchâteau van 13 juni 2012.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in het verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Artikel 1321, § 1, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, behoudens akkoord van de partijen over het bedrag van de onderhoudsbijdrage in het belang van het kind, el-ke rechterlijke beslissing die de onderhoudsbijdrage vaststelt op grond van artikel 203, § 1, Burgerlijk Wetboek volgende elementen vermeldt: 2° de gewone kosten waaruit het budget voor het kind is samengesteld alsook de manier waarop deze begroot zijn en 5° het bedrag van de kinderbijslag en van de sociale en fiscale voordelen van alle aard die elk van de ouders voor het kind ontvangt.

Het bestreden vonnis stelt vast dat het hof van beroep te Luik, bij arrest van 3 fe-bruari 2004, het bedrag van de onderhoudsbijdrage die de eiser aan de verweerster verschuldigd is, vaststelt op 200 euro per maand en per kind.

Het vonnis vermeldt dat de eiser "niet aantoont dat zijn situatie kennelijk ver-slechterd is sinds de dag van de uitspraak van de echtscheiding" op 31 maart 2004, aangezien hij destijds een inkomen van 2.652 euro per maand genoot en de verweerster "erkent dat zij een loon van 1.650 euro per maand ontving, dat wil zeggen een verhoging van ongeveer 700 euro per maand in de loop van de laatste acht jaar".

Het vonnis overweegt dat "de kinderen bij de twee partijen verblijven onder het stelsel van de gelijkmatige huisvesting; [dat] het hof van beroep de betaling van een onderhoudsbijdrage ten laste van [de eiser] verantwoordde door de ongelijk-heid van inkomsten; [dat] [de verweerster] thans weliswaar meer verdient, maar [dat] die ongelijkheid blijft bestaan; [dat] de behoeften van de kinderen echter groter zijn geworden, aangezien de oudste 17 en de jongste 12 jaar oud is; [dat,] voor het overige, hoewel de huisvesting gelijkmatig verdeeld is, bepaalde belang-rijke uitgaven, zoals kleding, gewoonlijk veeleer door de moeder dan door de vader gedragen worden [en dat], gelet op die elementen, de in het arrest van het hof van beroep te Luik vastgestelde onderhoudsbijdrage behouden moet blijven".

Het vonnis verantwoordt aldus niet regelmatig zijn beslissing tot verwerping van de vordering tot afschaffing van de onderhoudsbijdrage, die de eiser heeft inge-steld op grond van artikel 1321, § 1, 2° en 5°, van het Gerechtelijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het de onderhoudsbijdrage die de eiser aan de verweerder vanaf 27 april 2011 verschuldigd is, vermindert tot 200 euro per maand, beslist dat die bijdrage geïndexeerd wordt volgens de gebruike-lijke formule, waarbij de index van de maand maart 2011 als referentieindex geldt, en verweersters vordering tot vergoeding wegens roekeloos en tergend hoger beroep verwerpt.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Namen, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Michel Lemal en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 7 februari 2014 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Onderhoudsbijdrage in het belang van de kinderen

  • Bijzondere motiveringsplicht