- Arrest van 12 februari 2014

12/02/2014 - P.13.1304.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Bij de verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekeringen kan de beëindiging van de overeenkomst voor het schadegeval zich heeft voorgedaan, aan de benadeelde worden tegengeworpen; de benadeelde die een eigen recht heeft tegen de verzekeraar, en die de rechtstreekse vordering tegen die verzekeraar instelt, kan de geldigheid van die beëindiging betwisten en de rechtbank dient uitspraak te doen over het aldus opgeworpen geschilpunt (1). (1) Bernard Dubuisson, L'action directe et l'action récursoire, in La loi du 25 juin 1992 sur le contrat d'assurance terrestre, dix ans d'application, Collection des assurances nr. 13, Bruylant, p. 147; Jean-Luc Fagnart, Les interventions de l'assureur dans la procédure, in La loi sur le contrat d'assurance terrestre, Bilan et perspectives après 20 années d'application, Bruylant, p. 94.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1304.F

BELFIUS, voorheen genaamd DEXIA INSURANCE BELGIUM nv,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. E. V.,

2. C. V.,

3. P. V.,

4. H. V.,

5. KAS DER GENEESKUNDIGE VERZORGING VAN DE NMBS HOL-DING,

6. NMBS HOLDING,

partijen sub 5 en 6, mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie,

7. GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS.

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Doornik van 24 mei 2013, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 22 september 2010.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die uitspraak doet over de verplichting voor de eiseres om de schade te vergoeden van de verweerders E., C., P. en H. V., de Kas der geneeskundige verzorging van de NMBS Holding en de NMBS Holding

Middel

Eerste onderdeel

Het middel voert de schending aan van de artikelen 149 Grondwet, 1134 Burger-lijk Wetboek en de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat niemand van zijn recht misbruik mag maken.

Het in artikel 1134 Burgerlijk Wetboek vastgelegde beginsel, krachtens hetwelk overeenkomsten te goeder trouw ten uitvoer moeten worden gebracht, verbiedt een partij misbruik te maken van de rechten die de overeenkomst haar toekent. Bij de vaststelling van rechtsmisbruik moet de rechter, bij de beoordeling van de voorhanden zijnde belangen, rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.

De appelrechters hebben geoordeeld dat de plotse en onmiddellijke beëindiging van de verzekeringsovereenkomst tussen de eiseres en haar verzekerde in strijd was met het beginsel van de uitvoering te goeder trouw van de overeenkomsten. Daarvoor hebben ze de termijn in aanmerking genomen die tussen de betekening van de schorsing van de waarborg en de betekening van de beëindiging is verstre-ken. Ze hebben vermeld dat het feit dat de eiseres de schorsing van de dekking heeft laten ingaan ten aanzien van een onzorgvuldige verzekeringnemer, om ver-volgens de premie te vorderen terwijl ze ondertussen geen enkel risico heeft ge-dragen, in strijd was met de contractuele eerlijkheid, dat de verzekerde door de schorsing van de overeenkomst gedurende een termijn van honderdtweeëntwintig dagen uit het oog heeft kunnen verliezen dat de overeenkomst kon worden beëin-digd en dat de quasi-ogenblikkelijkheid van de beëindiging, de dag na het afgeven van de brief ter post, van dien aard was dat zij hem schade kon berokkenen die niet in verhouding staat tot het voordeel dat de eiseres daaruit heeft gehaald.

Met die overwegingen omkleedt het vonnis zijn beslissing regelmatig met redenen en verantwoordt het die beslissing naar recht. In strijd met wat het middel aan-voert, hoefde de rechtbank daarenboven, om het rechtsmisbruik aan te nemen of uit te sluiten, de toestand van de verzekerde van wie het slachtoffer de vergoeding van zijn schade vordert, niet te vergelijken met de toestand van de verzekerde die aan de regresvordering is blootgesteld.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het middel voert aan dat het vonnis niet antwoordt op het verweer dat is afgeleid uit het feit dat de verzekeringsovereenkomst op de dag van het ongeval was ge-schorst, zodat de eiseres, in geval van veroordeling tot vergoeding van de slacht-offers, hoe dan ook een regresvordering tegen de verzekerde kon instellen.

De rechtbank, die naar recht heeft geoordeeld dat het misbruik van het opzeg-gingsrecht was aangetoond, diende niet te antwoorden op dat verweer dat door haar beslissing irrelevant is geworden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

Het middel verwijt de appelrechters dat zij tot rechtsmisbruik hebben besloten zonder rekening te houden met het feit dat het ongeval zich heeft voorgedaan acht dagen na het verzenden van de beëindigingsbrief, met andere woorden op een ogenblik waarop de verzekerde hoe dan ook bewust diende te zijn van het risico op beëindiging van de overeenkomst.

Zoals hierboven vermeld, heeft de rechtbank de omstandigheden rond de beëindi-ging van de overeenkomst in aanmerking genomen op het ogenblik dat ze werd beëindigd. Ze dienden van de datum van het ongeval, waarvan overigens niet blijkt dat hij door de eiser bij conclusie is aangevoerd, geen omstandigheid te ma-ken die rechtsmisbruik uitsluit.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

Het middel verwijt het vonnis dat het niet antwoordt op het verweer dat is afgeleid uit de eerbiediging door de eiseres van artikel 13 van de modelovereen-komst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, als bijlage bij het koninklijk besluit van 14 december 1992, in zoverre die bepaling de verzekeraar geen enkele opzeggingstermijn oplegt wanneer hij, zoals te dezen, de verzekerde regelmatig en te gelegener tijd bericht heeft gegeven van de schorsing van de overeenkomst en zich het recht heeft voorbehouden de overeenkomst als-nog op te zeggen. De beslissing wordt ook verweten het voormelde artikel 13 te hebben geschonden.

De rechtbank heeft geoordeeld dat, hoewel bij de procedure tot opzegging van de verzekering, formeel de bij de wet en de overeenkomst bepaalde termijnen waren gevolgd, die procedure niettemin rechtsmisbruik oplevert door de quasi-ogenblikkelijkheid van de opzegging waardoor de verzekerde schade is berokkend die niet in verhouding staat tot het voordeel dat de eiseres daaruit heeft gehaald.

Het vonnis antwoordt aldus op het aangevoerde verweer en omkleedt zijn beslis-sing regelmatig met redenen en verantwoordt ze naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vijfde onderdeel

Het middel voert de schending aan van artikel 1134 Burgerlijk Wetboek. De eise-res voert aan dat de rechtbank niet kon aannemen dat de burgerlijke partijen, die derden zijn bij de verzekeringsovereenkomst, in hun voordeel een miskenning aanvoeren van het beginsel van de uitvoering te goeder trouw van de overeen-komsten.

Krachtens artikel 87, § 1, tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, kan, bij de verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekeringen, de beëindiging van de overeenkomst voor het schadegeval zich heeft voorgedaan, aan de be-nadeelde worden tegengeworpen.

Die bepaling houdt in dat de benadeelde die de rechtstreekse vordering instelt be-paald in artikel 86, eerste lid, van de wet, het recht heeft de geldigheid van die be-eindiging te betwisten, waaruit volgt dat de rechtbank uitspraak dient te doen over het aldus opgeworpen geschilpunt.

Het middel faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van afstand van het cassatieberoep, in zoverre het gericht is tegen de beslissingen die, op de burgerlijke rechtsvorderingen van de Kas der geneeskun-dige verzorging van de NMBS Holding en de NMBS Holding tegen de eiseres, uitspraak doen over de omvang van de schade.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 12 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekeringen

  • Beëindiging van de overeenkomst voor het schadegeval zich heeft voorgedaan

  • Tegenstelbaar aan de benadeelde

  • Benadeelde

  • Eigen recht tegen de verzekeraar

  • Draagwijdte

  • Recht om de geldigheid van de beëindiging te betwisten