- Arrest van 26 februari 2014

26/02/2014 - P.13.1637.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een beslissing is een eindbeslissing in de zin van artikel 19, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek wanneer daarin, bij de beslechting van een geschil, een principe wordt aangenomen dat de latere beslissing over de vordering zal beïnvloeden, ook al wordt die vordering pas later in haar geheel beslecht (1). (1) Cass. 2 april 1990, AR 8545-8620, AC 1989-90, nr. 462.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1637.F

BELGISCH GEMEENSCHAPPELIJK WAARBORGFONDS, voorheen Ge-meenschappelijk motorwaarborgfonds,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. O. T.,

2. J. R.,

3. M. T.,

4. G. N.,

5. J. D.,

6. BELGISCHE STAAT, minister van Landsverdediging.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Luik van 21 mei 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de eiser tegen de eerste vier verweerders

De eiser doet afstand van zijn cassatieberoep omdat het vonnis, door hem een provisioneel bedrag toe te kennen en de uitspraak over de kosten aan te houden, niet definitief uitspraak doet.

Het feit dat de uitspraak over de kosten wordt aangehouden heeft geen invloed op het definitieve karakter van de beslissing waarbij, zoals te dezen, uitspraak is gedaan over de gehele vordering. Uit het enkele feit dat de gevorderde en toegekende schadevergoeding provisioneel wordt genoemd, volgt niet dat de strafrechter zijn rechtsmacht over een ander punt van de vordering heeft willen behouden.

Aangezien de afstand op dwaling berust, wordt geen akte ervan verleend.

Middel

Eerste onderdeel

Bij vonnis van 18 september 2006 heeft de politierechtbank te Luik beslist dat zowel G. N. als O. T. een fout hebben begaan die in oorzakelijk verband staat met het ongeval en dat het slachtoffer zelf geen fout heeft begaan.

Niettegenstaande die beslissing heeft de voormelde rechtbank de eerste bovenge-noemde beklaagde voor drie vierde en de tweede voor een vierde van de schade aansprakelijk gesteld.

De eerste rechter heeft de burgerlijke rechtsvordering van het Gemeenschappelijk Fonds evenwel niet afhankelijk gesteld van de aan de gedeelde aansprakelijkheid inherente verdeling, aangezien hij die vordering gegrond heeft verklaard in zoverre ze gericht was tegen de eerste vier verweerders die hoofdelijk werden veroordeeld om het Fonds te vergoeden.

De correctionele rechtbank te Luik, waarbij het hoger beroep van de eerste drie verweerders aanhangig is gemaakt, heeft bij vonnis van 18 juni 2007 de beslissing van de eerste rechter bevestigd en de zaak voor verdere behandeling naar hem te-ruggestuurd.

De passieve hoofdelijkheid die de beklaagden en de burgerrechtelijk aansprakelij-ke partijen is opgelegd en die de rechtbank in hoger beroep heeft behouden, houdt in dat elke schuldenaar afzonderlijk, ten aanzien van de schuldeiser, hier de eiser, gehouden is tot de gehele schuld.

Die beslissing is een eindbeslissing in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek aangezien ze, door uitspraak te doen over een betwisting, een principe aanneemt dat de latere beslissing over de vordering zal beïnvloeden, ook al wordt die vordering pas later in haar geheel beslecht.

Wanneer de rechter een eindvonnis uitspreekt, wordt het geschilpunt aan zijn rechtsmacht onttrokken en kan hij niet meer op zijn beslissing terugkomen, ook niet met toestemming van de partijen.

Nadat het bestreden vonnis, in voortzetting van de zaak, het bedrag van de door de eiser aan het slachtoffer en diens werkgever toegekende bedragen heeft vastge-steld, veroordeelt het de vierde verweerder om het Gemeenschappelijk Fonds drie vierde van het bedrag te betalen, aangezien het overige vierde ten laste van de eer-ste drie verweerders is gelegd.

De appelrechters, die de schuldeiser aldus verplichten zijn vorderingen te verde-len, doen uitspraak over een geschilpunt dat niet meer bij hen aanhangig was, aangezien die verdeling definitief werd uitgesloten door, zoals hierboven gezegd, hun vonnis van 18 juni 2007 dat in dezelfde zaak en tussen dezelfde partijen was gewezen.

De miskenning van de regel van de onttrekking komt neer op machtsoverschrij-ding en leidt tot cassatie omdat dit in strijd is met artikel 19 Gerechtelijk Wet-boek.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis, in zoverre het uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering van de eiser tegen G. N., O. T., J. R. en M. T.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Veroordeelt de eiser tot een derde van de kosten van zijn cassatieberoep en de eer-ste vier verweerders tot een zesde van die kosten.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank te Namen, zitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 26 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van voorzitter Paul Maffei en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De voorzitter,

Vrije woorden

  • Eindvonnis in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek