- Arrest van 28 februari 2014

28/02/2014 - C.13.0380.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest dat uitgesproken is door een zetel die een welbepaalde raadsheer bevat en in hoger beroep de zaak zelf beslecht, terwijl een vorig arrest, uitgesproken door een zetel die dezelfde raadsheer bevat, in hoger beroep uitspraak heeft gedaan over de vordering tot aanstelling van een gerechtsdeskundige in die zaak, is niet uitgesproken door een rechter die, in de zin van artikel 292, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, een ander rechterlijk ambt uitoefende (1). (1) Zie concl. AG Th. Werquin voor Cass. 24 okt. 2003, AR C.01.0555.F in Pas. 2003, nr. 526 en aldaar vermelde rechtspraak. De oplossing kan eigenaardig lijken in het licht van art. 6 EVRM, maar het middel doelde slechts op de schending van art. 292 Gerechtelijk Wetboek en zoals O. Mignolet aanstipt (“Observations sur la mise en cause de l’impartialité du juge lorsque celui-ci cumule les fonctions du juge provisoire et du fond, au regard des principes et des sanctions”, R.D.J.P. 2001, p. 39 e.v., inz. 46), “lorsque la Cour se prononce sur une question d’impartialité au regard d’une disposition de droit belge, elle limite son analyse aux conditions impositions imposées par ces dispositions, sans nécessairement s’assurer par ailleurs de la compabilité parfaite de la situation avec les principes généraux dégagés à Strasbourg”.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0380.F

DEXIN nv,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

C. d. H.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 januari 2013.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert de volgende twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepaling

- Artikel 292, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Het bestreden arrest, dat vaststelt dat de eiseres op 22 november 2005 een huis met kelder verkocht heeft aan de verweerder; dat de verweerder zich reeds op 15 december 2005 bij de eiseres beklaagde over het bestaan van verborgen gebreken en over het feit dat de verkochte kelder niet overeenstemde met de omschrijving ervan in de voorlopige koopovereenkomst; dat de verweerder de eiseres op 5 juli 2006 heeft gedagvaard tot betaling van een schadevergoeding van 25.000 euro wegens verborgen gebreken en van 2.500 euro als vergoeding voor de aanwezigheid van puin in de kelder; dat hij daarenboven de aanstelling van een deskundige vorderde; dat de verweerder, aangezien die maatregel hem op de inleidende zitting niet werd toegekend, de eiseres heeft gedagvaard in kort geding; dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel in kort geding bij beschikking van 23 augustus 2006een deskundige heeft aangesteld; dat het hoger beroep van de eiseres tegen die beslissing niet-gegrond is verklaard door een arrest van dat hof van 7 maart 2007; dat het deskundigenverslag is neergelegd op 21 augustus (lees: 15 oktober) 2007,

veroordeelt de eiseres, met bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, om aan de verweerder 14.675,43 euro te betalen ter vergoeding van de verborgen gebreken van het verkochte pand, 7.500 euro ter vergoeding van de genotsderving die voortvloeit uit die gebreken en 7.500 euro wegens de niet-overeenstemming van de verkochte kelder, waarbij die bedragen vermeerderd worden met de interest, en veroordeelt de eiseres tot de kosten van de twee aanleggen, naast de kosten van de rechtspleging in kort geding en de kosten van het deskundigenonderzoek.

Grieven

Luidens artikel 292, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek "is het vonnis, gewezen door een rechter die vroeger bij het uitoefenen van een ander rechterlijk ambt kennisgenomen heeft van de zaak, nietig". Om te bepalen of een rechter van de zaak kennisgenomen heeft bij het uitoefenen van een ander rechterlijk ambt, moet worden onderzocht of hij vroeger heeft kennisgenomen van hetzelfde geschil, van dezelfde betwisting; de rechter die al eerder het geschil of de betwisting heeft beslecht, is immers niet meer geschikt om de zaak onpartijdig te berechten.

Het bestreden arrest moet te dezen met toepassing van die bepaling worden ver-nietigd om twee redenen.

(1) Het arrest van het hof van beroep te Brussel van 7 maart 2007 (tweede kamer, AR 2006/KR/358), dat in hoger beroep uitspraak doet over de door de verweerder voor de rechter in kort geding ingestelde vordering tot aanstelling van een ge-rechtsdeskundige, is uitgesproken door een zetel met raadsheer Van der Steen. In dat arrest heeft het hof van beroep uitspraak gedaan over de door de verweerder aangevoerde genotsderving van het goed in de volgende bewoordingen: "Op het ogenblik dat de procedure in kort geding werd ingeleid (namelijk op 31 juli 2006), beschikte de [verweerder] nog steeds niet over het normale genot van het gekochte goed, wegens de door hem aangeklaagde onregelmatigheden die een weerslag hadden op de stevigheid en de hygiëne van het gebouw. Een deskundige moest snel worden aangesteld teneinde de gebreken op tegenspraak vast te stellen, de middelen te bepalen om die gebreken te verhelpen en de plaats vrij te maken". De verweerder vorderde echter voor de appelrechter, bij de uitspraak over de grond van de zaak, een vergoeding van 7.500 euro wegens de genotsderving die hem gedurende vijf maanden, van 1 januari tot 31 mei 2006, belet heeft zijn pand te verhuren. De eiseres betwistte die vordering. Het hof van beroep heeft het geschil beslecht door het bestreden arrest, dat is gewezen door een zetel die samengesteld was met raadsheer Van der Steen en waarin dat hof het bestaan van genotsderving gedurende de voormelde periode, dat wil zeggen de periode vóór de inleiding van de procedure in kort geding, aannam.

Het bestreden arrest is derhalve nietig krachtens artikel 292, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, omdat het is gewezen door een zetel met een raadsheer die reeds van het geschil over het bestaan van genotsderving had kennisgenomen vóór 31 juli 2006, bij het uitoefenen van een ander gerechtelijk ambt.

(2) De beschikking in kort geding van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 23 augustus 2006 (nr. 2006/1205/C van de rol van de zaken in kort geding), dat de aanstelling van een gerechtsdeskundige beveelt, is uitgesproken door rechter Tassin. Die beschikking in kort geding bevat de volgende redenen "over de gegrondheid": "De [eiseres] werpt op dat de koopakte een beding tot ontheffing van aansprakelijkheid voor zichtbare en verborgen gebreken bevat; [...] het wordt niet betwist dat de [eiseres] een vastgoedhandelaar is, zodat zij het in de overeenkomst bepaalde beding tot ontheffing van aansprakelijkheid niet kan aanvoeren". Welnu, bij de uitspraak over de grond van de zaak voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, verdedigde de eiseres zich tegen de tegen haar ingestelde vordering door zich te beroepen op het in de koopakte bepaalde beding tot ontheffing van aansprakelijkheid. Bij de uitspraak over de betwisting diende de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, die uitspraak deed over de grond van de zaak, ook te antwoorden op de vraag of de eiseres dat beding met goed gevolg kon aanvoeren. Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 22 juni 2010 over de grond van de zaak, dat ook door rechter Tassin is gewezen, geeft een ontkennend antwoord op die vraag, op grond, in substantie, dat de eiseres een beroepsverkoper (een vastgoedmakelaar) is van wie verondersteld wordt dat hij het verborgen gebrek kent van de zaak die hij verkoopt.

Dat vonnis is dus nietig omdat het, met schending van artikel 292, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, is gewezen door een rechter die vroeger van hetzelfde geschil heeft kennisgenomen in het uitoefenen van een ander rechterlijk ambt. Het bestreden arrest verklaart dat vonnis niet nietig, integendeel, het bevestigt het, met uitzondering van de kosten, door de redenen ervan gedeeltelijk over te nemen, met name wat betreft de feiten en de voorafgaande rechtspleging in de zaak en ook wat betreft het door de eiseres aangevoerde ontheffingsbeding. Het bestreden arrest is dus ook nietig.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Krachtens artikel 292, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek is het vonnis, gewezen door een rechter die vroeger bij het uitoefenen van een ander rechterlijk ambt kennisgenomen heeft van de zaak, nietig.

Uit de vermeldingen van de arresten van 7 maart 2007 en 28 januari 2013 blijkt dat die twee arresten zijn gewezen door twee kamers van hetzelfde hof van be-roep, waarin de heer Van der Steen, raadsheer bij dat hof van beroep, zitting had.

Het arrest van 28 januari 2013 is niet gewezen door een rechter die, in de zin van artikel 292, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, een ander rechterlijk ambt uitoefende dan het ambt dat hij uitoefende bij de uitspraak van het arrest van 7 maart 2007.

Uit de vermeldingen van de beschikking van 23 augustus 2006 en van het vonnis van 22 juni 2010 blijkt dat die twee beslissingen in dezelfde graad van aanleg zijn gewezen door dezelfde rechter van dezelfde rechtbank van eerste aanleg.

Het vonnis van 22 juni 2010 is niet gewezen door een rechter die, in de zin van ar-tikel 292, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, een ander rechterlijk ambt uitoefende dan het ambt dat hij uitoefende bij de uitspraak van de beschikking van 23 augustus 2006.

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over de vordering tot vergoeding van de verweerder wegens niet-overeenstemming van de kelder en over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiseres in de helft van de kosten, houdt de andere helft aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 28 fe-bruari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezig-heid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Beslissing door een rechter die vroeger bij het uitoefenen van een ander rechterlijk ambt kennis genomen heeft van de zaak

  • Raadsheer