- Arrest van 28 februari 2014

28/02/2014 - F.13.0041.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de artikelen 126, eerste en derde lid, alsook uit artikel 346, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 volgt dat de administratie, ingeval het bedrag van de door de echtgenoten aangegeven inkomen wordt verhoogd, en die echtgenoten die verhoging niet schriftelijk hebben erkend, de wijzigingsprocedure die in voornoemd artikel 346 wordt geregeld, moet respecteren.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.13.0041.F

1. M. C. en

2. M. E.

Mr. Xavier Thiébaut, advocaat bij de balie van Luik.

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 20 juni 2012.

Raadsheer Sabine Geubel heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In het cassatieverzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard afschrift bij dit arrest is gevoegd, voeren de eisers een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Luidens artikel 126, eerste lid, WIB1992, in de versie ervan die van toepassing is op het geschil, worden, ongeacht het huwelijksvermogensstelsel, de andere in-komsten dan beroepsinkomsten van echtgenoten samengevoegd met de beroeps-inkomsten van de echtgenoot die het meest zulke inkomsten heeft. In diezelfde versie bepaalt artikel 126, derde lid, dat de aanslag op naam van beide echtgeno-ten wordt gevestigd.

Krachtens artikel 346, eerste lid, van dat wetboek stelt de Administratie, indien zij meent de inkomsten en andere gegevens te moeten wijzigen welke de belastingplichtige heeft vermeld in een aangifte die voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311 of van ter uitvoering van artikel 312 genomen bepalingen, dan wel schriftelijk heeft erkend, hem bij een ter post aangetekende brief in kennis van de inkomsten en andere gegevens die zij voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven of schriftelijk erkend, en vermeldt zij de redenen die naar haar oordeel de wijziging rechtvaardigen.

Uit die bepalingen volgt dat de Administratie, ingeval het bedrag van de door de echtgenoten aangegeven inkomsten wordt verhoogd, en die echtgenoten die verhoging niet schriftelijk hebben erkend, de wijzigingsprocedure die in voornoemd artikel 346 wordt geregeld, moet respecteren.

Het arrest stelt vast dat het geschil betrekking heeft op de aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar 1996 die ten name van de eisers is vastgesteld na "een controle ter plaatse [die heeft] geleid tot een erkenning die enkel door de [eiser] was ondertekend" en dat hun bezwaar tegen die aanslag, dat steunt op de ontstentenis van erkenning door de eisers, werd verworpen.

Het verklaart het hoger beroep van de eisers ongegrond op grond dat "de schriftelijke erkenning van de belastingschuldige over de verhoging van de aangegeven baten vrijelijk en zonder voorbehoud is gedaan; dat niet bewezen is dat die erkenning de formele kenmerken van een belastingaangifte diende te hebben; dat de geschreven en door [de eiser] ondertekende erkenning bewijswaarde bezit waarop de administratie zich kan beroepen om de aangifte te wijzigen; dat de [eisers] niet aantonen dat die erkenning met enige fout behept is; dat niet wordt betwist dat de [eiser], bij die controle, alleen was, slechts vergezeld van zijn boekhouder; dat de beslissing aan de beide echtgenoten werd gericht en werd beantwoord met een faxbericht dat alleen door [de eiser] werd ondertekend; dat de door [hem] ondertekende erkenning meer dan vijftien dagen na de controle, na rijp beraad, werd gegeven en voor de inkomsten van [zijn] activiteit".

Aangezien uit geen enkele van de vermeldingen van het arrest blijkt dat de eiseres schriftelijk heeft ingestemd met de verhoging van de aangegeven baten en dat de administratie, bij ontstentenis daarvan de in artikel 346 WIB1992 bedoelde proce-dure van wijziging van de aangifte in gang heeft gezet, schendt het arrest die wetsbepaling wanneer het beslist dat de instemming van de eiser als bewijsmiddel in aanmerking moet worden genomen en daaruit afleidt dat het hoger beroep niet gegrond is.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 28 fe-bruari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezig-heid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Door de echtgenoten aangegeven inkomsten

  • Verhoging

  • Geen schriftelijke erkenning

  • Wijzigingsprocedure