- Arrest van 4 maart 2014

04/03/2014 - P.13.1775.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Indien de procureur des Konings in zijn schriftelijke vordering de geldwaarde van de vermogensvoordelen heeft geraamd, kan de rechter de bijzondere verbeurdverklaring bij equivalent van de vermogensvoordelen uitspreken voor een hoger bedrag dan het in die schriftelijke vordering vermelde bedrag; in een dergelijk geval is hij niet verplicht is om voorafgaandelijk de beklaagde de gelegenheid te geven daarover verweer te voeren.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1775.N

I

1. C M K,

beklaagde,

2. M C K,

beklaagde,

eisers.

II

E L,

beklaagde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Thomas Gillis, advocaat bij de balie te Gent,

III

F J V,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Johan Van Driessche, advocaat bij de balie te Oudenaarde,

IV

E O,

beklaagde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie te Gent,

de cassatieberoepen II, III en IV tegen

1. N D L,

burgerlijke partij,

2. A V,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 2 oktober 2013.

De eisers I voeren geen middel aan.

De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest spreekt de eiser I.1 vrij voor de telastlegging Q.1, de eiser I.2 voor de telastlegging C.1, de eiser II voor de telastleggingen H.1 en K.1 voor zover die betrekking hebben op de uitvoer naar Italië, de eiser III voor de telastlegging H.1 voor zover die betrekking heeft op de uitvoer naar Italië en voor de telastlegging K.1 en de eiser IV voor de telastleggingen D en G voor zover die betrekking heb-ben op de uitvoer naar Italië.

In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen van de ei-sers, voor elk wat hen betreft, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Middel van de eiser II

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 163 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de motiveringsverplichting van de rechter en de exceptio obscuri libelli: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de telastleg-gingen I.1 (transporten van heroïne) en J (transporten van cocaïne) vervat zitten in de telastlegging H.1, welke betrekking heeft op de transporten van heroïne of co-caïne, zodat niet moet worden geoordeeld over de telastleggingen I en J; met het oordeel dat het zou gaan om "met name de door de internationaal gestructureerde criminele organisatie, waarvan zowel A L als de initieel eerste, tweede en vierde beklaagde deel uitmaakten, georganiseerde drugstransporten in de weerhouden incriminatieperiode, behelzende de invoer van respectievelijk heroïne (tenlaste-leggingen H.1 en I.1) cocaïne (tenlasteleggingen H.1 en J) en hasj (tenlastelegging K.1)", leiden de appelrechters gevolgen af die op grond van hun vaststellingen niet kunnen worden aangenomen; wanneer aan een rechter via de verwij-zingsbeslissing wordt gevraagd te oordelen of een beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in of het bezit van ofwel cocaïne ofwel heroïne en meer specifiek van minstens 10 tot minstens 56 kilogram, dan kan de rechter daaraan niet de voormelde eigen invulling geven, indien de partijen over deze invulling niet werden gehoord; onder de telastleggingen H.1, I.1 en J kunnen een veelheid van in het strafdossier vermelde feiten vallen; het is niet aan de rechter of aan de verdediging om daaruit de feiten te distilleren die aan de eiser II kunnen worden ten laste gelegd, maar de rechter dient de vervolgende partij om een mogelijke precisering te verzoeken, zo niet kan de rechtspleging met betrekking tot deze te-lastleggingen niet leiden tot een veroordeling of moet de strafvordering onontvan-kelijk worden verklaard.

3. In zoverre het middel betrekking heeft op het aspect uitvoer naar Italië van de telastlegging H.1, waarvoor de eiser II is vrijgesproken en zijn cassatieberoep in zoverre niet ontvankelijk is, behoeft het geen antwoord.

4. Artikel 163 Wetboek van Strafvordering is van toepassing op de politie-rechtbanken en niet op de hoven van beroep.

In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

5. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of de omschrijving van de feiten in de verwijzingsbeslissing of dagvaarding zodanig precies is dat hij weet voor welke feiten hij is gevat en de beklaagde weet voor welke feiten hij zich moet verdedigen.

6. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of de omschrijving van bepaalde feiten in de verwijzingsbeslissing of dagvaarding vervat is in een andere om-schrijving van dezelfde feiten in deze verwijzingsbeslissing of dagvaarding, zodat hij zich niet meer over de eerst bedoelde omschrijving hoeft uit te spreken.

Door te oordelen dat een bepaalde omschrijving van feiten vervat is in een andere omschrijving van dezelfde feiten in de verwijzingsbeslissing of de dagvaarding spreekt de rechter zich niet uit over andere of anders omschreven feiten. Het recht van verdediging vereist niet dat de rechter die aldus oordeelt de partijen daarvan voorafgaandelijk in kennis moet stellen. De partijen kunnen zich immers ten volle verdedigen over het voorwerp van de vervolging, dat ongewijzigd blijft.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

7. De appelrechters oordelen dat de omschrijvingen van de telastleggingen H.1, I.1 en J.1 in samenhang met het dossier afdoende gepreciseerd zijn opdat de beklaagden aan wie deze feiten worden verweten, zouden weten welke feiten hen worden ten laste gelegd en dat het met name gaat om in de weerhouden incrimina-tieperiode georganiseerde drugtransporten door de internationaal gestructureerde organisatie waarvan onder meer de eiser II deel uitmaakte en welke de invoer, het bezit, het vervoer en de uitvoer van respectievelijk heroïne (telastleggingen H.1 en I.1), cocaïne (telastleggingen H.1 en J) en hasj (telastlegging K.1) behelsde.

Zij oordelen eveneens dat de telastleggingen I.1 (transporten van heroïne) en J (transporten van cocaïne) vervat zitten in de telastlegging H.1 (transporten van he-roïne of cocaïne), zodat niet hoeft te worden geoordeeld over de telastleggingen I.1 en J.

Met die redenen leiden de appelrechters geen gevolgen uit hun vaststellingen af die op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen, maar verantwoorden ze integendeel hun beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Eerste middel van de eiser III

8. Het middel voert schending aan van artikel 322 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser III ten onrechte schuldig aan de telastlegging C2; om hem schuldig te verklaren als aanstoker, hoofd of bevelvoerder van een bende volstaat het niet om vast te stellen dat er een verdeling van taken was; dat gegeven volstaat niet om te kunnen spreken van een georganiseerde groep van personen die het oogmerk heeft om op personen of eigendommen aanslagen te plegen die misdaden of wanbedrijven zijn.

9. Bendevorming in de zin van artikel 322 Strafwetboek vereist een vereniging van fysieke personen, georganiseerd met het oog op de uitvoering van het oog-merk van die vereniging, dat bestaat in het plegen van aanslagen op personen of op eigendommen. De organisatie moet een opzettelijk karakter hebben, wat elke toevallige of onvoorziene bijeenkomst uitsluit en zij moet de leden op ondubbel-zinnige wijze aan elkaar binden tot een groep die op het geschikte ogenblik kan optreden.

10. De appelrechters oordelen dat:

- een vereniging strafrechtelijk gezien een feitelijk begrip is, dat het zich verbin-den met anderen tot een misdadig opzet omvat, waarbij die samenwerking als een eenheid naar buiten treedt;

- de vereniging geen uitgesproken karakter van bestendigheid moet hebben, maar dat het volstaat dat ze een werkelijk bestaan heeft en dat de leden ervan aan elkaar verbonden zijn om te handelen op het geschikte ogenblik;

- de essentie van de vereniging het bestaan is van enige organisatie, zoals een verdeling van taken;

- de organisatie het moet mogelijk maken om op het gepaste ogenblik de ongeoorloofde bedrijvigheid uit te voeren;

- uit de geloofwaardige verklaringen van S A, S C en de zussen S blijkt dat de eiser III, die stelt dat hij dringend geld nodig had, bij S A met het idee afkwam om de Nederlandse drugorganisatie waarvoor hij werkte 10 kilogram heroïne afhandig te maken;

- de eiser III bij A informeerde of hij de nodige contacten had om deze heroïne te verkopen;

- na enkele gesprekken A besliste mee te stappen in het verhaal en hij op zoek ging naar kopers voor de heroïne;

- ook S C die voor de organisatie de heroïne naar het Zwitserse Basel diende te vervoeren, in het plan werd betrokken, alsmede de zussen S;

- met N D werd afgesproken de schuld voor de verdwijning van de drugs in de schoenen te schuiven van de verweerder 2;

- waar ieder zijn rol had bij het uitvoeren van de ripdeal, tevens omvattende het verkopen van de geripte heroïne, bezwaarlijk kan worden gesteld dat zij samen geen vereniging vormden, waarvan de eiser III overduidelijk de aanstoker en de leider was.

Met die redenen, die niet enkel verband houden met de verdeling van taken, ver-antwoorden de appelrechters naar recht de beslissing dat er sprake was van een georganiseerde groep zoals vereist voor de toepassing van artikel 322 Strafwet-boek.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eiser III

Eerste onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 434 en 437 Strafwet-boek: het arrest verklaart de eiser III ten onrechte schuldig aan de telastleggingen L en R.1; het misdrijf van wederrechtelijke vrijheidsberoving vereist een algemeen opzet; met het oordeel dat "hij bij het maken van de afspraken met N D en om de schuld voor de verdwijning van de drugs in de schoenen te schuiven van [de verweerder 2] (kon) voorzien dat de (door hem genoegzaam bekende) organisatie ten diens opzichte gewelddadig zou optreden. Bovendien heeft hij, nadat hij in kennis was gesteld van hun gevangenneming, op geen enkel ogenblik getracht hieraan een einde te maken", stelt het arrest niet het voor dit misdrijf vereiste al-gemeen opzet vast en motiveert het evenmin waarom "het voorzien van geweld-dadig optreden" en "het niet trachten hieraan een einde te maken" als een aanslag op de persoonlijke vrijheid dienden te worden omschreven; met het voormelde oordeel stelt het arrest ook niet vast dat de eiser III kennis had van deze mis-drijven, zodat hij geen deelnemer kan zijn.

12. De appelrechters oordelen met betrekking tot deze telastleggingen dat:

- de eiser III met N D heeft afgesproken de schuld voor de verdwijning van de drugs in de schoenen te schuiven van de verweerder 2, die zij ook door de or-ganisatie lieten bedreigen en ontvoeren;

- de eiser III, ofschoon hij niet het initiatief heeft genomen voor de wederrechte-lijke gevangenneming van de verweerders, bij het maken van de afspraken met N D om de schuld voor de verdwijning van de drugs in de schoenen te schui-ven van de verweerder 2, kon voorzien dat de door hem genoegzaam gekende organisatie tegenover hem gewelddadig zou optreden;

- de eiser III, nadat hij in kennis was gesteld van hun gevangenneming, op geen enkel ogenblik heeft getracht hieraan een einde te maken;

- de eiser III, toen hij op de parking van de autostrade te Drongen door de Nederlanders werd gevraagd of de verweerder 2 de chauffeur was van de camion die de drugs had vervoerd, integendeel bevestigend heeft geantwoord, waarna de slachtoffers naar Nederland werden vervoerd;

- de eiser III, die zich door zijn eigen handelen in deze situatie had gebracht en kon weten dat de organisatie na de vaststelling van de verdwijning van 10 kilo-gram heroïne het daarbij niet zou laten, zich bezwaarlijk op de rechtvaardi-gingsgrond noodtoestand kan beroepen om aan te voeren dat hij niet anders kon dan de verweerder 2 aan te duiden als chauffeur die de verdwenen drugs had vervoerd.

Met het geheel van die redenen geven de appelrechters te kennen dat de eiser III door zijn handelen wetens en willens de Nederlanders behorend tot de drugorga-nisatie heeft aangezet tot de met de telastleggingen L en R1 bedoelde misdrijven en stellen zij het in zijnen hoofde vereiste deelnemingsopzet vast. Aldus verant-woorden zij de schuldigverklaring van de eiser III als mededader aan deze telast-leggingen naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 71 Strafwetboek: het arrest verwerpt ten onrechte eisers beroep op noodtoestand; de omstandigheid dat de ei-ser zichzelf in een noodsituatie heeft gebracht, sluit de toepassing van artikel 71 Strafwetboek niet uit.

14. Noodtoestand vormt alleen dan een rechtvaardigingsgrond als de waarde van hetgeen wordt prijsgegeven lager is dan of gelijk is aan de waarde van het goed dat men wil vrijwaren, het te vrijwaren recht of belang een dadelijk en ern-stig gevaar loopt, het kwaad alleen door het misdrijf kan worden voorkomen en de betrokkene de noodtoestand niet zelf heeft doen ontstaan.

Er kan van noodtoestand geen sprake zijn indien de dader, zonder daartoe ge-dwongen te zijn, zich bewust heeft geplaatst in een toestand die op voorzienbare wijze leidt tot een conflict tussen belangen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

15. De appelrechters die oordelen dat: "De beklaagde die zich door zijn eigen handelen in deze situatie heeft gebracht (hij kon weten dat de organisatie na vast-stelling van de verdwijning van 10 kg heroïne het daarbij niet zou laten), kan zich bezwaarlijk beroepen op de rechtvaardigingsgrond "noodtoestand" om aan te voeren dat hij niet anders kon dan [de verweerder 2] aanduiden als de chauffeur die de verdwenen drugs vervoerd had.", verantwoorden hun beslissing naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door enkel te oordelen dat de eiser III kon voorzien dat de organisatie gewelddadig zou optre-den en dat hij niet heeft getracht een einde te maken aan de wederrechtelijke vrij-heidsberoving van de verweerders, verzuimen de appelrechters het strafbaar feit in al zijn wettelijke bestanddelen te omschrijven.

17. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.

18. Het arrest dat de eiser schuldig verklaart aan de telastleggingen L en R.1, die omschreven zijn in de bewoordingen van de wet, omschrijft aldus wel degelijk deze strafbare feiten in al hun wettelijke bestanddelen.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede misken-ning van het recht van verdediging: het arrest laat niet alleen na te antwoorden op eisers in zijn appelconclusie aangevoerd verweer over de afwezigheid van de con-stitutieve bestanddelen van het door de artikelen 434 en 437 Strafwetboek bedoelde misdrijf, maar het veroordeelt hem daarvoor ook zonder afdoende bewijs van algemeen opzet in zijnen hoofde; de verwijzing naar "het voorzien" en "het nalaten" is ruimschoots onvoldoende om de feiten lastens de eiser III bewezen te verklaren; eenieder wordt onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt.

20. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.

21. Voor het vorige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling door de rechter van eisers schuld aan de hem verweten feiten en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

Middel van de eiser IV

22. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 43bis Straf-wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: de appelrechters verklaren ten onrechte lastens de eiser IV een be-drag van 350.000 euro verbeurd als het equivalent bedrag van de vermogensvoor-delen; een verbeurdverklaring voor een dergelijk bedrag valt buiten de grenzen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie; het openbaar ministerie had immers voor de eerste rechter schriftelijk slechts de bijzondere verbeurdver-klaring gevorderd van een bedrag van 266.000 euro, de eerste rechter verklaarde dit bedrag verbeurd en het openbaar ministerie voor het appelgerecht vroeg daar-van de bevestiging; de stelling dat de schriftelijke vordering het bedrag begrenst dat de rechter als vermogensvoordelen kan verbeurd verklaren, beantwoordt aan het doel dat de wetgever met die schriftelijke vordering voor ogen had, namelijk het waarborgen van het recht van verdediging door te vermijden dat een beklaag-de wordt geconfronteerd met de verbeurdverklaring van een niet-gevorderd be-drag waarover hij zich niet verdedigd heeft; minstens hadden de appelrechters de eiser IV moeten uitnodigen zich op het vlak van de bijzondere verbeurdverklaring te verdedigen.

23. Artikel 43bis, eerste en tweede lid, Strafwetboek bepaalt:

"De bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, kan door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voor zover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd.

Indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de veroor-deelde, raamt de rechter de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring be-trekking op een daarmee overeenstemmend bedrag."

24. De wetgever beoogde met de invoering van de verplichting van een schrifte-lijke vordering door het openbaar ministerie het recht van verdediging beter te waarborgen door te vermijden dat een beklaagde zou worden geconfronteerd met een bijzondere verbeurdverklaring die niet was gevorderd en waarover hij zich niet had verdedigd. De rechter kan niet op eigen initiatief een facultatieve bijzondere verbeurdverklaring uitspreken, maar slechts nadat de beklaagde is verwittigd door middel van een schriftelijke vordering van het openbaar miniserie.

25. Het met dat doel gewijzigde artikel 43bis Strafwetboek vereist evenwel niet dat de procureur des Konings in zijn schriftelijke vordering de geldwaarde zou ramen. De wetgever liet het integendeel aan de rechter over die geldwaarde te ra-men.

De rechter raamt onaantastbaar de geldwaarde van de niet in het vermogen van de veroordeelde aan te treffen vermogensvoordelen, mits het vermogensvoordelen betreft welke opgeleverd zijn door de in de schriftelijke vordering van de procu-reur des Konings vermelde telastleggingen en voor zover de rechter die telastleg-gingen heeft bewezen verklaard.

26. Wanneer de procureur des Konings de bijzondere verbeurdverklaring schrif-telijk heeft gevorderd en indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de veroordeelde, is de raming van de geldwaarde altijd in het debat voor de strafrechter.

27. Uit het voorgaande volgt dat, indien de procureur des Konings in zijn schrif-telijke vordering de geldwaarde van de vermogensvoordelen heeft geraamd, de rechter de bijzondere verbeurdverklaring bij equivalent van de vermogensvoorde-len kan uitspreken voor een hoger bedrag dan het in die schriftelijke vordering vermelde bedrag en dat hij in een dergelijk geval niet verplicht is om voorafgaan-delijk de beklaagde de gelegenheid te geven daarover verweer te voeren.

Het recht van verdediging is afdoende gewaarborgd doordat de beklaagde inge-volge de schriftelijke vordering van de procureur des Konings weet dat tegen hem een bijzondere verbeurdverklaring bij equivalent van vermogensvoordelen alsook voor welke telastleggingen die kan worden uitgesproken. Hij is aldus in de gele-genheid verweer te voeren over de mogelijkheid van de bijzondere verbeurdver-klaring bij equivalent van vermogensvoordelen en de omvang ervan.

Het middel dat geheel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Onmiddellijke aanhouding

29. Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van de cassatieberoepen tegen de beslissing op de strafvordering gaat het arrest in kracht van gewijsde.

In zoverre het cassatieberoep IV betrekking heeft op de beslissing tot onmiddellij-ke aanhouding van de eiser IV, heeft het geen voorwerp meer.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 463,71 euro, waarvan op de cassatieberoepen I, II en III elk 115,93 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep IV 115,92 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 4 maart 2014 uitgesproken door afde-lingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Facultatieve bijzondere verbeurdverklaring

  • Vermogensvoordelen die niet meer in het vermogen van de veroordeelde kunnen worden aangetroffen

  • Schriftelijke vordering van het openbaar ministerie