- Arrest van 5 maart 2014

05/03/2014 - P.13.0397.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het onmiddellijk cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat beslist dat ze als onderzoeksgerecht niet bevoegd is om, vóór de uitspraak over de strafvordering, uitspraak te doen over het verzoek van de beklaagde tot teruggave van een met het oog op zijn voorlopige invrijheidstelling gestorte borgsom, is niet ontvankelijk, omdat die beslissing geen eindbeslissing is in de zin van artikel 416, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en geen beslissing is inzake bevoegdheid, in de zin van het tweede lid van dat artikel, aangezien daaruit geen bevoegdheidsconflict kan ontstaan dat slechts door een regeling van rechtsgebied kan worden opgelost (1). (1) Zie Cass. 12 feb. 2002, AR P.01.1448.N, AC 2002, nr. 98.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0397.F

H. S.,

Mrs. Laurent Kennes en Fanny Vansiliette, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 13 februari 2013.

De eiser voert in een memorie die op 6 mei 2013 op de griffie van het Hof is neergelegd, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het bestreden arrest doet uitspraak over het hoger beroep van de eiser tegen een beschikking van de correctionele rechtbank te Brussel die zijn verzoek tot terug-gave van een borgtocht met het oog op zijn voorlopige invrijheidstelling afwijst.

Het arrest oordeelt dat alleen de rechter die uitspraak doet over de strafvordering mag beslissen over de bestemming die aan de borgtocht moet worden gegeven. Het leidt daaruit af dat noch de correctionele rechtbank noch het hof van beroep bevoegd zijn om vóór de uitspraak over de strafvordering, uitspraak te doen over dat verzoek.

Dergelijke beslissing is geen eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en is geen beslissing inzake bevoegdheid, in de zin van het tweede lid van dat artikel, aangezien daaruit geen bevoegdheidsconflict kan ontstaan dat slechts door een regeling van rechtsgebied kan worden opgelost.

In strijd met wat de eiser aanvoert, doet het bestreden arrest geen uitspraak over de verjaring van de strafvordering of over het al dan niet redelijke karakter van de duur van het gerechtelijk onderzoek. Het oordeelt alleen, wat niet hetzelfde is, dat de eiser nog over voldoende instanties beschikt die de aangevoerde overschrijding van de redelijke termijn kunnen onderzoeken en dat het hof van beroep zich, on-der het voorwendsel van die overschrijding, inzake de teruggave van de borgtocht niet de bevoegdheden van de rechter bevoegd voor de strafvordering kan toe-eigenen.

Aangezien het arrest niet behoort tot de gevallen die in het voormelde artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering zijn bepaald, staat daartegen geen onmid-dellijk cassatieberoep open.

Het cassatieberoep, dat op 28 februari 2013 is ingesteld, met andere woorden vóór het vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel van 26 juni 2013 dat uit-spraak heeft gedaan over de strafvordering, dat de strafvordering verjaard heeft verklaard en de teruggave van de borgsom heeft bevolen, is voorbarig en dus niet ontvankelijk.

Het overige gedeelte van de memorie, dat geen verband houdt met de ontvanke-lijkheid van het cassatieberoep, behoeft geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 5 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van voorzitter Paul Maffei en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De voorzitter,

Vrije woorden

  • Onder borgtocht vrijgelaten inverdenkinggestelde

  • Beschikking tot verwijzing

  • Correctionele rechtbank

  • Verzoek van de beklaagde tot teruggave van de borgsom

  • Vonnis dat het verzoek ontvankelijk maar niet-gegrond verklaart

  • Hoger beroep van de beklaagde

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Arrest van onbevoegdheid om over het verzoek uitspraak te doen vóór de uitspraak over de strafvordering

  • Onmiddellijk cassatieberoep

  • Ontvankelijkheid