- Arrest van 6 maart 2014

06/03/2014 - C.13.0141.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
In geval van vernietiging is deze in de regel, ongeacht de door het Hof gebruikte bewoordingen, beperkt tot de punten van de beslissing waartegen het cassatieberoep is gericht (1). (1) Zie concl. OM.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0141.N

LIBRECO nv, met zetel te 9260 Wichelen, Bohemen 156,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. REGIE DER GEBOUWEN, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Gulden-Vlieslaan 87,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerster woon-plaats kiest,

2. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk, Ar-beid en Sociaal Overleg, met zetel te 1070 Anderlecht, Ernest Blerotstraat 1,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de verweerder woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 28 juni 2011 na verwijzing door het arrest van het Hof van 10 april 2008.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 17 januari 2014 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Ontvankelijkheid

(...)

1. De verweerder werpt een grond van niet-ontvankelijkheid van het middel op: de artikelen 19 en 608 Gerechtelijk Wetboek worden niet als geschonden wetsbepalingen aangewezen, zodat niet voldaan is aan het vereiste van artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek.

2. De als geschonden aangewezen wetsbepalingen volstaan om tot cassatie te kunnen leiden indien de in het middel aangevoerde grieven gegrond zijn.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Eerste onderdeel

3. Krachtens artikel 1082, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek geeft het verzoek-schrift, indien het bestreden arrest of vonnis verscheidene punten bevat, nauwkeu-rig aan tegen welke punten de voorziening is gericht.

Krachtens artikel 1095 Gerechtelijk Wetboek kan het Hof alleen kennis nemen van de punten van de beslissing die in het inleidende verzoekschrift zijn aangewezen.

Krachtens artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek heeft, in geval cassatie wordt uitge-sproken met verwijzing, deze plaats naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing heeft gewezen.

4. In geval van vernietiging is deze in de regel, ongeacht de door het Hof ge-bruikte bewoordingen, beperkt tot de punten van de beslissing waartegen het cas-satieberoep is gericht.

5. Het hof van beroep te Brussel oordeelt in het tussenarrest van 24 mei 2006 dat aangezien de opdracht niet werd toegewezen aan de eiseres die de laagst re-gelmatige inschrijving had ingediend, deze laatste krachtens artikel 15, eerste lid, Overheidsopdrachtenwet 1993 recht heeft op de forfaitaire schadeloosstelling vastgesteld op 10 % van het bedrag van de offerte zonder btw.

6. De appelrechters, die als verwijzingsrechters opnieuw beslissen over de vraag of de eiseres als laagst regelmatige inschrijver gerechtigd is op de in artikel 15, eerste lid, Overheidsopdrachtenwet 1993 bepaalde forfaitaire schadevergoe-ding, terwijl de desbetreffende beslissing van het hof van beroep te Brussel door het eerder cassatieberoep van de verweerster niet werd aangevochten, overschrij-den hun rechtsmacht om kennis te nemen van het geschil binnen de grenzen waar-in dit aan het verwijzingsgerecht werd onderworpen en schenden mitsdien artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Tweede middel

Ontvankelijkheid

(...)

7. De verweerster werpt op dat het middel haar niet aanbelangt en derhalve in zoverre tegen haar gericht niet ontvankelijk is.

8. Het middel komt uitsluitend op tegen de afwijzing door de appelrechters van de door de eiseres tegen de verweerder ingestelde tussenvordering.

In zoverre gericht tegen de verweerster is het middel derhalve bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

9. De verweerder werpt op dat het middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, aangezien de beslissing wordt geschraagd door een zelfstandige niet-bekritiseerde reden.

10. De appelrechters oordelen dat het toelaten van een tussenvordering die voor het eerst in hoger beroep wordt gesteld het recht van verdediging miskent.

11. De appelrechters geven hiermede aan wat volgens hen de strekking is van de in het artikel 812, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek vervatte regel, maar formuleren aldus geen zelfstandige reden die hun beslissing schraagt.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

12. Krachtens artikel 13 Gerechtelijk Wetboek is een tussenvordering iedere vordering die in de loop van het rechtsgeding wordt ingesteld en ertoe strekt, het-zij de oorspronkelijke vordering te wijzigen of nieuwe vorderingen tussen de par-tijen in te stellen, hetzij personen die nog niet in het geding zijn geroepen, erin te betrekken.

Krachtens artikel 15 Gerechtelijk Wetboek is tussenkomst een rechtspleging waarbij een derde persoon partij wordt in het geding. Zij strekt ertoe, hetzij de be-langen van de tussenkomende partij of van een der partijen in het geding te be-schermen, hetzij een veroordeling te doen uitspreken of vrijwaring te doen beve-len.

Krachtens artikel 813, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek geschiedt gedwongen tussenkomst bij dagvaarding. Tussen partijen in het geding kan zij worden aange-bracht bij gewone conclusies.

Krachtens artikel 812, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, kan tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal plaats vinden in hoger beroep.

13. Deze bepalingen verhinderen dat een partij voor het eerst in hoger beroep een tussenvordering instelt tegen een partij in het geding met wie zij in eerste aan-leg geen procesverhouding had.

14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweer-der voor de eerste rechter vorderde dat de vordering van de eiseres tegen verweer-ster als ongegrond zou worden afgewezen en dat de eiseres, dan wel de verweer-ster zou worden veroordeeld tot de aan zijn zijde gevallen kosten.

15. De appelrechters die de tussenvordering van de eiseres tegen de verweerder op grond van artikel 812, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek onontvankelijk ver-klaren, terwijl blijkt dat tussen deze partijen reeds in eerste aanleg een procesver-houding was ontstaan, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 6 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols B. Wylleman G. Jocqué

K. Mestdagh A. Smetryns E. Dirix

Vrije woorden

  • Omvang