- Arrest van 14 maart 2014

14/03/2014 - F.13.0007.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Henkes.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.13.0007.F

STAD LA LOUVIÈRE, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen,

Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

NLMK LA LOUVIÈRE nv,

Mr. Olivier Bertin, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 5 september 2012.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 17 februari 2014 ter griffie een conclu-sie neergelegd.

Raadsheer Sabine Geubel heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan waarvan het eerste onderdeel gesteld is als volgt.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 159, 162, inzonderheid tweede lid, 2°, en 170, § 4, van de Grondwet;

- de artikelen 6, 37, 183 en 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, zoals gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 10 april 1992, bevestigd bij de wet van 12 juni 1992;

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 1 en 2 van het belastingreglement van de stad La Louvière van 21 maart 2001 die voor de aanslagjaren 2001 tot 2006 een compenserende bedrijfsbelasting vaststelt;

- de artikelen 1 en 2 van het belastingreglement van de stad La Louvière van 15 maart 2007 die een compenserende bedrijfsbelasting vaststelt.

Aangevochten beslissingen

Het arrest, dat het hoger beroep van de verweerster gegrond verklaart, beveelt de ontheffing van de litigieuze compenserende bedrijfsbelastingen om de volgende redenen:

"Luidens artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 zijn de provincies, agglomeraties en gemeenten niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de personenbelasting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belasting van niet-inwoners of van gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft;

Wegens de door de wetgever gewilde scheiding tussen de lokale belastingen en de rijksbelastingen moet de gelijkaardigheid van de belastingen beoordeeld worden op grond van de berekeningsgrondslag;

Een algemene gemeentebelasting die gegrond is op een van de wezenlijke componenten die rechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepalen, is derhalve een verboden gelijkaardige belasting in de zin van artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992;

Het kadastraal inkomen vormt de grondslag van de onroerende voorheffing en is een wezenlijke component van het nettobelastbaar inkomen in de personenbelas-ting;

Uit juridisch oogpunt bestaat er geen verschil tussen een berekening waarbij het kadastraal inkomen zelf als grondslag wordt genomen en een berekening op grond van een waarde die gelijk is aan het kadastraal inkomen, waarop vervolgens een coëfficiënt wordt toegepast, aangezien die waarde steeds het kadastraal inkomen als grondslag heeft (RvS, 23 september 2010, arrest nr. 207.637, F.J.F., nr. 2011/89) ;

Artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 staat de provincies en gemeenten bijgevolg niet toe gemeentebelastingen op het kadastraal inkomen te heffen;

De compenserende bedrijfsbelasting, die door de gemeenteraad werd goedgekeurd op zijn vergaderingen van 21 maart 2001 en 15 maart 2007, wordt in dit geval vastgesteld op grond van de marktwaarde, op 1 januari 1975, van de gebouwde en ongebouwde onroerende goederen en van de gebruikswaarde, op 1 januari 1975, van het materiaal en de outillage;

Die twee waarden hebben dus uitsluitend het kadastraal inkomen als grondslag; het feit dat er op dat kadastraal inkomen een vermenigvuldigingscoëfficiënt wordt toegepast, wijzigt de aard van die grondslag niet;

De litigieuze gemeentebelasting gebruikt het kadastraal inkomen dus als grondslag voor de berekening;

Een lokale belasting die steunt op een van de wezenlijke componenten die recht-streeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepalen, is een verboden ‘gelijkaardige belasting' in de zin van artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (Cass., 10 oktober 2008, F.06.0096.N; Cass., 10 december 2009, F.08.0041.N);

Die belastingreglementen mogen niet worden toegepast wegens schending van artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992;

De [eiseres] kon niet ervan uitgaan dat de inning van de litigieuze belasting is toe-gestaan door artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, op grond dat het zou gaan om een belasting die geïnd wordt op de grondslag of op het bedrag van de onroerende voorheffing, dat berekend wordt op grond van het kadastraal inkomen;

(De eiseres) meent ten onrechte dat de compenserende bedrijfsbelasting een recht-streekse belasting is die gelijkgesteld kan worden met het vergunningsrecht, dat wil zeggen een belasting die de belastingplichtigen treft wegens de uitoefening van hun bedrijvigheid, handel of beroep, op grond van vermoedens, en die losstaat van hun opbrengst of winst ;

Het belastbare feit dat als grondslag voor de opeisbaarheid van de litigieuze belasting dient, is het bezit van een gebouwd of ongebouwd onroerend goed waarin een industriële activiteit plaatsvindt of het bezit van materiaal of outillage;

De belasting treft geen activiteit, maar het inkomen van de onroerende goederen en van materiaal en de outillage die voor een bepaald doel gebruikt worden of verondersteld worden gebruikt te worden".

Grieven

Artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 verbiedt de gemeenten en provincies opcentiemen te heffen op de personenbelasting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belasting van niet-inwoners of van gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft.

Artikel 465 van dat wetboek staat de gemeenten niettemin toe een aanvullende be-lasting op de personenbelasting vast te stellen.

Artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 beperkt de fiscale autonomie van de gemeenten, zoals ze is vastgelegd in de artikelen 162, tweede lid, 2°, en 17, § 4, van de Grondwet. Die bepaling moet dus beperkend worden uitgelegd.

Dat verbod is in de eerste plaats van toepassing op de opcentiemen op de vier inkomstenbelastingen (personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting en belasting van niet-inwoners).

Het betreft vervolgens de belastingen van dezelfde aard als de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting en de belasting van niet-inwoners, die op de grondslag of op het bedrag van die belastingen worden vast-gesteld.

Uit de vaststellingen van het arrest blijkt te dezen dat de door de eiseres geheven compenserende bedrijfsbelasting berekend wordt op basis van de marktwaarde, op 1 januari 1975, van de gebouwde en ongebouwde onroerende goederen waarin een industriële, handels-, financiële, landbouw-, ambachtelijke of andere activiteit plaatsvindt, en van de gebruikswaarde, op 1 januari 1975, van het materiaal en de outillage (artikel 1 van de belastingreglementen van 21 maart 2001 en 15 maart 2007).

Volgens hetzelfde artikel 1 van de belastingreglementen wordt de marktwaarde of de gebruikswaarde forfaitair berekend op basis van de volgende formule:

kadastraal inkomen van de nijverheidsgoederen en/of de outillage van het aanslag-jaar

x 100

5,3

Datzelfde artikel 1 bepaalt voorts dat, onder kadastraal inkomen en/of kadastraal inkomen van de outillage, de inkomens verstaan moeten worden waaraan het kadaster de code 3F, 4F, 5F of 6F toekent.

De belastingreglementen bepalen ook dat, bij de berekening van de marktwaarde, rekening wordt gehouden met het kadastraal inkomen van de nijverheidsgoederen en van het materiaal en de outillage, dat door de minister van Financiën bij zijn berekening van de onroerende voorheffing in aanmerking wordt genomen.

Volgens artikel 2 van dezelfde belastingreglementen is de belasting verschuldigd door degene die de onroerende voorheffing verschuldigd is.

Eerste onderdeel

Het wordt niet betwist dat de litigieuze belasting niet bestaat in opcentiemen op de personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting of belasting van niet-inwoners. De enige vraag is of het al dan niet gaat om een belasting van dezelfde aard als de inkomstenbelastingen, die berekend worden op dezelfde grondslag of op hetzelfde bedrag als die belastingen.

De compenserende bedrijfsbelasting, zoals ze is aangenomen door de verweerster, wordt berekend op grond van de marktwaarde of de gebruikswaarde, naargelang van het geval, van de gebouwde en niet-gebouwde onroerende goederen alsook van het materiaal en de outillage, die bedoeld worden in artikel 1 van de belastingreglementen en die beantwoorden aan de daarin vastgestelde kenmerken.

Het kadastraal inkomen van de belastbare onroerende goederen vormt niet de grondslag voor de berekening of de inning van de compenserende bedrijfsbelas-ting: het dient enkel als gegeven om de marktwaarde of de gebruikswaarde van de belastbare goederen te bepalen, volgens de formule die door de eiseres is goedgekeurd met het oog op de vaststelling van de grondslag voor de inning van de belasting.

Hieruit volgt dat het arrest, dat het hoger beroep van de verweerster gegrond ver-klaart, het vonnis van de eerste rechter wijzigt en besluit dat de compenserende bedrijfsbelasting een verboden belasting is in de zin van artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, op grond dat het kadastraal inkomen de grondslag voor de onroerende voorheffing vormt en een wezenlijke component van het nettobelastbaar inkomen in de personenbelasting is, aangezien de markt-waarde en de gebruikswaarde uitsluitend op het kadastraal inkomen gebaseerd zijn en de omstandigheid dat op het kadastraal inkomen een coëfficiënt wordt toegepast, de aard van die grondslag niet wijzigt:

- de artikelen 1 en 2 van het belastingreglement van 21 maart 2001 alsook de artikelen 1 en 2 van het belastingreglement van 15 maart 2007 schendt, in zoverre de belasting, volgens die bepalingen van de belastingreglementen, niet wordt berekend op grond van het kadastraal inkomen, zelfs wanneer daarop een coëfficiënt wordt toegepast, maar op grond van de marktwaarde of de gebruikswaarde, naargelang van het geval, van de belastbare onroerende goederen;

- op zijn minst de bewijskracht van artikel 1 van de belastingreglementen van 21 maart 2001 en 15 maart 2007 miskent en de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek schendt, door in de voormelde bepalingen van de belastingreglementen een vermelding te lezen die daarin niet is vervat, aangezien het overweegt dat de litigieuze belasting berekend wordt op grond van het kadastraal inkomen waarop een coëfficiënt wordt toegepast, terwijl de belasting, volgens de belastingreglementen, vastgesteld wordt op grond van de marktwaarde of de gebruikswaarde en het kadastraal inkomen slechts een gegeven is waarmee die marktwaarde of gebruikswaarde berekend wordt maar niet de grondslag voor de inning van de belasting vormt ;

- artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en, voor zover als nodig, de artikelen 162, inzonderheid tweede lid, 2°, en 170, § 4, van de Grondwet schendt, waarin de fiscale autonomie van de gemeenten is vastgelegd, in zoverre de litigieuze belasting, die niet is berekend op grond van het kadastraal inkomen en niet is vastgesteld op de grondslag of op het bedrag van de inkomstenbelastingen, geen bij het voormelde artikel 464, 1°, verboden belasting is, aangezien dat artikel enkel de op de grondslag of op het bedrag van de inkom-stenbelastingen berekende gemeentebelastingen verbiedt;

- artikel 159 van de Grondwet schendt, in zoverre het arrest weigert de belastingreglementen van 21 maart 2001 en 15 maart 2007 toe te passen, hoewel de compenserende bedrijfsbelasting niet strijdig is met artikel 464 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Luidens artikel 464, 1°, WIB92, zijn de provincies, agglomeraties en gemeenten niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de personenbelasting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belasting van niet-inwoners of van gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft.

Artikel 1 van de gemeentereglementen van 21 maart 2001, voor de aanslagjaren 2002 tot 2005, en van 15 maart 2007, voor het aanslagjaar 2007, voeren ten voor-dele van de eiseres een compenserende bedrijfsbelasting in gelijk aan ten minste een procent van de marktwaarde, op 1 januari 1975, van de gebouwde en onge-bouwde onroerende goederen waarin een industriële, handels-, financiële, land-bouw-, ambachtelijke of andere activiteit plaatsvindt en van de gebruikswaarde, op 1 januari 1975, van het materiaal en van de outillage. Artikel 1 bepaalt tevens dat de markwaarde of gebruikswaarde forfaitair wordt berekend op grond van de formule "kadastraal inkomen van de nijverheidsgoederen en/of de outillage van het aanslagjaar X 100/5,3", waarbij onder kadastraal inkomen het inkomen wordt verstaan waaraan de administratie van het kadaster de code 3F, 4F, 5F of 6F toe-kent en dat door de minister van Financiën bij zijn berekening van de onroerende voorheffing wordt toegepast.

Krachtens de artikelen 478 en 483 WIB92 wordt het kadastraal inkomen van de betrokken goederen vastgesteld door op hun marktwaarde een percentage van 5,3 pct. toe te passen, zodat de marktwaarde of de gebruikswaarde die als grondslag dient voor de berekening van de belasting, kan worden verkregen door op het ka-dastraal inkomen een coëfficiënt van 100/5,3 toe te passen.

Hieruit volgt dat de litigieuze compenserende bedrijfsbelastingen betrekking heb-ben op de marktwaarde van de onroerende goederen en op de gebruikswaarde van het materiaal en van de outillage, en niet op het inkomen daarvan, en dat ze der-halve geen gelijkaardige verboden belastingen zijn die zijn vastgesteld op de grondslag of op het bedrag van de in het voormelde artikel 464, 1°, opgesomde belastingen.

Het arrest, dat het tegendeel beslist, schendt artikel 1 van de belastingreglementen alsook artikel 464, 1°, WIB92.

Het middel is gegrond.

Overige grieven

Er bestaat geen grond tot onderzoek van de andere onderdelen van het middel, die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Gustave Steffens, Michel Lemal en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 14 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advo-caat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Compenserende bedrijfsbelastingen

  • Geen verboden belasting