- Arrest van 20 maart 2014

20/03/2014 - F.12.0090.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De belasting raakt de openbare orde zodat de gerechtelijke rechtscolleges zelf in feite en naar recht uitspraak moeten doen binnen de perken van het voorgelegde geschil, ongeacht de grond van nietigheid van de beslissing van de administratie (1). (1) Zie concl. OM.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0090.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur van de ad-ministratie der douane en accijnzen te Hasselt, in de persoon van de ontvanger, met kantoor te 3600 Genk, Slingerweg 50,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

DIRAFROST FROZEN FRUIT INDUSTRY nv, met zetel te 3540 Herk-de-Stad, Industriezone Daelemveld 1025,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 september 2011.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 17 januari 2014 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Inzake invoerrechten is het dwangbevel een bestuurshandeling waarop de Wet motivering bestuurshandelingen van toepassing is, zodat het bestuur de juri-dische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd.

2. De motivering moet "afdoende" zijn. Zulks impliceert dat de beslissing vol-doende door de motivering moet worden gedragen.

3. In het raam van de invoerrechten is het dwangbevel enerzijds een taxatietitel waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebrek aan spontane en on-voorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting en anderzijds een akte die geldt als uitvoerbare titel met het oog op de invordering van die belasting-schuld.

Dat het dwangbevel de belastingschuld concretiseert, impliceert dat het belastbare feit, het bedrag en de hoedanigheid van de schuldenaar duidelijk worden gemaakt.

4. De feitelijke gegevens van het administratief onderzoek waaruit blijkt op welke wijze het bestuur in kennis werd gesteld van het belastbare feit en zodus over welke bewijsmiddelen het beschikt, behoren niet tot het gebied van de moti-vering van het dwangbevel, zijnde de juridische en feitelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan de belastingschuld, maar tot de bewijsvoering van de fiscale schuld. De Wet motivering bestuurshandelingen, noch enige andere wettelijke be-paling staan eraan in de weg dat na het opstellen van een dwangbevel met betrek-king tot een bepaalde belastingschuld, het bestuur nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert. Die argumenten en gegevens kunnen worden aan-gevoerd ter ondersteuning van hetgeen in het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld.

5. Het is noodzakelijk dat het proces-verbaal, als bijlage waarnaar het dwang-bevel verwijst, mee betekend wordt om de belastingplichtige in de mogelijkheid te stellen zich rekenschap te geven van het voorwerp en de oorzaak van de vordering van de administratie. Geen enkele wettelijke bepaling voorziet evenwel dat de stukken waarnaar in het proces-verbaal wordt verwezen, mee moeten betekend worden met het dwangbevel.

6. De appelrechters stellen vast dat:

- het dwangbevel uitgevaardigd op 26 september 1995 en uitvoerbaar verklaard op 8 november 1995 het totaal bedrag tot betaling waarvan het werd uitgevaar-digd, hetzij het bedrag verschuldigd voor de kwestieuze IM4-aangifte, ver-meldt maar niet de berekeningswijze van het bedrag;

- het dwangbevel in algemene bewoordingen verwijst naar "de hierna vermelde posten van het Tarief van invoerrechten voor de ernaast genoemde invoeraan-gifte", zonder verdere verduidelijking;

- bij het dwangbevel geen proces-verbaal of enig ander stuk gevoegd is waaruit de berekening van het verschuldigde bedrag blijkt;

- in voorgaande briefwisseling werd gesteld dat het oorsprongscertificaat vals was, evenwel zonder mededeling waaruit de valsheid bestaat.

7. De appelrechters die op grond van deze vaststellingen oordelen dat het dwangbevel niet afdoende gemotiveerd is, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

8. De appelrechters oordelen dat het dwangbevel enkel het totaal bedrag van de invoerrechten vermeldt, zonder verdere verduidelijking, en in de voorgaande briefwisseling ook werd gesteld dat het oorsprongcertificaat vals was, "doch zon-der enige mogelijkheid voor (de verweerster) om zich hieromtrent te verdedigen, c.q. dit te weerleggen bij gebrek aan nadere mededeling waaruit de ongeldigheid of valsheid zou bestaan".

9. De appelrechters geven hiermee te kennen dat de belangen van de verweer-ster werden geschaad door het gebrek aan motivering van het dwangbevel.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

10. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat er geen ander stuk is waaruit de berekening van het verschuldigd bedrag blijkt. Zij oordelen enkel dat bij het dwangbevel geen proces-verbaal of enig ander stuk gevoegd is waaruit de berekening van het verschuldigd bedrag blijkt.

11. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

12. De belasting raakt de openbare orde zodat de gerechtelijke rechtscolleges zelf in feite en naar recht uitspraak moeten doen binnen de perken van het voor-gelegde geschil, ongeacht de grond van nietigheid van de beslissing van de admi-nistratie.

13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters heeft gevorderd dat uitspraak zou worden gedaan over de douaneschuld zelf. Zij dienden bijgevolg hierover niet te oordelen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 270,00 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 20 maart 2014 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche K. Moens B. Wylleman

G. Jocqué A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Taak van de rechter