- Arrest van 21 maart 2014

21/03/2014 - C.13.0248.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De gegronde redenen op grond waarvan een of meer aandeelhouders in rechte kunnen vorderen dat een aandeelhouder zijn aandelen en alle converteerbare effecten die hij bezit of die recht geven op het inkopen van of de omwisseling in aandelen van de vennootschap aan hen overdraagt, moeten van die aard zijn dat het behouden in de vennootschap van de aandeelhouder waarvan de uitsluiting wordt gevorderd, de fundamentele belangen of de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt (1). (1) Zie Cass. 19 feb. 2009, AR C.07.0171.F – C.07.0514.F, AC 2009, nr. 139.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0248.F

D. G.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. G. M.,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. FORUM EUROPE nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 27 september 2012.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert de volgende drie middelen aan.

(...)

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ;

- artikel 636 van het Wetboek van Vennootschappen;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelt de eiser in de kosten van het hoger beroep, die ten aanzien van de verweerder op 1.320 euro en ten aanzien van de verweerster op 1.320 euro worden vastgesteld.

Die beslissing steunt op de volgende redenen :

"3. Wat betreft de vordering tot uitsluiting [van de verweerder] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van de [verweerster]

[...] Algemeen wordt aangenomen dat de gegronde redenen die kunnen leiden tot de uitsluiting van een aandeelhouder, de omstandigheden zijn die, ‘vu le comportement ou la personnalité d'une personne, le maintien de celle-ci en qualité d'actionnaire ne peut raisonnablement plus être exigé des autres actionnaires, dès lors que ce maintien, sans rendre la survie de la société nécessairement impossible, l'expose à tout le moins à un danger sérieux' (Brussel, 7 september 1999, RPS, 2000, 341, en de vermelde verwijzingen).

30. [De eiser] voert in dit geval zes omstandigheden aan die volgens hem de gegronde redenen zijn op grond waarvan [de verweerder] kan worden uitgesloten.

[...] 31. De eerste omstandigheid die [de eiser] aanvoert, bestaat in zijn ontslag als bestuurder bij beslissing van de bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders van 22 juni 2010.

[De eiser] toont echter niet aan waarom die beslissing, waarvan hij niet betwist dat ze regelmatig is naar vorm, rechtsmisbruik zou opleveren aan de zijde van de aandeelhouders die ze hebben gestemd ([de verweerder]).

Het recht om een bestuurder van een naamloze vennootschap te ontslaan, is een recht dat de algemene vergadering van de aandeelhouders ad nutum kan uitoefenen en dat slechts beperkt wordt door het rechtsmisbruik, in de bijzondere vorm van een ontijdig of ongepast ontslag.

[...] De beslissing om [de eiser] te ontslaan als bestuurder van de [eiseres] kan aldus niet als onrechtmatig worden aangemerkt binnen het kader van de marginale beoordelingsbevoegdheid van het hof [van beroep]. Dat ontslag kan dus geen gegronde reden zijn die de gevorderde uitsluiting [van de verweerder] staaft.

32. De tweede omstandigheid die volgens [de eiser] een gegronde reden tot uitsluiting van [de verweerder] vormt, zou bestaan in de miskenning van het recht van onderzoek van eerstgenoemde.

Hierboven werd onder de nummers 17 en 18 uiteengezet dat het individuele recht van onderzoek daadwerkelijk kon worden uitgeoefend, zowel voor het boekjaar 2009 als voor de boekjaren 2010 en 2011.

De heer B. heeft weliswaar voorbehoud gemaakt met betrekking tot de voorwaarden waaronder dat recht in 2009 kon worden uitgeoefend, maar uit dat voorbehoud kunnen geen ernstige tekortkomingen worden afgeleid die [de eiser] zouden hebben benadeeld.

33. De derde omstandigheid die volgens [de eiser] een gegronde reden tot uitsluiting van [de verweerder] vormt, zou bestaan in het feit dat [de eiser] zich borg zou hebben gesteld voor de vennootschap tot beloop van 100.000 euro, terwijl [de verweerder] zich slechts tot beloop van 50.000 euro borg zou hebben gesteld, en dat [de eiser] in september 2010 nog met de bank BNP Paribas Fortis over een bedrag van 60.000 euro heeft moeten onderhandelen om het tekort van de vennootschap aan te zuiveren.

Het valt niet in te zien hoe die omstandigheden zouden kunnen leiden tot de vaststelling van een ernstig gevaar voor de vennootschap en van, derhalve, een gegronde reden die verband houdt met de persoonlijkheid of het gedrag [van de verweerder].

34. De vierde omstandigheid die [de eiser] aanvoert, zou bestaan in het feit dat het volgens hem volkomen onverantwoord was om in de boekhouding van 2009 ten laste van de vennootschap een provisie van 60.000 euro te boeken teneinde de kosten te dekken van een procedure waarin de vennootschap niet betrokken zou zijn.

[...] Die boeking levert in ieder geval geen bijzonder gevaar op voor de [verweerster], temeer daar het slechts gaat om een provisie en niet om een de-finitieve uitgave.

35. De vijfde omstandigheid die wordt aangevoerd, bestaat in wat [de eiser] de ‘diefstal' van back-upbestanden noemt, waarvan de vennootschap Edificio (maar blijkbaar, wegens hun gedeelde infrastructuur, ook [de verweerster]) tussen 12 en 15 maart 2010 het slachtoffer is geworden.

[...] De eerste rechter heeft dus terecht beslist dat [de eiser] niet het bewijs levert van ‘diefstal' of van gevaar of een ernstige bedreiging voor de vennootschap, aangezien [eisers] aangifte bij de politie van 16 maart 2010 zonder gevolg is gebleven.

De daarna door [de verweerder] ingeleide procedure tot aanstelling van een deskundige en de daaraan verbonden vordering tot sekwestratie van de boek-houding zijn weliswaar grotendeels verworpen door het eindarrest van het hof van beroep te Brussel van 13 maart 2012, maar kunnen niet als ongerechtvaardigd worden beschouwd. Het hof van beroep heeft het bestaan van een tergend en roekeloos geding immers niet erkend en heeft [de verweerder] trouwens gedeeltelijk in het gelijk gesteld door de overlegging van bepaalde stukken uit de boekhouding van de vennootschap Edificio te bevelen.

36. De laatste omstandigheid die aangevoerd wordt, bestaat in het feit dat [de verweerder] geen enkele animus societatis voor de [verweerster] meer zou hebben, daar hij in 2009 duidelijk had gemaakt dat hij zijn participatie in die vennootschap wenste te verkopen.

Het feit dat een aandeelhouder zijn participatie in een vennootschap wil verkopen, betekent niet dat zijn persoonlijkheid of gedrag een ernstig gevaar voor een vennootschap vormt.

De voorgenomen overdracht van de participatie [van de verweerder] in de [verweerster] is niet doorgegaan en [de verweerder] heeft vervolgens blijk gegeven van de onbetwistbare wil om aandeelhouder te blijven en de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen op zich te nemen.

Sinds het ontslag [van de eiser] functioneert de vennootschap normaal en werd de jaarrekening van 2010 op regelmatige wijze goedgekeurd door de algemene vergadering van aandeelhouders.

[...] Het nieuwe beheer, zoals dat door [de verweerder] wordt gevoerd, berokkent hem geen enkele schade".

Het arrest, dat op grond van die redenen overweegt dat "uit die zes omstandigheden, noch apart noch in hun geheel beschouwd, kan worden afgeleid dat het gedrag of de persoonlijkheid [van de verweerder] een onverantwoord gevaar voor de [verweerster] vormt", verwerpt bijgevolg de door de eiser ingestelde vordering tot uitsluiting.

Grieven

(...)

Tweede onderdeel

1. Luidens artikel 636 van het Wetboek van Vennootschappen kunnen een of meer aandeelhouders die gezamenlijk effecten bezitten die 30 pct. vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de bestaande effecten, dat wil zeggen aandelen waarvan de nominale waarde of de fractiewaarde 30 pct. van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigt, om gegronde redenen in rechte vorderen dat een andere aandeelhouder zijn aandelen in dezelfde vennootschap aan hen overdraagt.

De wetgever verplicht de eiser die een vennoot wil uitsluiten dus die gegronde redenen aan te tonen.

Dat begrip is niet in de wet omschreven en moet bijgevolg beoordeeld worden door de hoven en rechtbanken, met dien verstande dat die beoordeling door het Hof van Cassatie op haar wettelijkheid wordt getoetst.

In dat opzicht leert een vaste rechtspraak dat de gegronde redenen, in de zin van artikel 636 van het Wetboek van Vennootschappen, niet worden gedefinieerd door te verwijzen naar een foutieve houding van de vennoot wiens uitsluiting wordt gevorderd; de ernstige en blijvende onenigheid hoeft niet noodzakelijkerwijs het gevolg te zijn van een fout of misbruik maar kan het gevolg zijn van objectieve omstandigheden of te grote meningsverschillen die de voortzetting, door de partijen, van een gemeenschappelijke activiteit onmogelijk maken, zonder dat een partij daarom méér schuld treft dan de andere. Zo heeft de wetgever het duidelijk gewild (zie Gedr. St. Senaat, 1993-1994, nr. 1086-2, p. 427: "de uitsluiting, zoals ook de uittreding geregeld in artikel 190quater, zal [...] eerder overkomen als de vaststelling van een feitelijke toestand dan als een sanctie").

Zo heeft het Hof - weliswaar inzake gedwongen uittreding maar hetzelfde geldt mutatis mutandis voor gedwongen uitsluiting - erkend dat "die procedure ertoe strekt de geschillen te regelen die de fundamentele belangen van de vennootschap of de continuïteit van de onderneming in gevaar brengen of, meer algemeen, de gevallen van ernstige onenigheid tussen de vennoten op te lossen; zij impliceert niet dat de eiser het bewijs van een fout aantoont bij de aandeelhouders tegen wie hij zijn vordering instelt" (Cass., 19 februari 2009, C.07.0171.F - C.07.0514.F) en dat "die voorwaarde (het bestaan van gegronde redenen) niet impliceert dat steeds een foutieve of onrechtmatige gedraging vereist is die specifiek toerekenbaar is aan de vennoot van wie de overname gevorderd wordt en waaraan de vennoot die de overname vordert vreemd is" (Cass., 16 maart 2009, C.08.0047.N).

Het staat dus vast dat de onenigheid tussen vennoten een gegronde reden tot uitsluiting van een vennoot kan zijn indien die onenigheid voldoende ernstig en blijvend is.

De rechtspraak en de rechtsleer erkennen ten slotte dat, in een procedure tot gedwongen uitsluiting, het belang van vennootschap moet primeren en moet worden beschermd.

2. Het arrest overweegt te dezen dat "algemeen wordt aangenomen dat de gegronde redenen op grond waarvan een aandeelhouder uitgesloten kan worden de omstandigheden zijn waardoor ‘van de andere aandeelhouders niet meer rede-lijkerwijs kan worden geëist dat zij een persoon, gelet op zijn gedrag of persoonlijkheid, in de vennootschap behouden, aangezien het behoud van die persoon het voortbestaan van een onderneming niet noodzakelijkerwijs onmogelijk maakt, maar haar op zijn minst aan een ernstig gevaar blootstelt'.

Het arrest onderzoekt vervolgens de "zes omstandigheden die volgens [de eiser] de gegronde redenen zijn op grond waarvan [de verweerder] kan worden uitgesloten", waarvan het van meet af aan beslist dat daaruit, "noch apart noch in hun geheel beschouwd", kan worden afgeleid dat "het gedrag of de persoonlijkheid [van de verweerder] een onverantwoord gevaar voor de [verweerster] vormt".

Het arrest onderzoekt de conclusie van de eiser uitsluitend in het licht van dat criterium, dat het in verband brengt met een mogelijke fout, en overweegt wat volgt :

i) het ontslag van de eiser als bestuurder was niet "ongerechtvaardigd" en "kan dus geen gegronde reden zijn die de gevorderde uitsluiting [van de verweerder] staaft";

ii) het voorbehoud betreffende de voorwaarden waaronder de eiser zijn individueel recht van onderzoek heeft kunnen uitoefenen, kan niet leiden tot de vaststelling van "ernstige tekortkomingen die [de eiser] zouden hebben benadeeld";

iii) de omstandigheden dat de eiser zich borg heeft gesteld tot beloop van een bedrag dat tweemaal zo hoog was als dat van de verweerder en dat hij met BNP Paribas Fortis heeft onderhandeld om het tekort van de verweerster aan te zuiveren, kunnen niet leiden tot de vaststelling van een "ernstig gevaar voor de vennootschap en van, derhalve, een gegronde reden die verband houdt met de persoonlijkheid of het gedrag [van de verweerder]";

iv) de omstandigheid dat de boekhouding van 2009 werd belast met een voorziening van 60.000 euro om de kosten te dekken van procedures die pas in 2010 zijn ingesteld, houdt geen "bijzonder gevaar" in voor de verweerster;

v) de procedure tot aanstelling van een deskundige en de vordering tot sekwestratie kunnen niet als "ongerechtvaardigd" worden beschouwd ;

vi) het feit dat de verweerder back-upbestanden heeft achtergehouden, vormt geen "gevaar" en geen ernstige bedreiging voor de vennootschap en het feit dat een aandeelhouder zijn participatie wenst te verkopen, betekent niet dat zijn persoonlijkheid of gedrag een "ernstig gevaar" voor de vennootschap vormt.

Zo kan er volgens het arrest alleen sprake zijn van een "gegronde reden" tot uitsluiting van een aandeelhouder wanneer, in substantie, i) het gedrag of de persoonlijkheid van die aandeelhouder een ernstig en onverantwoord gevaar voor de vennootschap vormt, ii) bewezen is dat er sprake is van een "ernstige tekort-koming die schade berokkent aan" de aandeelhouder die de uitsluiting vordert, of iii) de aandeelhouder van wie de uitsluiting wordt gevorderd, "ongerechtvaardig-de" daden stelt.

3. Het arrest, dat de door de eiser tegen de verweerder ingestelde vordering tot uit-sluiting verwerpt op grond dat, enerzijds, de verweerster geen ernstig en onverantwoord gevaar liep en dat, anderzijds, de door de eiser aangevoerde gegevens niet kunnen leiden tot de vaststelling van "ernstige tekortkomingen die [de eiser] schade berokkenen", miskent zodoende de wettelijke begrippen "gegronde reden" en "uitsluiting", aangezien laatstgenoemde maatregel niet is ingevoerd ter bescherming van de belangen van de aandeelhouder die de uitsluiting vordert maar van die van de vennootschap.

Het arrest schendt derhalve artikel 636 van het Wetboek van Vennootschappen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Derde middel

Tweede onderdeel

Artikel 636, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen bepaalt dat een of meer aandeelhouders die gezamenlijk effecten bezitten die 30 pct. vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de bestaande effecten, of 20 pct. indien de vennootschap effecten heeft uitgegeven die het kapitaal niet vertegen-woordigen, of aandelen waarvan de nominale waarde of de fractiewaarde 30 pct. van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigt, om gegronde redenen in rechte kunnen vorderen dat een aandeelhouder zijn aandelen en alle converteerba-re effecten in zijn bezit, die recht geven op inschrijving op of op omzetting in aandelen van de vennootschap, aan de eisers overdraagt.

Die gegronde redenen moeten van die aard zijn dat het behouden in de vennoot-schap van de aandeelhouder wiens uitsluiting wordt gevorderd, de fundamentele belangen of de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt.

Het arrest, dat de zes categorieën van grieven onderzoekt die de eiser de verweer-der verwijt, overweegt om de in het middel weergegeven redenen dat bepaalde grieven niet zijn aangetoond, dat bepaalde daden die de verweerder heeft gesteld en bepaalde procedures die hij heeft ingeleid geen oneigenlijk doel dienden, met name het benadelen van de vennootschap of de eiser, dat ze de belangen van de vennootschap bijgevolg niet hebben geschaad, en dat de andere daden de vennootschap niet in gevaar hebben gebracht.

Zo overweegt het arrest, door een feitelijke beoordeling, dat geen van de door de eiser aan de verweerder verweten grieven zodanig zwaarwichtig zijn dat het be-houden van de verweerder in de vennootschap de fundamentele belangen of de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt.

Het arrest, dat overweegt dat uit de "zes omstandigheden die volgens [de eiser] de gegronde redenen zijn op grond waarvan [de verweerder] kan worden uitgeslo-ten", "noch apart noch in hun geheel beschouwd, kan worden afgeleid dat het gedrag of de persoonlijkheid [van de verweerder] een onverantwoord gevaar voor de [verweerster] vormt", schendt artikel 636 Wetboek van Vennootschappen niet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 21 maart 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Vordering in rechte van aandeelhouders van de vennootschap tot overdracht van alle aandelen en alle effecten die hij bezit

  • Voorwaarde

  • Gegronde redenen